Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
48

Profetie over Moab

481

48:1-47
Jes. 15:1-16:14
25:10-12
Ezech. 25:8-11
Amos 2:1-3
Sef. 2:8-11
Dit zegt de HEER van de hemelse machten, de God van Israël, over Moab:

Wee Nebo! Het wordt verwoest.

Kirjataïm wordt veroverd en met schande overladen.

Misgab staat te schande en is radeloos.

2Het is met Moabs roem gedaan.

In Chesbon wordt over zijn ondergang beslist,

ze besluiten Moab uit te roeien tot de laatste man.

Ook jij, Madmen, zult worden vernietigd,

je gaat door krijgsgeweld ten onder.

3Vanuit Choronaïm zal gejammer klinken,

onheil treft het, alles wordt verwoest.

4Moab ligt in puin,

de kinderen jammeren luid.

5Klacht op klacht klinkt op de weg omhoog naar Luchit,

overal gejammer48:5 overal gejammer – Volgens sommige oude vertalingen. MT: ‘ze horen rampen van gejammer’. op de weg omlaag naar Choronaïm.

6Vlucht, inwoners van Moab! Red het vege lijf!

Overleef, zoals een struik in de woestijn!

7Jullie waanden je veilig met je vestingen en voorraden,

daarom wordt het land veroverd.

Kemos gaat in ballingschap,

zijn priesters en de leiders volgen hem.

8De vijand plundert alle steden,

geen stad ontgaat dat lot.

De Jordaanvallei is reddeloos verloren,

vernietigd wordt de hoogvlakte

– de HEER heeft het gezegd.

9Bouw ter nagedachtenis een monument,

want van Moab blijft niets over.48:9 Bouw ter nagedachtenis een monument,/ want van Moab blijft niets over – Volgens de Septuaginta. MT: ‘Geef Moab vleugels, want vliegende moet het weggaan’.

Een wildernis worden de steden,

ze worden ontvolkt.

10Vervloekt is wie de opdracht van de HEER halfslachtig uitvoert,

vervloekt is wie zijn zwaard het bloed ontzegt.

11Moab had vanaf zijn jeugd geen zorgen,

het was als wijn die op zijn droesem rustte.

Nooit werd het van het ene in het andere vat gegoten,

nooit ging het in ballingschap.

Daarom is zijn smaak zo goed gebleven,

is zijn geur zo onbedorven.

12Maar de dag zal komen – spreekt de HEER –

dat ik wijnmeesters zal sturen

die de wijn gaan overgieten,

de vaten zullen legen,

de kruiken zullen stukslaan.

13

48:13
1 Kon. 12:29
Hos. 10:5
Dan wordt Moab door Kemos teleurgesteld,

zoals Israël door Betel werd teleurgesteld,

die god waarin het zijn vertrouwen stelde.

14Mannen uit Moab, hoe durven jullie te beweren:

“Wij zijn eersteklas soldaten, heldhaftig en strijdlustig”?

15Moab zal zijn verwoesting niet ontlopen.

De vijand voert een stormloop op de steden uit,

de keurtroepen van Moab worden afgeslacht

– spreekt de koning wiens naam is HEER van de hemelse machten.

16De ondergang van Moab is nabij,

onheil treft het nu zeer snel.

17Buurlanden, klaag om Moab.

Allen die het zo bewonderden, hef dit klaaglied aan:

“Ach, nu is hij gebroken,

die schitterende staf, die luisterrijke scepter.”

18Kom van je verheven zetel af, vrouwe Dibon,

en je zult van dorst versmachten.

Moabs vernietiger trekt tegen je op

en zal je vestingen verwoesten.

19Ga bij de weg op de uitkijk staan,

inwoners van Aroër.

Vraag de vluchtelingen: “Wat is er gebeurd?”

20“Moab is met schande overladen, het is radeloos.

Barst uit in gejammer, schreeuw het uit!

Vertel het in het Arnondal: Moab is verwoest.”

21Het vonnis is geveld over de hoogvlakte,

over Cholon, Jahas en Mefaät,

22over Dibon, Nebo en Bet-Diblataïm,

23over Kirjataïm, Bet-Gamul en Bet-Meon,

24over Keriot en Bosra,

over elke andere stad van Moab, waar ze ook ligt.

25Het is uit met Moabs machtsvertoon,

gebroken is zijn machtige arm – spreekt de HEER.

26Voer het dronken, het heeft de HEER getart.

Het zal nu stikken in zijn eigen braaksel,

het wordt nu zelf bespot.

27Moab, heb je Israël niet altijd uitgelachen,

gehoond als een betrapte dief?

Wees je het niet spottend na?

28Ontvlucht de steden, inwoners van Moab.

Houd je schuil in grotten,

nestel je als duiven in de rotswanden.

29Wij weten hoe hoogmoedig Moab is –

wat is het hooghartig.

Wij kennen zijn trots, zijn eigendunk,

zijn zelfgenoegzaamheid, zijn grenzeloze eigenwaan.

30Ik weet – spreekt de HEER – hoe verwaand het is.

Maar Moabs grootspraak stoelt op niets,

zijn daden stellen niets voor.

31Daarom zal ik jammeren om Moab,

zal ik huilen om dat hele land.

Ik zal treuren om de inwoners van Kir-Cheres.

32En om jullie, wijnstokken van Sibma,

zal ik luider huilen dan om Jazer.

Je ranken zijn zo groot,

ze reiken tot voorbij de Dode Zee.

Ze reiken zelfs tot aan het waterbekken van Jazer.

Maar je zomervruchten en je wijnoogst

vallen ten prooi aan plunderaars.

33Dan zal de vreugdezang verstommen

in alle boomgaarden van Moab.

Er zal geen wijn meer in de kuipen zijn.

Ik maak een einde aan het treden van de druiven,

de druivenpersers zingen niet langer hun lied.

34Chesbon jammert. Men hoort het in Elale.

Tot aan Jahas klinkt zijn klagen,

van Soar tot aan Choronaïm,

tot aan Eglat-Selisia.

Want zelfs de beek van Nimrim wordt een dorre geul.

35Ik laat Moabs priesters niet meer offeren,

geen wierook branden voor hun goden – spreekt de HEER.

36Moabs rijkdom zal vergaan.

Daarom klaagt mijn hart als een schalmei om Moab,

als een klagende schalmei treurt het over Kir-Cheres.

37Ieder zal een rouwkleed dragen,

elk hoofd zal worden kaalgeschoren,

elke baard zal worden afgeknipt,

elke hand zal zijn gekerfd.

38Op alle daken, alle pleinen wordt gerouwd.

Want ik verbrijzel Moab

als een kruik die nergens meer toe dient

– spreekt de HEER.

39Hef een klaaglied aan:

“Hoe verbrijzeld ligt het daar.

Nu wendt Moab zijn gezicht van schaamte af,

nu wordt het door iedereen bespot.”

40

48:40-41
Jer. 49:22
Dit zegt de HEER:

De vijand doemt op als een gier,

een gier die boven Moab cirkelt.

41De steden worden ingenomen,

de vestingen veroverd.

Moabs helden sidderen en beven op die dag,

zoals een vrouw in barensnood.

42Moab wordt vernietigd tot de laatste man,

want het heeft de HEER getart.

43

48:43-44
Jes. 24:17-18
Verschrikking, valkuil en vangnet

wacht jullie daar, inwoners van Moab – spreekt de HEER.

44Wie vlucht voor de verschrikking, zal vallen in de kuil,

wie uit de kuil weet te klimmen, raakt gevangen in het net.

Het moment waarop met hen wordt afgerekend,

nadert snel – spreekt de HEER.

45

48:45
Num. 21:28-29
24:17
Vluchtelingen blijven uitgeput onder Chesbons muren staan,

want Chesbon staat in lichterlaaie.

De stad van Sichon48:45 De stad van Sichon – Volgens sommige Hebreeuwse handschriften. MT: ‘Van tussen Sichon’. gaat in vlammen op.

De hoofdstad van die snoevers valt aan vuur ten prooi,

het verteert de verste uithoeken van Moab.

46

48:46
Num. 21:27-29
Wee Moab!

Het volk van Kemos gaat ten onder.

De mannen worden meegevoerd,

de vrouwen worden buitgemaakt.

47Maar eens zal ik in Moabs lot een keer brengen

– spreekt de HEER.’

Tot zover het vonnis over Moab.

49

Profetie over Ammon

491

49:1-6
Ezech. 21:33-37
25:1-7
Amos 1:13-15
Sef. 2:8-11
‘Dit zegt de HEER over de Ammonieten:

Heeft Israël geen eigen zonen,

heeft het zelf geen erfgenamen?

Hoe kon de god Milkom49:1 de god Milkom – Volgens de oudste vertalingen. MT: ‘hun koning’. dan Gad verjagen,

waarom woont zijn volk nu in de steden van die stam?

2Maar de dag zal komen – spreekt de HEER –

dat ik Rabbat-Ammon dreunen laat van krijgsgeschreeuw.

Het valt in puin, het zal verlaten zijn,

de dorpen gaan in vlammen op.

Dan zal Israël zijn bezetter verjagen

– spreekt de HEER.

3Barst uit in gejammer, Chesbon,

want Ai wordt verwoest.

Schreeuw het uit, vrouwen van Rabba,

weeklaag, hul je in het zwart.

Ren radeloos rond in de velden,

want Milkom49:3 Milkom – Volgens de oudste vertalingen. MT: ‘hun koning’. gaat in ballingschap.

Priesters en leiders volgen hem.

4Ammon, waarom poch je zo op je valleien,

je velden die zo vruchtbaar zijn?

Eigenzinnig volk van Ammon,

jullie wanen je zo veilig met je voorraden

dat jullie zeggen: “Niemand kan ons aan.”

5Ik stuur een angstwekkende vijand,

hij komt van alle kanten op je af

– spreekt de HEER, de God van de hemelse machten.

Hij zal jullie als vluchtelingen verstrooien,

niemand verenigt jullie weer.

6Maar eens zal ik in Ammons lot een keer brengen

– spreekt de HEER.

Profetie over Edom

7

49:7-22
Jes. 34:5-17
63:1-6
Ezech. 25:12-14
35:1-15
Amos 1:11-12
Ob. 1-14
Mal. 1:2-5
Dit zegt de HEER van de hemelse machten over Edom:

Is er geen wijsheid meer in Teman,

gaat men daar niet langer met verstand te werk,

is elk inzicht daar verdwenen?

8Vlucht, vlucht weg, inwoners van Dedan,

zoek een diep verborgen schuilplaats.

Ik breng onheil over Esaus nageslacht,

het tijdstip is gekomen dat ik met hen afreken.

9Als er druivenplukkers komen,

snijden ze niet alle trossen af.

Als er dieven komen in de nacht,

stelen ze alleen wat hun van pas komt.

10Maar ik pluk het land van Esau kaal,

elke schuilplaats leg ik bloot.

Niemand kan zich nog verbergen,

heel het nageslacht van Esau wordt verdelgd.

Niemand overleeft, geen broers, geen buren.

11Niemand zegt:49:11 Niemand zegt – Volgens de Septuaginta. MT: ‘Ze zijn niet meer’. “Vertrouw de wezen toe aan mij,

ik zal voor ze zorgen.

Laat de weduwen op mij vertrouwen.”

12

49:12
Jer. 25:28-29
Dit zegt de HEER: Zelfs zij die het niet verdienen uit de beker van mijn toorn te drinken, zullen eruit drinken. Denk jij dan je straf te ontlopen? Je zult niet ongestraft blijven. Drinken zul je! 13Ik zweer bij mijzelf – spreekt de HEER – dat Bosra een verschrikkelijke woestenij wordt, een plaats die wordt bespot en vervloekt, en dat alle steden eromheen voor altijd een ruïne worden.’

14‘De HEER heeft een bode gestuurd naar alle volken,

ook ik heb zijn boodschap gehoord:

“Sluit je aaneen, trek ten strijde tegen Edom!”’

15‘Dit zegt de HEER over Edom:

Ik maak van jou een onbeduidend volk,

veracht door iedereen.

16

49:16
Jer. 51:53
Hab. 2:9
Door je hoogmoed heb je je laten verleiden,

door je ongenaakbaarheid.

Hoog woon je, hoog in de rotskloven,

de hoogste bergtoppen houd je bezet.

Maar al bouw je als een adelaar een hooggelegen nest,

dan nog haal ik je neer – spreekt de HEER.

17Dan zal Edom een verschrikkelijke plaats zijn. Ieder die er komt zal huiveren om het onheil dat het getroffen heeft, ieder stokt de adem in de keel. 18

49:18
Gen. 19:24-25
Jer. 50:40
Het wordt volkomen verwoest – zegt de HEER – zoals Sodom en Gomorra en de naburige steden werden verwoest. Niemand zal in Edom wonen, mensen zullen er niet meer verblijven.

19

49:19-21
Jer. 50:44-46
49:19
Job 9:19
Wijsh. 12:12
Zoals een leeuw een kudde overvalt

vanuit het struikgewas bij de Jordaan,

zo val ik Edom binnen

en jaag het volk uiteen.

Welke held zou ik het laten beschermen?

Wie is als ik, wie kan mij trotseren?

Welke herder houdt tegen mij stand?

20Luister daarom naar de plannen van de HEER

die hij tegen Edom heeft beraamd.

Hoor wat hij voor Teman in gedachte heeft.

Hij zweert dat zelfs de zwakste schapen worden weggesleurd,

op hun weidegronden klinken kreten van verbijstering.

21De aarde beeft van Edoms val,

hun gejammer klinkt tot aan de Rode Zee.

22De vijand doemt op als een gier,

een gier die boven Bosra cirkelt.

Edoms helden sidderen en beven op die dag,

zoals een vrouw in barensnood.

Profetie over Damascus

23

49:23-27
Jes. 17:1-3
Amos 1:3-5
Zach. 9:1
Dit zegt de HEER over Damascus:

Hamat en Arpad zijn ontredderd,

de bevolking heeft rampzalig nieuws gehoord.

Zoals de zee wordt opgezweept,

zo woelt de angst in hen.

Rust is ver te zoeken.

24Damascus heeft de moed verloren.

De inwoners zijn nu al op de vlucht geslagen,

aangegrepen door paniek.

Ze sidderen en beven,

zoals een vrouw in barensnood.

25Waarom toch wordt Damascus nog verdedigd,

die schitterende stad waarin ik vreugde vond?

26De soldaten zullen sterven op de pleinen,

elke krijgsheld sneuvelt op die dag

– spreekt de HEER van de hemelse machten.

27Ik zal de muren van Damascus in vlammen doen opgaan,

vuur verteert de burchten van Benhadad.

Profetie over Kedar en de stammen rond Chasor

28De HEER zegt over Kedar en de stammen rond Chasor, die door koning Nebukadnessar van Babylonië werden verslagen:

Vooruit, trek op tegen Kedar,

verdelg die stammen uit het oosten.

29Roof hun tenten, geiten, schapen,

neem alles mee wat ze bezitten.

Maak hun kamelen buit,

laat hen schreeuwen in paniek.

30Inwoners van Chasor, vlucht,

zwerm uit naar alle kanten,

zoek een diep verborgen schuilplaats – spreekt de HEER.

Koning Nebukadnessar van Babylonië

heeft tegen jullie kwaad in de zin,

hij heeft zijn plannen tegen jullie klaar.

31Vooruit, trek op tegen dat zorgeloze volk

dat zich veilig waant – spreekt de HEER –,

dat poorten noch grendels heeft,

en leeft in afgelegen streken.

32Hun kamelen worden buitgemaakt,

heel hun veestapel geroofd.

Ik zal die stammen met hun kaalgeschoren slapen

in elke windrichting verstrooien.

Ik breng van alle kanten onheil

– spreekt de HEER.

33Chasor wordt een oord voor jakhalzen,

het wordt voor altijd een woestenij.

Het wordt ontvolkt,

mensen zullen er niet meer verblijven.’

Profetie over Elam

34De HEER richtte tot de profeet Jeremia de volgende woorden over Elam, in het begin van de regering van koning Sedekia van Juda:

35‘Dit zegt de HEER van de hemelse machten:

Ik zal Elams bogen breken,

het wapentuig waarop zijn macht berust.

36Ik laat vier stormen over Elam komen,

uit alle vier de hoeken van de hemel.

Ik zal dat volk in elke windrichting verstrooien,

geen land waar men de ballingen niet ziet.

37Ik jaag hun een dodelijke angst aan voor de vijand,

hun vijand die hun naar het leven staat.

In mijn laaiende woede breng ik onheil over hen

– spreekt de HEER.

Ik achtervolg hen met geweld,

totdat ik hen vernietigd heb.

38Dan zal ik mijn troon in Elam vestigen,

en koning en leiders wegvagen – spreekt de HEER.

39Maar eens zal ik in Elams lot een keer brengen

– spreekt de HEER.’

50

Profetie over Babylonië

501

50:1-46
Jes. 13:1-14:23
47:1-15
50:1
Jes. 46:2
De HEER sprak bij monde van de profeet Jeremia de volgende woorden over Babel en Chaldea.

2‘Maak bekend onder alle volken,

laat het horen, geef het door,

houd het niet verborgen, maak bekend:

Babel wordt veroverd,

Bel wordt te schande gemaakt,

Marduk is ten einde raad.

Babels beelden staan te schande,

zijn afgoden zijn radeloos.

3Want een volk rukt op uit het noorden,

het maakt Babel tot een woestenij.

Niets of niemand zal er meer wonen,

ieder mens, elk dier, is op de vlucht geslagen.

4In die dagen, in die tijd,

keert het volk van Israël terug,

samen met het volk van Juda

– spreekt de HEER.

In tranen zullen ze op weg gaan

om de HEER, hun God, te zoeken.

5

50:5
Jer. 31:31
Ze zullen vragen welke weg naar Sion leidt

en richten hun schreden ernaartoe.

Ze zullen aankomen

en zich opnieuw verbinden met de HEER,50:5 Ze zullen aankomen/ en zich opnieuw verbinden met de HEER– Volgens de Septuaginta. MT: ‘Komen jullie en laten zij zich aansluiten bij de HEER’.

in een verbond dat eeuwig duurt

en dat ze nooit zullen vergeten.

6Mijn volk was een dolende kudde schapen,

hun herders lieten hen dwalen,

ze dreven hen de bergen in.

Daar dwaalden ze over heuvels en bergen,

ze vergaten waar hun schaapskooi was.

7Voor wie hun pad kruisten, waren ze een prooi.

Hun belagers zeiden: “Wij maken ons niet schuldig,

zijzelf hebben gezondigd tegen de HEER,

hun ware weidegrond,

tegen de HEER,

de bron van hoop voor hun voorouders.”

8

50:8
Jes. 48:20
52:11
Jer. 51:6,45
Op. 18:4
Maar vlucht nu weg uit Babel,

verlaat het land van de Chaldeeën!

Vlucht, als bokken voor de kudde uit.

9Want ik breng grote volken samen

en vuur ze aan om tegen Babel op te trekken.

Ze komen uit het noorden, belegeren de stad,

ze wordt door hen veroverd.

Ze hebben uitmuntende schutters,50:9 uitmuntende schutters – Volgens sommige Hebreeuwse handschriften. MT: ‘een kinderloos makende schutter’.

hun pijlen treffen altijd doel.

10Chaldea wordt de prooi van plunderaars,

naar hartenlust roven ze – spreekt de HEER.

11Chaldeeën, jullie hebben mijn bezit geplunderd.

Ook al waren jullie toen vol blijdschap,

ook al hieven jullie vreugdekreten aan,

ook al sprongen jullie op als kalveren die mogen dorsen,

hinnikten jullie als hengsten –

12jullie moeder zal te schande staan,

de vrouw die je gedragen heeft, wordt vernederd.

Ze wordt de geringste onder de volken,

een uitgedroogde vlakte, een dorre woestijn.

13Door de toorn van de HEER wordt Babel ontvolkt,

heel de stad wordt een woestenij.

Ieder die daar komt zal huiveren,

de adem stokt hem in de keel

om het onheil dat haar heeft getroffen.

14Stel je op in slagorde rond Babel!

Boogschutters, leg aan,

spaar je pijlen niet,

want Babel heeft tegen de HEER gezondigd.

15

50:15
Jes. 59:18
Jer. 51:6
Hef strijdkreten aan, omsingel de stad,

ze zal zich overgeven.

De torens storten in, de muren worden geslecht.

Voltrek aan de stad de wraak van de HEER,

doe met haar wat ze zelf heeft gedaan.

16Dood de zaaiers van Babel,

roei de maaiers in de oogsttijd uit.

Door het moordend geweld vlucht ieder naar zijn eigen volk,

keert ieder naar zijn eigen land terug.

17

50:17
Jer. 51:34
Israël was een dolend schaap,

door leeuwen van de kudde verdreven.

Eerst viel het ten prooi aan de koning van Assyrië,

een ander kloof daarna de botten af:

Nebukadnessar, de koning van Babylonië.

18Daarom – dit zegt de HEER van de hemelse machten, de God van Israël: Ik ga de koning van Babylonië en zijn land straffen, zoals ik de koning van Assyrië heb gestraft, 19en ik zal Israël terugbrengen naar zijn weidegrond. Het zal weer op de Karmel en de Basan grazen, en het zal in het bergland van Efraïm en Gilead zijn honger stillen – spreekt de HEER. 20

50:20
Jes. 4:3
Jer. 31:34
In die dagen, in die tijd, zal ik onderzoeken of er nog wandaden op Israëls rekening staan. Ze zullen er niet zijn. En ik zal onderzoeken of Juda nog zonden op zijn rekening heeft staan. Ik zal ze niet vinden, want allen die ik in leven laat, zal ik vergeven.

21Trek op tegen Merataïm,

ruk op tegen de inwoners van Pekod.

Volg ze, vel ze en vernietig ze – spreekt de HEER –,

doe alles wat ik jullie heb bevolen.

22Hoor! Het land is vol wapengekletter,

het gaat gebukt onder oorlogsgeraas.

23

50:23
Jer. 51:20,41
Ach, nu is de hamer die de hele aarde sloeg,

gespleten en verbrijzeld.

Ach, nu is Babel zelf een schrikbeeld voor elk volk.

24Babel, je hebt jezelf een val gezet

en bent gevangen, zonder het te merken.

Je bent gestrikt, kunt nergens heen,

want je hebt de HEER getart.

25De HEER heeft zijn wapenkamer geopend,

hij heeft in zijn woede zijn wapens gegrepen.

De HEER, de God van de hemelse machten,

doet zijn krijgswerk in Chaldea.

26Val Babel aan! Val aan van alle kanten!

Breek de voorraadschuren open,

gooi alles op een hoop, als was het graan.

Vernietig alles, niets mag overblijven.

27Snijd alle leiders van Babel de keel af,

voer ze naar de slachtbank, al die stieren.

Wee hun! Hun laatste uur is aangebroken,

het moment waarop met hen wordt afgerekend, is gekomen.

28Luister naar de vluchtelingen,

die uit Babel zijn ontkomen.

In Sion brengen zij de boodschap:

“Dit is de wraak van de HEER, onze God.

Hij heeft zijn tempel gewroken.”

29

50:29
Ps. 28:4
Op. 18:6
Stuur boogschutters naar Babel,

sla het beleg voor de stad,

laat niemand ontkomen.

Vergeld wat ze heeft aangericht,

doe met haar wat ze zelf heeft gedaan.

Ze was hoogmoedig tegenover de HEER,

de Heilige van Israël.

30De soldaten zullen sterven op de pleinen,

elke krijgsheld sneuvelt op die dag

– spreekt de HEER.

31Ik zal je straffen, hoogmoedige stad

– spreekt de HEER, de God van de hemelse machten –,

de dag dat ik je straf is nu gekomen.

32In je hoogmoed zul je struikelen en vallen,

niemand helpt je overeind.

De steden om je heen laat ik in vlammen opgaan,

het land valt aan vuur ten prooi.

33Dit zegt de HEER van de hemelse machten:

Ook al wordt het volk van Israël verdrukt,

samen met het volk van Juda,

ook al houdt hun vijand hen vast

en mogen ze van hem niet gaan –

34hun beschermer is sterk.

Zijn naam is HEER van de hemelse machten!

Hij zal zeker voor hun recht opkomen.

Hij zal op aarde rust brengen,

maar de inwoners van Babel zal hij van hun rust beroven.

35Het zwaard treft de Chaldeeën – spreekt de HEER –,

de inwoners van Babel, leiders en wijzen.

36Het zwaard treft de orakelpriesters, ze staan voor schut.

Het zwaard treft de troepen, ze staan verlamd van angst.

37

50:37
Jer. 51:30
Het zwaard treft paarden en wagens,

en Babels huurlingen worden als vrouwen.

Het zwaard treft alle voorraadkamers, ze worden geplunderd.

38

50:38
Jer. 51:36
Een verzengende hitte treft alle rivieren, ze vallen droog.

Het is een land vol afgodsbeelden,

het wordt door demonen tot waanzin gedreven.

39

50:39
Jes. 34:13-17
Jer. 49:33
Op. 18:2
Er zullen daarom woestijndieren en hyena’s wonen,

er zullen struisvogels in ruïnes huizen.

Nooit meer zullen er mensen wonen,

het blijft ontvolkt tot in het verste nageslacht.

40

50:40
Gen. 19:24-25
Deut. 29:22
Amos 4:11
Ik heb Sodom, Gomorra en de naburige steden verwoest,

ik liet daar niemand meer wonen

– spreekt de HEER.

Zo zal er niemand meer wonen in Babel,

geen mens zal er nog verblijven.

41

50:41-43
Jer. 6:22-24
Er komt een volk aan uit het noorden,

een grote overmacht.

Vele koningen, van de einden der aarde,

worden aangevuurd tot de strijd.

42Ze houden boog en zwaard gereed,

wreed zijn ze, meedogenloos.

Hun krijgsrumoer klinkt als een bulderende zee,

ze komen op paarden aangestormd.

Hun leger staat in slagorde,

als één man gereed voor de strijd.

Het richt zich, Babel, tegen jou!

43De koning hoort van hun komst,

zijn handen beginnen te trillen.

Angst en paniek overvallen hem,

zoals weeën een barende vrouw.

44

50:44-46
Jer. 49:19-21
Zoals een leeuw een kudde overvalt

vanuit het struikgewas bij de Jordaan,

zo val ik Babel binnen

en jaag het volk uiteen.

Welke held zou ik het laten beschermen?

Wie is als ik, wie kan mij trotseren?

Welke herder houdt tegen mij stand?

45Luister daarom naar het besluit van de HEER

dat hij over Babel heeft genomen.

Hoor wat hij met Chaldea van plan is.

Hij zweert dat zelfs de zwakste schapen worden weggesleurd,

op hun weidegronden klinken kreten van verbijstering.

46“Babel is gevallen!” Van die tijding beeft de aarde,

alle volken horen hoe het schreeuwt.