Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
13

131Mijn ogen hebben alles gezien,

mijn oren alles gehoord en begrepen.

2

13:2
Job 12:3
Wat jullie weten, weet ik ook,

ik ben niet jullie mindere.

3Nu zal ik spreken tot de Ontzagwekkende,

ik wil me verdedigen ten overstaan van God.

4Want jullie dekken alles toe met leugens,

kwakzalvers zijn jullie, allemaal!

5

13:5
Spr. 17:28
O, wilden jullie maar eens zwijgen,

dat zou wel een blijk van wijsheid zijn.

6Luister goed naar mijn verweer,

hoor het pleidooi dat over mijn lippen komt.

7Spreken jullie onwaarheid namens God?

Willen jullie God met leugens dienen?

8Zien jullie hem naar de ogen?

Is het zijn zaak waarvoor jullie pleiten?

9Loopt het goed af, als hij jullie onderzoekt?

Kun je hem bedriegen zoals je een mens bedriegt?

10Streng zal hij je straffen,

als je heimelijk partijdig bent.

11Boezemt zijn majesteit je dan geen schrik in?

Overweldigt je geen siddering van angst?

12Jullie betoog is louter zand,

jullie verweer een lemen schild.

13Zwijg nu, dan zal ik spreken,

wat er ook gebeuren mag.

14Al moet ik mijzelf aan stukken rijten,

al moet ik mijn leven op het spel zetten

15– hij wil me zeker doden –, ik deins niet terug,

ik zal mijn daden tegenover hem verdedigen.

16Ja, dit zal zelfs mijn redding worden,

want huichelaars verschijnen niet voor hem.

17Luister dus aandachtig naar mijn woorden,

laat mijn betoog in jullie oren dringen.

18

13:18
Job 9:15
Nu zal ik mijn zaak uiteenzetten;

ik weet: het recht staat aan mijn kant.

19Is er iemand die mijn gelijk betwisten kan?

Dan zal ik zwijgen en te gronde gaan.

20Maar ik vraag u om twee dingen,

zodat ik mij niet voor u hoef te verbergen:

21haal uw handen van mij af

en laat angst voor u mij niet verlammen.

22Roep mij, dan zal ik antwoorden,

of ik zal spreken en dan antwoordt u.

23Hoeveel wandaden en zonden heb ik begaan?

Laat me weten wat mijn overtredingen zijn!

24

13:24
Ps. 44:25
88:15
Waarom verbergt u uw gezicht

en behandelt u mij als uw vijand?

25Wilt u een opgewaaid blad opjagen,

een verdorde strohalm achtervolgen?

26

13:26
Ps. 25:7
Want u verordent bitterheid voor mij,

u belast mij met de zonden van mijn jeugd.

27U sluit mijn voeten in het blok,

u bewaakt me waar ik ga of sta,

u merkt mijn voetzool met uw teken.

28

13:28
Jes. 50:9
En dat bij iemand die verteerd wordt, als door wormen,

als een door motten aangetast gewaad.

14

141

14:1
Sir. 40:1
Een mens, geboren uit een vrouw –

kort zijn zijn dagen, doordrenkt van onrust.

2

14:2
Ps. 37:2
103:15-16
Jes. 40:6-8
Als een bloem ontluikt hij en verwelkt,

hij vlucht als een schaduw en houdt geen stand.

3En op zo’n mens richt u uw blik;

mij daagt u voor het gerecht?

4Kan een mens tot reinheid brengen wat onrein is?

Nee, dat kan hij niet!

5Als de dagen van de mens al vaststaan,

als u het aantal maanden dat hij leeft bepaalt

en de grens stelt die hij niet kan overschrijden,

6wend uw blik dan af en gun hem rust,

zodat hij als een dagloner van zijn dag geniet.

7Voor een boom is er altijd hoop:

als hij wordt omgehakt, loopt hij weer uit,

er blijven nieuwe loten komen.

8Al wordt zijn wortel in de aarde oud,

al gaat zijn stronk dood in de grond,

9zodra hij water ruikt, bot hij weer uit

en vormt twijgen, als een jonge scheut.

10Maar een mens sterft en hij ligt terneer.

Hij blaast zijn laatste adem uit – waar is hij dan?

11Water van de zee verdampt,

beddingen van rivieren worden dor en droog.

12Een mens gaat liggen en staat niet meer op.

Zolang de hemel zal bestaan, ontwaakt hij niet,

hij wordt niet uit zijn slaap gewekt.

13O, geef mij een schuilplaats in het dodenrijk

en verberg me daar totdat uw woede is geluwd,

stel een tijd vast en kijk dan weer naar mij om.

14Als een mens sterft – kan hij dan herleven?

Dan zou ik heel mijn tijd uitdienen,

totdat ik werd afgelost.

15U zou me roepen en ik zou antwoorden,

u zou terugverlangen naar het werk van uw handen.

16

14:16
Job 10:6
U zou al mijn stappen tellen,

maar geen acht slaan op mijn zonden.

17U zou mijn wandaad in een buidel weggesloten hebben,

mijn fouten hebben toegedekt.

18Maar een berg stort in en wordt vernietigd,

een rots wordt van zijn plaats gesleurd,

19water slijpt stenen tot stof,

aarde wordt door regens14:19 regens – Voorgestelde lezing. MT: ‘haar nagroei’. weggespoeld.

Zo doet u de hoop van de mens teniet.

20U overweldigt hem, hij gaat teloor;

u vervormt zijn gezicht, u zendt hem weg.

21Zijn zonen krijgen aanzien – hij weet het niet,

zijn zonen gaat het slecht – hij merkt het niet.

22Zijn lichaam kent slechts pijn

en zijn ziel treurt over hem.’

15

Elifaz’ tweede betoog

151Toen nam Elifaz uit Teman het woord:

2‘Zou een wijs man antwoorden met zo veel onverstand?

Zou hij zijn binnenste vullen met niets dan lucht?

3Wijst hij terecht met zinloze frasen,

met woorden waarmee niemand gebaat is?

4Daarbij tast je ook het ontzag voor God aan

en verzwak je de eerbied voor hem.

5Schuld geeft jou je woorden in,

dwingt jou een taal te spreken die misleidt.

6Je eigen mond veroordeelt je, niet ik,

je eigen lippen getuigen tegen je.

7Was jij de eerste mens die werd geboren,

werd jij geschapen vóór de bergen en de heuvels?

8Heb jij toegeluisterd bij Gods raad

en houd jij je wijsheid voor jezelf?

9Wat weet jij dat wij niet weten?

Welk inzicht heb jij dat ons ontbreekt?

10Onder ons zijn oude mannen, grijsaards zelfs,

die meer jaren tellen dan je vader.

11Is Gods troost je niet genoeg,

zijn milde woorden je te min?

12Waarom sleept je hartstocht je zo mee,

waarom bliksemen je ogen?

13Dat jij je zo heftig tegen God keert

en je zulke woorden laat ontvallen!

14

15:14
Job 4:17-19
Hoe kan een mens nu zuiver zijn,

wie uit een vrouw geboren is, onschuldig?

15Zelfs in zijn engelen stelt God geen vertrouwen,

ook de hemel is niet zuiver in zijn ogen.

16Hoezeer wordt dan de mens verafschuwd,

die verdorven is en het kwaad als water drinkt.

17Nu zal ik spreken, luister naar mij,

dit heb ik gezien en ik vertel het je.

18

15:18
Deut. 32:7
Job 8:8-10
Dit is wat wijze mannen zeggen,

wat door hun voorouders onthuld is,

19aan wie als enigen het land gegeven werd,

vóór er vreemdelingen onder hen verkeerden.

20Een goddeloze brengt zijn dagen door in angst,

een despoot zijn weinig jaren toegemeten.

21

15:21
Job 18:11
De stem van de verschrikking buldert in zijn oren,

zelfs in tijd van voorspoed dreigt hem de verwoester.

22Voor hem geen hoop op terugkeer uit de duisternis,

hij zal vallen door het zwaard.

23Hij dwaalt rond op zoek naar brood – waar is het?

Hij weet dat de dag van duisternis hem wacht.

24Tegenspoed en angst benauwen hem,

overweldigen hem als een koning die ten strijde trekt.

25Want hij heft zijn arm op tegen God,

de Ontzagwekkende wil hij trotseren.

26Uitdagend stormt hij op hem af,

de knoppen van zijn schild vooruitgestoken.

27Zijn gezicht is ingesmeerd met vet,

zijn lendenen zijn met vet bedekt.

28Hij zal wonen in verwoeste steden,

in huizen waar geen mens meer woont,

in huizen die tot puin vervallen.

29Hij vergaart geen rijkdom, zijn vermogen houdt geen stand,

zijn bezit vergezelt hem niet naar het dodenrijk.

30Hij zal niet ontkomen aan de duisternis,

zijn loten worden door het vuur verdelgd,

ze verzengen in de adem van Gods woede.

31Laat hij niet vertrouwen op bedrieglijke schijn,

want bedrog zal ook zijn loon zijn.

32Dit valt hem vóór zijn tijd ten deel,

zijn takken blijven zonder loof.

33Hij is een wijnstok die onrijpe druiven afschudt,

een olijfboom die zijn bloesems afstoot.

34Onvruchtbaar is het samenspannen van de goddelozen,

vuur verteert de huizen van bedriegers.

35

15:35
Ps. 7:15-17
Zij verwekken ongeluk en baren kwaad,

in hun schoot groeit het bedrog.’