Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
23

Jobs antwoord op Elifaz’ derde betoog

231Hierop antwoordde Job:

2‘Ook vandaag is mijn klacht een klacht vol bitterheid,

mijn hand kan mijn zuchten nauwelijks onderdrukken.

3O, wist ik maar waar ik hem kon vinden,

kon ik hem maar opzoeken in zijn verblijf.

4Dan zou ik mijn zaak aan hem voorleggen

en het zou mij aan argumenten niet ontbreken.

5Ik zou horen wat hij mij te zeggen had

en begrijpen wat hij tegen mij aanvoerde.

6Zou hij zijn macht gebruiken, als hij mij bestrijdt?

Nee, hij zou aandachtig naar mij luisteren.

7Dan kon ik, geheel oprecht, mijn zaak uiteenzetten

en zou voor altijd door mijn rechter worden vrijgesproken.

8

23:8
Ps. 139:7-10
Maar ik ga naar het oosten – daar is hij niet,

naar het westen – ik zie hem nergens.

9Hij is in het noorden – en blijft onvindbaar,

hij toeft in het zuiden – ik kan hem niet ontdekken.

10

23:10
Ps. 139:1-6
Maar hij kent de wegen die ik kies;

als hij me toetste, zou ik puur als goud zijn.

11

23:11
Ps. 17:5
Ik ben in zijn spoor getreden,

zonder af te buigen volgde ik zijn weg.

12De geboden die hij voorschreef heb ik nageleefd,

de woorden die hij sprak heb ik het meest van al gekoesterd.

13

23:13
Jes. 55:10-11
Maar onwrikbaar als hij is –

wie doet hem op zijn schreden keren?

Al wat hij verlangt, laat hij gebeuren.

14Wat hij heeft besloten, voert hij uit,

en hij heeft nog veel meer plannen.

15

23:15
Ps. 119:120
Daarom maakt zijn aanwezigheid mij zo beducht;

wanneer ik hem beschouw, dan sidder ik.

16God heeft mijn hart verzwakt,

de Ontzagwekkende heeft mij verlamd.

17Want niet de duisternis brengt mij tot zwijgen,

niet het donker berooft mij van het gezicht.

24

241Waarom kent de Ontzagwekkende de tijd van alle dingen,

maar weten zij die hem vereren nooit wanneer hij ingrijpt?

2

24:2
Deut. 27:17
Er zijn mensen die grensstenen verplaatsen,

die kudden stelen en ze weiden als de hunne.

3Ze drijven de ezel van de wezen weg,

ze nemen van de weduwe haar os als onderpand.

4De armen worden van het pad gedrongen,

de behoeftigen kruipen bij elkaar.

5Kijk, als wilde ezels in de woestijn

trekken ze uit, op zoek naar voedsel,

want de wildernis moet hun kinderen te eten geven.

6Van andermans veld oogsten ze de resten,

in de wijngaard van de goddelozen plukken ze de laatste druiven.

7

24:7
Deut. 24:12-13
Naakt brengen ze de nacht door, zonder bovenkleed,

door niets tegen de kou beschermd.

8Ze raken doorweekt van onweersbuien in de bergen,

geen schuilplaats vindend klampen ze zich aan de rotsen vast.

9De goddelozen rukken de wees los van de moederborst,

de armen nemen ze hun kinderen af als onderpand.

10Naakt lopen ze rond, zonder bovenkleed;

ze helpen, hongerend, de schoven binnenhalen.

11Midden op de dag staan ze in de wijngaard

en treden, door dorst gekweld, de wijnpers.

12Het gekerm van stervenden stijgt op uit de stad,

hartverscheurend roepen gewonden er om hulp,

maar God bekommert zich niet om hun ellende.

13

24:13
Joh. 3:20
De goddelozen zijn de vijanden van het licht,

zij willen zijn wegen niet kennen

en weigeren zijn pad te volgen.

14Voor het dag wordt, staat de moordenaar op

om de arme en behoeftige te doden;

als een dief sluipt hij door de nacht.

15

24:15
Spr. 7:9-10
De echtbreker wacht de avondschemer af,

hij denkt: Geen oog zal mij nu herkennen,

en bedekt zijn gezicht met een masker.

16In het donker dringen zij de huizen binnen;

na zonsopgang houden zij zich schuil

om aan het daglicht te ontsnappen.

17Het diepste duister is voor hen als de ochtend –

ze zijn met zijn verschrikkingen vertrouwd.

18Maar ze zijn onbestendig als schuim op het water,

hun bezit wordt door ieder in het land vervloekt;

niemand slaat de weg in naar hun wijngaarden.

19Zoals droogte en hitte smeltwater doen verdwijnen,

zo rukt het dodenrijk hen die gezondigd hebben weg.

20Zelfs de moederschoot kent hen niet meer;

de wormen doen zich aan hen te goed.

Hun namen raken in vergetelheid –

als een boom wordt hun misdadigheid geveld.

21Ze mishandelen de vrouwen, die onvruchtbaar worden,

ze staan de weduwen niet bij.

22Maar God grijpt de sterken aan, met al zijn kracht,

de goddelozen richten zich op, ze zijn hun leven niet zeker.

23Hij laat hun een schijn van veiligheid waarop ze steunen,

maar geen van hun daden ontsnapt aan zijn blik.

24Kort duurt hun voorspoed – dan zijn ze er niet meer,

ze verschrompelen als melde in de knop,

worden als korenaren afgesneden.

25Is dit niet zo? Kan iemand mij een leugenaar noemen

en mijn woorden als onwaar bestempelen?’

25

Bildads derde betoog

251Toen nam Bildad uit Suach het woord:

2‘Heersen en ontzetting zaaien – dat is God,

tot in de hoogste hemel dwingt hij vrede af.

3Zijn de troepen van zijn leger niet ontelbaar?

Kan iemand zich verbergen voor zijn licht?

4

25:4
Job 4:17
15:14
Kan een mens zich gedragen zoals God het wil,

kan een mens, geboren uit een vrouw, ooit zuiver zijn?

5Voor God schijnt zelfs de maan niet helder,

zelfs de sterren zijn onzuiver in zijn ogen.

6Wat vermag dan de mens, een worm slechts,

wat kan het mensenkind, een made!’