Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
10

101

10:1
Job 7:11
Vervuld van afschuw voor het leven

laat ik mijn klacht de vrije loop

en zal ik spreken uit het bitterst van mijn ziel.

2Tegen God zal ik zeggen: “Veroordeel mij niet,

laat me weten waarom u mij bestrijdt.

3Doet het u goed mij te verdrukken,

te verachten wat uw handen hebben voortgebracht

en de plannen van de goddelozen te begunstigen?

4Hebt u de ogen van een mens,

ziet u zoals mensenogen zien?

5Zijn uw dagen als de dagen van een sterveling,

uw jaren als de levensdagen van een mens?

6Zoals u naar mijn fouten speurt,

zoals u probeert te ontdekken wat ik heb misdaan!

7

10:7
Deut. 32:39
U weet dat ik niet schuldig ben,

maar niets kan mij uit uw macht bevrijden.

8

10:8
Gen. 2:7
Uw handen hebben me gevormd en gemaakt,

geheel en al – en nu wilt u mij verdelgen?

9

10:9
Job 33:6
Bedenk toch dat u mij uit leem gevormd hebt,

wilt u mij tot stof doen terugkeren?

10Hebt u mij niet als melk uitgegoten

en als kaas doen stremmen?

11Met vlees en huid ben ik door u bekleed,

met botten en pezen hebt u mij samengeweven.

12U schonk mij het leven en de liefde,

uw zorg heeft mij bewaard.

13Maar dit houdt u in uw hart verborgen,

ik weet wat u met mij voorhebt:

14wanneer ik zondig, dan merkt u het op,

nooit laat u mij vrijuit gaan.

15Als ik schuldig ben – wee mij!

Maar zelfs onschuldig kan ik mijn hoofd niet oprichten,

verdwaasd van schande, dronken van ellende als ik ben.

16Als ik het opricht, zult u mij bespringen als een leeuw

en u nogmaals oppermachtig tonen.

17Steeds weer roept u nieuwe getuigen op,

steeds erger wordt uw boosheid jegens mij,

vijand na vijand overvalt me.

18

10:18-19
Job 3:11
Waarom hebt u mij ter wereld laten komen?

Waarom ben ik niet gestikt, voor iemand mij had gezien?

19Dan was het of ik nooit had geleefd,

ik was uit de moederschoot zo naar het graf gebracht.

20

10:20-21
Ps. 39:14
Mij resten weinig dagen, laat dit ophouden.

Keer u af van mij, zodat ik nog wat vreugde heb,

21voor ik vertrek, voorgoed,

naar het land van diepe donkerte,

22het land van het donkerste duister,

van de diepzwarte chaos,

van het nachtzwarte licht.”’

11

Sofars eerste betoog

111Toen nam Sofar uit Naäma het woord:

2‘Vraagt die woordenstroom niet om een tegenstem?

Zo’n zwetser krijgt toch niet zomaar gelijk?

3Denk je dat jouw dwaasheid ons tot zwijgen brengt?

Dat je spot door niemand aan de kaak gesteld wordt?

4Je beweert: “Zuiver zijn mijn woorden

en onschuldig ben ik in uw ogen.”

5O, wilde God zelf toch eens spreken

en zich tot jou richten,

6

11:6
Rom. 11:33
om de geheimen van zijn wijsheid te onthullen

– want ondoorgrondelijk zijn zijn werken –,

dan zou je weten: God rekent je niet al je zonden aan.

7Kun jij Gods wijsheid ten diepste doorvorsen,

het wezen van de Ontzagwekkende geheel omvatten?

8Van de hemelse hoogten – vermag jij daar iets? –

tot het diepst van het dodenrijk – reikt jouw kennis zo ver?

9Langer dan de aarde is zijn maat,

hij is breder dan de zee.

10Als hij iemand achtervolgt, gevangenzet

en over hem laat oordelen, wie zal hem daarbij hinderen?

11Hij kent de onoprechten,

moeiteloos doorziet hij het kwaad.

12Een leeghoofd komt niet tot inzicht,

zomin als een ezelsveulen als mens wordt geboren.

13Keer je naar hem toe,

hef je handen naar hem op,

14werp alle kwaad ver van je af,

laat het onrecht niet wonen in je huis.

15Dan kun je je hoofd oprichten, zonder smet,

en zul je staan als een toren en niet meer vrezen.

16Je zult je ongeluk vergeten,

het zal zijn als water dat is weggestroomd.

17Lichter dan de middag zal het leven zijn,

als de ochtend zal het donker stralen.

18Je zult vol vertrouwen zijn, er is hoop,

je zult je veilig weten, je kunt rustig slapen.

19Je gaat liggen, niemand schrikt je op,

en velen zullen naar je vriendschap dingen.

20Maar de ogen van de goddelozen doven,

zij vinden nergens meer een toevlucht;

hun enige vooruitzicht is de dood.’

12

Jobs antwoord op Sofars eerste betoog

121Hierop antwoordde Job:

2‘Ja, jullie zijn werkelijk onovertroffen,

met jullie zal de wijsheid sterven!

3

12:3
Job 13:2
Maar net als jullie heb ik mijn verstand,

ik ben niet jullie mindere.

Wie weet dit soort dingen niet?

4Een mikpunt van spot ben ik voor mijn vrienden,

terwijl ik God aanroep en op zijn antwoord wacht!

Spot valt hem ten deel die onberispelijk en rechtvaardig is.

5Ongeluk verdient verachting, denkt de zorgeloze,

de wankelende wordt omvergestoten.

6De huizen van geweldplegers staan onbedreigd,

Gods beschimpers zijn volkomen veilig,

ze hebben hem naar hun hand gezet.

7Vraag het vee hiernaar, het zal je onderrichten,

vraag de vogels in de lucht, ze zullen het verkondigen.

8Of spreek tot de aarde, ze zal je onderrichten,

het wordt je verteld door de vissen van de zee.

9

12:9
Job 9:24
Wie weet van al deze dingen niet:

de HEER heeft ze tot stand gebracht.

10Want in zijn macht is de ziel van al wat leeft,

in zijn macht de adem van het menselijk geslacht.

11

12:11
Job 34:3
Toetst het oor de woorden niet,

zoals het gehemelte het voedsel proeft?

12

12:12
Job 32:7-9
Valt de wijsheid aan de oudsten toe?

Groeit inzicht met het vorderen van de jaren?

13Nee, God bezit de wijsheid en de kracht,

hij heeft inzicht en verstand.

14Wat God verwoest, wordt niet weer opgebouwd,

wie hij gevangenzet, wordt niet meer bevrijd.

15God bedwingt de wateren, en stromen vallen droog,

laat hij ze gaan, dan ontwrichten ze de aarde.

16Kracht en voorspoed zijn aan hem te danken,

hij heerst over bedrieger en bedrogene.

17Raadsheren stuurt hij barrevoets weg

en van rechters maakt hij dwazen.

18Hij rukt koningen hun mantel af

en bindt hun een lendendoek om.

19Priesters stuurt hij barrevoets weg

en heersers brengt hij ten val.

20Hij knevelt de tong van wijze mannen

en berooft de ouden van hun oordeelskracht.

21

12:21-24
Ps. 107:40
Over aanzienlijken stort hij verachting uit

en hij maakt de gordels van edelen los.

22Hij onthult het diepste van de duisternis

en brengt het zwartste donker naar het licht.

23Volken maakt hij groot, dan richt hij ze te gronde,

volken maakt hij machtig, dan voert hij ze weg.

24Hun aanvoerders beneemt hij het verstand,

hij laat hen dolen in een woestenij zonder uitweg.

25Ze tasten in een lichtloos duister rond,

hij laat hen zwalken als beschonkenen.