Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
47

Profetie over de Filistijnen

471

47:1-7
Jes. 14:29-31
Ezech. 25:15-17
Joël 4:4-8
Amos 1:6-8
Sef. 2:4-7
Zach. 9:5-7
De HEER richtte de volgende woorden tot de profeet Jeremia over de Filistijnen, voordat de farao Gaza innam.

2‘Dit zegt de HEER:

Kijk! Het water zwelt aan uit het noorden,

het wordt een allesverwoestende stortvloed.

Het overstroomt het land en al wat er leeft,

elke stad en allen die daar wonen.

Alle mensen jammeren,

de bevolking schreeuwt het uit.

3Daar klinkt de dreunende galop van machtige paarden,

daar klinkt het ratelen van strijdwagens.

Ouders letten niet meer op hun kinderen,

ze staan verlamd van angst.

4Want de dag is aangebroken

om alle Filistijnen uit te roeien,

om Tyrus en om Sidon te beroven

van hun laatste bondgenoot.

De HEER vernietigt alle Filistijnen,

het volk dat ooit van Kreta kwam.

5De inwoners van Gaza rouwen al,

ze hebben zich al kaalgeschoren.

Askelon, het laatste bolwerk op de vlakte, is al neergehaald.

Filistijnen, jullie rouw is nog lang niet voorbij.

6Hoe lang nog, zwaard van de HEER, blijf je razen?

Kom tot rust, keer naar je schede terug,

wees stil, bedaar.

7Maar hoe zou je kunnen rusten?

De HEER heeft je naar Askelon en de kust gestuurd,

op zijn bevel ben je daarheen gegaan.

48

Profetie over Moab

481

48:1-47
Jes. 15:1-16:14
25:10-12
Ezech. 25:8-11
Amos 2:1-3
Sef. 2:8-11
Dit zegt de HEER van de hemelse machten, de God van Israël, over Moab:

Wee Nebo! Het wordt verwoest.

Kirjataïm wordt veroverd en met schande overladen.

Misgab staat te schande en is radeloos.

2Het is met Moabs roem gedaan.

In Chesbon wordt over zijn ondergang beslist,

ze besluiten Moab uit te roeien tot de laatste man.

Ook jij, Madmen, zult worden vernietigd,

je gaat door krijgsgeweld ten onder.

3Vanuit Choronaïm zal gejammer klinken,

onheil treft het, alles wordt verwoest.

4Moab ligt in puin,

de kinderen jammeren luid.

5Klacht op klacht klinkt op de weg omhoog naar Luchit,

overal gejammer48:5 overal gejammer – Volgens sommige oude vertalingen. MT: ‘ze horen rampen van gejammer’. op de weg omlaag naar Choronaïm.

6Vlucht, inwoners van Moab! Red het vege lijf!

Overleef, zoals een struik in de woestijn!

7Jullie waanden je veilig met je vestingen en voorraden,

daarom wordt het land veroverd.

Kemos gaat in ballingschap,

zijn priesters en de leiders volgen hem.

8De vijand plundert alle steden,

geen stad ontgaat dat lot.

De Jordaanvallei is reddeloos verloren,

vernietigd wordt de hoogvlakte

– de HEER heeft het gezegd.

9Bouw ter nagedachtenis een monument,

want van Moab blijft niets over.48:9 Bouw ter nagedachtenis een monument,/ want van Moab blijft niets over – Volgens de Septuaginta. MT: ‘Geef Moab vleugels, want vliegende moet het weggaan’.

Een wildernis worden de steden,

ze worden ontvolkt.

10Vervloekt is wie de opdracht van de HEER halfslachtig uitvoert,

vervloekt is wie zijn zwaard het bloed ontzegt.

11Moab had vanaf zijn jeugd geen zorgen,

het was als wijn die op zijn droesem rustte.

Nooit werd het van het ene in het andere vat gegoten,

nooit ging het in ballingschap.

Daarom is zijn smaak zo goed gebleven,

is zijn geur zo onbedorven.

12Maar de dag zal komen – spreekt de HEER –

dat ik wijnmeesters zal sturen

die de wijn gaan overgieten,

de vaten zullen legen,

de kruiken zullen stukslaan.

13

48:13
1 Kon. 12:29
Hos. 10:5
Dan wordt Moab door Kemos teleurgesteld,

zoals Israël door Betel werd teleurgesteld,

die god waarin het zijn vertrouwen stelde.

14Mannen uit Moab, hoe durven jullie te beweren:

“Wij zijn eersteklas soldaten, heldhaftig en strijdlustig”?

15Moab zal zijn verwoesting niet ontlopen.

De vijand voert een stormloop op de steden uit,

de keurtroepen van Moab worden afgeslacht

– spreekt de koning wiens naam is HEER van de hemelse machten.

16De ondergang van Moab is nabij,

onheil treft het nu zeer snel.

17Buurlanden, klaag om Moab.

Allen die het zo bewonderden, hef dit klaaglied aan:

“Ach, nu is hij gebroken,

die schitterende staf, die luisterrijke scepter.”

18Kom van je verheven zetel af, vrouwe Dibon,

en je zult van dorst versmachten.

Moabs vernietiger trekt tegen je op

en zal je vestingen verwoesten.

19Ga bij de weg op de uitkijk staan,

inwoners van Aroër.

Vraag de vluchtelingen: “Wat is er gebeurd?”

20“Moab is met schande overladen, het is radeloos.

Barst uit in gejammer, schreeuw het uit!

Vertel het in het Arnondal: Moab is verwoest.”

21Het vonnis is geveld over de hoogvlakte,

over Cholon, Jahas en Mefaät,

22over Dibon, Nebo en Bet-Diblataïm,

23over Kirjataïm, Bet-Gamul en Bet-Meon,

24over Keriot en Bosra,

over elke andere stad van Moab, waar ze ook ligt.

25Het is uit met Moabs machtsvertoon,

gebroken is zijn machtige arm – spreekt de HEER.

26Voer het dronken, het heeft de HEER getart.

Het zal nu stikken in zijn eigen braaksel,

het wordt nu zelf bespot.

27Moab, heb je Israël niet altijd uitgelachen,

gehoond als een betrapte dief?

Wees je het niet spottend na?

28Ontvlucht de steden, inwoners van Moab.

Houd je schuil in grotten,

nestel je als duiven in de rotswanden.

29Wij weten hoe hoogmoedig Moab is –

wat is het hooghartig.

Wij kennen zijn trots, zijn eigendunk,

zijn zelfgenoegzaamheid, zijn grenzeloze eigenwaan.

30Ik weet – spreekt de HEER – hoe verwaand het is.

Maar Moabs grootspraak stoelt op niets,

zijn daden stellen niets voor.

31Daarom zal ik jammeren om Moab,

zal ik huilen om dat hele land.

Ik zal treuren om de inwoners van Kir-Cheres.

32En om jullie, wijnstokken van Sibma,

zal ik luider huilen dan om Jazer.

Je ranken zijn zo groot,

ze reiken tot voorbij de Dode Zee.

Ze reiken zelfs tot aan het waterbekken van Jazer.

Maar je zomervruchten en je wijnoogst

vallen ten prooi aan plunderaars.

33Dan zal de vreugdezang verstommen

in alle boomgaarden van Moab.

Er zal geen wijn meer in de kuipen zijn.

Ik maak een einde aan het treden van de druiven,

de druivenpersers zingen niet langer hun lied.

34Chesbon jammert. Men hoort het in Elale.

Tot aan Jahas klinkt zijn klagen,

van Soar tot aan Choronaïm,

tot aan Eglat-Selisia.

Want zelfs de beek van Nimrim wordt een dorre geul.

35Ik laat Moabs priesters niet meer offeren,

geen wierook branden voor hun goden – spreekt de HEER.

36Moabs rijkdom zal vergaan.

Daarom klaagt mijn hart als een schalmei om Moab,

als een klagende schalmei treurt het over Kir-Cheres.

37Ieder zal een rouwkleed dragen,

elk hoofd zal worden kaalgeschoren,

elke baard zal worden afgeknipt,

elke hand zal zijn gekerfd.

38Op alle daken, alle pleinen wordt gerouwd.

Want ik verbrijzel Moab

als een kruik die nergens meer toe dient

– spreekt de HEER.

39Hef een klaaglied aan:

“Hoe verbrijzeld ligt het daar.

Nu wendt Moab zijn gezicht van schaamte af,

nu wordt het door iedereen bespot.”

40

48:40-41
Jer. 49:22
Dit zegt de HEER:

De vijand doemt op als een gier,

een gier die boven Moab cirkelt.

41De steden worden ingenomen,

de vestingen veroverd.

Moabs helden sidderen en beven op die dag,

zoals een vrouw in barensnood.

42Moab wordt vernietigd tot de laatste man,

want het heeft de HEER getart.

43

48:43-44
Jes. 24:17-18
Verschrikking, valkuil en vangnet

wacht jullie daar, inwoners van Moab – spreekt de HEER.

44Wie vlucht voor de verschrikking, zal vallen in de kuil,

wie uit de kuil weet te klimmen, raakt gevangen in het net.

Het moment waarop met hen wordt afgerekend,

nadert snel – spreekt de HEER.

45

48:45
Num. 21:28-29
24:17
Vluchtelingen blijven uitgeput onder Chesbons muren staan,

want Chesbon staat in lichterlaaie.

De stad van Sichon48:45 De stad van Sichon – Volgens sommige Hebreeuwse handschriften. MT: ‘Van tussen Sichon’. gaat in vlammen op.

De hoofdstad van die snoevers valt aan vuur ten prooi,

het verteert de verste uithoeken van Moab.

46

48:46
Num. 21:27-29
Wee Moab!

Het volk van Kemos gaat ten onder.

De mannen worden meegevoerd,

de vrouwen worden buitgemaakt.

47Maar eens zal ik in Moabs lot een keer brengen

– spreekt de HEER.’

Tot zover het vonnis over Moab.

49

Profetie over Ammon

491

49:1-6
Ezech. 21:33-37
25:1-7
Amos 1:13-15
Sef. 2:8-11
‘Dit zegt de HEER over de Ammonieten:

Heeft Israël geen eigen zonen,

heeft het zelf geen erfgenamen?

Hoe kon de god Milkom49:1 de god Milkom – Volgens de oudste vertalingen. MT: ‘hun koning’. dan Gad verjagen,

waarom woont zijn volk nu in de steden van die stam?

2Maar de dag zal komen – spreekt de HEER –

dat ik Rabbat-Ammon dreunen laat van krijgsgeschreeuw.

Het valt in puin, het zal verlaten zijn,

de dorpen gaan in vlammen op.

Dan zal Israël zijn bezetter verjagen

– spreekt de HEER.

3Barst uit in gejammer, Chesbon,

want Ai wordt verwoest.

Schreeuw het uit, vrouwen van Rabba,

weeklaag, hul je in het zwart.

Ren radeloos rond in de velden,

want Milkom49:3 Milkom – Volgens de oudste vertalingen. MT: ‘hun koning’. gaat in ballingschap.

Priesters en leiders volgen hem.

4Ammon, waarom poch je zo op je valleien,

je velden die zo vruchtbaar zijn?

Eigenzinnig volk van Ammon,

jullie wanen je zo veilig met je voorraden

dat jullie zeggen: “Niemand kan ons aan.”

5Ik stuur een angstwekkende vijand,

hij komt van alle kanten op je af

– spreekt de HEER, de God van de hemelse machten.

Hij zal jullie als vluchtelingen verstrooien,

niemand verenigt jullie weer.

6Maar eens zal ik in Ammons lot een keer brengen

– spreekt de HEER.

Profetie over Edom

7

49:7-22
Jes. 34:5-17
63:1-6
Ezech. 25:12-14
35:1-15
Amos 1:11-12
Ob. 1-14
Mal. 1:2-5
Dit zegt de HEER van de hemelse machten over Edom:

Is er geen wijsheid meer in Teman,

gaat men daar niet langer met verstand te werk,

is elk inzicht daar verdwenen?

8Vlucht, vlucht weg, inwoners van Dedan,

zoek een diep verborgen schuilplaats.

Ik breng onheil over Esaus nageslacht,

het tijdstip is gekomen dat ik met hen afreken.

9Als er druivenplukkers komen,

snijden ze niet alle trossen af.

Als er dieven komen in de nacht,

stelen ze alleen wat hun van pas komt.

10Maar ik pluk het land van Esau kaal,

elke schuilplaats leg ik bloot.

Niemand kan zich nog verbergen,

heel het nageslacht van Esau wordt verdelgd.

Niemand overleeft, geen broers, geen buren.

11Niemand zegt:49:11 Niemand zegt – Volgens de Septuaginta. MT: ‘Ze zijn niet meer’. “Vertrouw de wezen toe aan mij,

ik zal voor ze zorgen.

Laat de weduwen op mij vertrouwen.”

12

49:12
Jer. 25:28-29
Dit zegt de HEER: Zelfs zij die het niet verdienen uit de beker van mijn toorn te drinken, zullen eruit drinken. Denk jij dan je straf te ontlopen? Je zult niet ongestraft blijven. Drinken zul je! 13Ik zweer bij mijzelf – spreekt de HEER – dat Bosra een verschrikkelijke woestenij wordt, een plaats die wordt bespot en vervloekt, en dat alle steden eromheen voor altijd een ruïne worden.’

14‘De HEER heeft een bode gestuurd naar alle volken,

ook ik heb zijn boodschap gehoord:

“Sluit je aaneen, trek ten strijde tegen Edom!”’

15‘Dit zegt de HEER over Edom:

Ik maak van jou een onbeduidend volk,

veracht door iedereen.

16

49:16
Jer. 51:53
Hab. 2:9
Door je hoogmoed heb je je laten verleiden,

door je ongenaakbaarheid.

Hoog woon je, hoog in de rotskloven,

de hoogste bergtoppen houd je bezet.

Maar al bouw je als een adelaar een hooggelegen nest,

dan nog haal ik je neer – spreekt de HEER.

17Dan zal Edom een verschrikkelijke plaats zijn. Ieder die er komt zal huiveren om het onheil dat het getroffen heeft, ieder stokt de adem in de keel. 18

49:18
Gen. 19:24-25
Jer. 50:40
Het wordt volkomen verwoest – zegt de HEER – zoals Sodom en Gomorra en de naburige steden werden verwoest. Niemand zal in Edom wonen, mensen zullen er niet meer verblijven.

19

49:19-21
Jer. 50:44-46
49:19
Job 9:19
Wijsh. 12:12
Zoals een leeuw een kudde overvalt

vanuit het struikgewas bij de Jordaan,

zo val ik Edom binnen

en jaag het volk uiteen.

Welke held zou ik het laten beschermen?

Wie is als ik, wie kan mij trotseren?

Welke herder houdt tegen mij stand?

20Luister daarom naar de plannen van de HEER

die hij tegen Edom heeft beraamd.

Hoor wat hij voor Teman in gedachte heeft.

Hij zweert dat zelfs de zwakste schapen worden weggesleurd,

op hun weidegronden klinken kreten van verbijstering.

21De aarde beeft van Edoms val,

hun gejammer klinkt tot aan de Rode Zee.

22De vijand doemt op als een gier,

een gier die boven Bosra cirkelt.

Edoms helden sidderen en beven op die dag,

zoals een vrouw in barensnood.

Profetie over Damascus

23

49:23-27
Jes. 17:1-3
Amos 1:3-5
Zach. 9:1
Dit zegt de HEER over Damascus:

Hamat en Arpad zijn ontredderd,

de bevolking heeft rampzalig nieuws gehoord.

Zoals de zee wordt opgezweept,

zo woelt de angst in hen.

Rust is ver te zoeken.

24Damascus heeft de moed verloren.

De inwoners zijn nu al op de vlucht geslagen,

aangegrepen door paniek.

Ze sidderen en beven,

zoals een vrouw in barensnood.

25Waarom toch wordt Damascus nog verdedigd,

die schitterende stad waarin ik vreugde vond?

26De soldaten zullen sterven op de pleinen,

elke krijgsheld sneuvelt op die dag

– spreekt de HEER van de hemelse machten.

27Ik zal de muren van Damascus in vlammen doen opgaan,

vuur verteert de burchten van Benhadad.

Profetie over Kedar en de stammen rond Chasor

28De HEER zegt over Kedar en de stammen rond Chasor, die door koning Nebukadnessar van Babylonië werden verslagen:

Vooruit, trek op tegen Kedar,

verdelg die stammen uit het oosten.

29Roof hun tenten, geiten, schapen,

neem alles mee wat ze bezitten.

Maak hun kamelen buit,

laat hen schreeuwen in paniek.

30Inwoners van Chasor, vlucht,

zwerm uit naar alle kanten,

zoek een diep verborgen schuilplaats – spreekt de HEER.

Koning Nebukadnessar van Babylonië

heeft tegen jullie kwaad in de zin,

hij heeft zijn plannen tegen jullie klaar.

31Vooruit, trek op tegen dat zorgeloze volk

dat zich veilig waant – spreekt de HEER –,

dat poorten noch grendels heeft,

en leeft in afgelegen streken.

32Hun kamelen worden buitgemaakt,

heel hun veestapel geroofd.

Ik zal die stammen met hun kaalgeschoren slapen

in elke windrichting verstrooien.

Ik breng van alle kanten onheil

– spreekt de HEER.

33Chasor wordt een oord voor jakhalzen,

het wordt voor altijd een woestenij.

Het wordt ontvolkt,

mensen zullen er niet meer verblijven.’

Profetie over Elam

34De HEER richtte tot de profeet Jeremia de volgende woorden over Elam, in het begin van de regering van koning Sedekia van Juda:

35‘Dit zegt de HEER van de hemelse machten:

Ik zal Elams bogen breken,

het wapentuig waarop zijn macht berust.

36Ik laat vier stormen over Elam komen,

uit alle vier de hoeken van de hemel.

Ik zal dat volk in elke windrichting verstrooien,

geen land waar men de ballingen niet ziet.

37Ik jaag hun een dodelijke angst aan voor de vijand,

hun vijand die hun naar het leven staat.

In mijn laaiende woede breng ik onheil over hen

– spreekt de HEER.

Ik achtervolg hen met geweld,

totdat ik hen vernietigd heb.

38Dan zal ik mijn troon in Elam vestigen,

en koning en leiders wegvagen – spreekt de HEER.

39Maar eens zal ik in Elams lot een keer brengen

– spreekt de HEER.’