Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
9

Jobs antwoord op Bildads eerste betoog

91Hierop antwoordde Job:

2

9:2-3
Pred. 6:10
‘Zeker, ik weet dat het zo is,

hoe kan een mens in zijn recht staan tegenover God?

3Als je met hem een rechtsgeding wilt aangaan,

heb je niet één op de duizend maal een weerwoord.

4Hoe wijs van hart, hoe sterk een mens ook is,

God kan hij nimmer straffeloos trotseren.

5Hij verplaatst bergen, voor men het merkt;

in zijn woede stoot hij ze omver.

6De aarde schudt hij van haar plaats,

zodat haar zuilen wankelen.

7

9:7
Jes. 13:13
De zon houdt op te schijnen als hij het beveelt,

en hij sluit de sterren weg, verzegeld.

8

9:8
Ps. 104:2-3
Jes. 40:22
42:5
Hij spant het hemelgewelf, hij alleen,

en wandelt op de hoog oprijzende zee.

9

9:9
Job 38:31-32
Amos 5:8
De Grote Beer heeft hij gemaakt, en Orion,

de Plejaden en de sterren van het zuiden.

10

9:10
Job 5:9
Hij doet grote, ondoorgrondelijke dingen,

ontelbaar zijn de wonderen die hij verricht.

11

9:11
Job 23:8-9
Hij gaat mij voorbij en ik zie hem niet,

hij glipt langs mij heen en ik merk het niet.

12Als hij iets wegrukt, wie weerhoudt hem dan?

Wie zal hem zeggen: “Wat doet u?”

13

9:13
Ps. 89:11
God houdt zijn woede niet in toom;

zelfs Rahabs helpers moeten voor hem buigen.

14Hoe kan ik mijn stem dan laten horen,

hoe kan ik dan de juiste woorden vinden?

15Al sta ik in mijn recht, een weerwoord heb ik niet,

ik kan slechts mijn rechter om genade smeken.

16Als ik hem zou roepen en hij antwoordde,

zou ik niet geloven dat hij naar me luisterde.

17Hij teistert mij als een stormwind,

zonder reden brengt hij mij steeds nieuwe wonden toe.

18

9:18
Job 7:19
Hij laat me nooit op adem komen,

hij vervult mij met een diepe bitterheid.

19Gaat het om kracht, dan is hij de sterkste,

gaat het om recht, dan zegt hij: “Wie daagt mij voor de rechter?”

20Ook al heb ik geen schuld,

mijn eigen mond zal me veroordelen.

Ook al ben ik onschuldig,

hij zal mij schuldig verklaren.

21Ik ben rechtschapen – maar mijn leven telt niet meer,

ik veracht mijn bestaan.

22

9:22
Pred. 9:2-3
Hij maakt geen onderscheid, en daarom zeg ik:

“Onschuldige of goddeloze, beiden vernietigt hij.”

23Als plotseling een ramp verderf zaait,

spot hij met de wanhoop van onschuldigen.

24De aarde wordt gegeven aan de goddelozen,

het gezicht van haar rechters wordt bedekt.

Als niet hij dit doet, wie dan?

25Mijn dagen gaan sneller dan een ijlbode;

ze vliegen voorbij zonder enige vreugde.

26Ze spoeden langs als rieten boten,

als een adelaar die wegschiet naar zijn prooi.

27Als ik zeg: “Laat ik mijn geklaag nu staken

en een vrolijker gezicht zetten,”

28dan blijft mijn pijn me angst aanjagen

en weet ik: nooit verklaart u mij onschuldig.

29Ik zal veroordeeld worden;

waarom zou ik nog vruchteloos verder zwoegen?

30

9:30
Jer. 2:22
Al zou ik me wassen met sneeuw

en mijn handen reinigen met loog,

31u zou mij in een put gooien;

zelfs mijn kleren zouden van me walgen.

32Hij is geen mens, zoals ik,

anders zou ik hem kunnen antwoorden,

als we samen voor de rechter stonden.

33Was er maar iemand die tussen ons rechtsprak,

die over ons beiden zijn gezag kon laten gelden.

34Dan zou zijn hand mij niet meer straffen

en zijn verschrikking mij niet meer overweldigen.

35Dan zou ik spreken zonder hem te vrezen –

maar nee, dat is mij niet vergund.

10

101

10:1
Job 7:11
Vervuld van afschuw voor het leven

laat ik mijn klacht de vrije loop

en zal ik spreken uit het bitterst van mijn ziel.

2Tegen God zal ik zeggen: “Veroordeel mij niet,

laat me weten waarom u mij bestrijdt.

3Doet het u goed mij te verdrukken,

te verachten wat uw handen hebben voortgebracht

en de plannen van de goddelozen te begunstigen?

4Hebt u de ogen van een mens,

ziet u zoals mensenogen zien?

5Zijn uw dagen als de dagen van een sterveling,

uw jaren als de levensdagen van een mens?

6Zoals u naar mijn fouten speurt,

zoals u probeert te ontdekken wat ik heb misdaan!

7

10:7
Deut. 32:39
U weet dat ik niet schuldig ben,

maar niets kan mij uit uw macht bevrijden.

8

10:8
Gen. 2:7
Uw handen hebben me gevormd en gemaakt,

geheel en al – en nu wilt u mij verdelgen?

9

10:9
Job 33:6
Bedenk toch dat u mij uit leem gevormd hebt,

wilt u mij tot stof doen terugkeren?

10Hebt u mij niet als melk uitgegoten

en als kaas doen stremmen?

11Met vlees en huid ben ik door u bekleed,

met botten en pezen hebt u mij samengeweven.

12U schonk mij het leven en de liefde,

uw zorg heeft mij bewaard.

13Maar dit houdt u in uw hart verborgen,

ik weet wat u met mij voorhebt:

14wanneer ik zondig, dan merkt u het op,

nooit laat u mij vrijuit gaan.

15Als ik schuldig ben – wee mij!

Maar zelfs onschuldig kan ik mijn hoofd niet oprichten,

verdwaasd van schande, dronken van ellende als ik ben.

16Als ik het opricht, zult u mij bespringen als een leeuw

en u nogmaals oppermachtig tonen.

17Steeds weer roept u nieuwe getuigen op,

steeds erger wordt uw boosheid jegens mij,

vijand na vijand overvalt me.

18

10:18-19
Job 3:11
Waarom hebt u mij ter wereld laten komen?

Waarom ben ik niet gestikt, voor iemand mij had gezien?

19Dan was het of ik nooit had geleefd,

ik was uit de moederschoot zo naar het graf gebracht.

20

10:20-21
Ps. 39:14
Mij resten weinig dagen, laat dit ophouden.

Keer u af van mij, zodat ik nog wat vreugde heb,

21voor ik vertrek, voorgoed,

naar het land van diepe donkerte,

22het land van het donkerste duister,

van de diepzwarte chaos,

van het nachtzwarte licht.”’

11

Sofars eerste betoog

111Toen nam Sofar uit Naäma het woord:

2‘Vraagt die woordenstroom niet om een tegenstem?

Zo’n zwetser krijgt toch niet zomaar gelijk?

3Denk je dat jouw dwaasheid ons tot zwijgen brengt?

Dat je spot door niemand aan de kaak gesteld wordt?

4Je beweert: “Zuiver zijn mijn woorden

en onschuldig ben ik in uw ogen.”

5O, wilde God zelf toch eens spreken

en zich tot jou richten,

6

11:6
Rom. 11:33
om de geheimen van zijn wijsheid te onthullen

– want ondoorgrondelijk zijn zijn werken –,

dan zou je weten: God rekent je niet al je zonden aan.

7Kun jij Gods wijsheid ten diepste doorvorsen,

het wezen van de Ontzagwekkende geheel omvatten?

8Van de hemelse hoogten – vermag jij daar iets? –

tot het diepst van het dodenrijk – reikt jouw kennis zo ver?

9Langer dan de aarde is zijn maat,

hij is breder dan de zee.

10Als hij iemand achtervolgt, gevangenzet

en over hem laat oordelen, wie zal hem daarbij hinderen?

11Hij kent de onoprechten,

moeiteloos doorziet hij het kwaad.

12Een leeghoofd komt niet tot inzicht,

zomin als een ezelsveulen als mens wordt geboren.

13Keer je naar hem toe,

hef je handen naar hem op,

14werp alle kwaad ver van je af,

laat het onrecht niet wonen in je huis.

15Dan kun je je hoofd oprichten, zonder smet,

en zul je staan als een toren en niet meer vrezen.

16Je zult je ongeluk vergeten,

het zal zijn als water dat is weggestroomd.

17Lichter dan de middag zal het leven zijn,

als de ochtend zal het donker stralen.

18Je zult vol vertrouwen zijn, er is hoop,

je zult je veilig weten, je kunt rustig slapen.

19Je gaat liggen, niemand schrikt je op,

en velen zullen naar je vriendschap dingen.

20Maar de ogen van de goddelozen doven,

zij vinden nergens meer een toevlucht;

hun enige vooruitzicht is de dood.’

Door deze website verder te gebruiken ga je akkoord met plaatsing en gebruik van cookies door het NBG en derden conform onze privacyverklaring.[bericht verbergen]