Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
46

Profetie over Egypte

461De HEER richtte de volgende woorden tot de profeet Jeremia over de omringende volken.

2

46:2-26
Jes. 19:1-25
Ezech. 29:1-32:32
Over Egypte, over het leger van farao Necho, de koning van Egypte, dat zich bij de Eufraat, in Karkemis, bevond. In het vierde regeringsjaar van koning Jojakim van Juda, de zoon van Josia, werd het verslagen door koning Nebukadnessar van Babylonië.

3‘“Grijp de schilden, mannen van Egypte,

maak je klaar voor de strijd!

4Span de paarden in,

spring op de wagens!

Helm op, de speren gescherpt, het harnas omgord!

Vooruit, in het gelid!”

5

46:5-6
Amos 2:14-16
Waarom staan ze verlamd van angst,

waarom deinzen ze terug?

Hun keurtroepen worden verpletterd,

ze vluchten zonder om te kijken,

overal paniek – spreekt de HEER.

6De snelste krijgsheld kan niet vluchten,

de dapperste niet meer ontkomen.

In het noorden, bij de Eufraat,

komen ze ten val.

7Wie zwelt als de Nijl,

wie bruist als die onstuimige rivier?

8Het is Egypte dat zwelt als de Nijl,

onstuimig als die bruisende rivier.

“Ik zal oprijzen,” roept het, “en de aarde overstromen,

steden en inwoners vernietigen.

9Bestijg de paarden!

Jaag de wagens voort!

Helden, werp je in de strijd!

Nubiërs, Libiërs, hef de schilden!

Span de bogen, Lydiërs!”

10Het is een dag van wraak voor de HEER,

de God van de hemelse machten.

Hij wreekt zich op zijn vijanden.

Zijn zwaard doet zich te goed,

het drinkt en raakt verzadigd van hun bloed.

De HEER, de God van de hemelse machten,

richt een slachting aan, in het noorden, bij de Eufraat.

11

46:11
Jer. 8:22
Vrouwe Egypte, haast je maar naar Gilead

en haal daar balsem.

Geen middel baat je nog,

je wonden groeien toch niet dicht.

12De volken horen hoe je wordt vernederd,

je jammerklachten klinken over heel de aarde.

Je helden tuimelen over elkaar,

ze storten allen neer.’

13

46:13
Jer. 43:10-13
De HEER richtte de volgende woorden tot de profeet Jeremia over de invasie van koning Nebukadnessar in Egypte:

14‘Geef orders in Egypte, officieren,

geef bevel in Migdol,

beveel in Memfis en Dafne:

“Op je post, maak je gereed,

alle volken om ons heen

zijn door het zwaard verslonden.”

15

46:15
Jes. 46:1-2
Waarom zijn je machtige soldaten teruggedreven,

waarom hielden ze geen stand?

De HEER sloeg hen uiteen.

16Hij liet hen struikelen,

ze tuimelden over elkaar.

Ze roepen: “Overeind, terug naar ons volk,

terug naar ons geboorteland!

Weg van dit moordend geweld!”

17Noem de farao maar Praatjesmaker,

koning van de gemiste kans.

18Zo waar ik leef – spreekt de koning

wiens naam is HEER van de hemelse machten –,

zo zeker als de Tabor een berg is,

de Karmel oprijst uit de zee,

zo zeker wordt Egypte overweldigd.

19Egypte, laat je inwoners hun boedel pakken

om in ballingschap te gaan.

Memfis wordt een woestenij,

het gaat in vlammen op,

geen mens kan er meer wonen.

20Egypte is een prachtig kalf,

maar er zoemen zwermen horzels.

Ze komen uit het noorden aangevlogen.

21Egyptes huursoldaten zijn gespierd als jonge stieren,

maar ook zij nemen de wijk.

Ze vluchten allen, geen van hen houdt stand.

De dag waarop met hen wordt afgerekend is gekomen,

de dag waarop ze in het ongeluk worden gestort.

22-23Egypte vlucht, sissend als een slang.

De vijand bestormt het in groten getale,

hij komt met bijlen op Egypte af

en velt het, zoals houthakkers een bos

– spreekt de HEER.

Met ontelbaar velen is de vijand,

niemand weet hoeveel.

Ze zijn talrijker dan sprinkhanen.

24Egypte wordt met schande overladen,

uitgeleverd aan het volk van het noorden.

25De HEER van de hemelse machten, de God van Israël, zegt: Ik zal Amon, de god van Thebe, straffen, en heel Egypte, met zijn farao, zijn goden en zijn leiders. Ik straf de farao en allen die op hem vertrouwen, 26

46:26
Jer. 48:47
49:6
ik lever ze uit aan hen die hun naar het leven staan: koning Nebukadnessar van Babylonië en zijn leger. Maar eens wordt Egypte weer zoals het vroeger was – spreekt de HEER.

27

46:27-28
Jer. 30:10-11
Wees niet bang, mijn dienaar Jakob,

heb geen angst, Israël.

Ik zal je uit dat verre land bevrijden,

uit de ballingschap voer ik je nageslacht naar huis terug.

Het volk van Jakob keert terug en zal in vrede leven,

zonder zorgen, zonder dat het nog wordt opgeschrikt.

28Wees niet bang, mijn dienaar Jakob,

ik sta je terzijde – spreekt de HEER.

Ik zal ze vernietigen,

alle volken waarnaar ik je heb verdreven.

En jou zal ik tuchtigen, ik zal je straffen.

Je krijgt de straf die je verdient,

maar vernietigen zal ik je niet.’

47

Profetie over de Filistijnen

471

47:1-7
Jes. 14:29-31
Ezech. 25:15-17
Joël 4:4-8
Amos 1:6-8
Sef. 2:4-7
Zach. 9:5-7
De HEER richtte de volgende woorden tot de profeet Jeremia over de Filistijnen, voordat de farao Gaza innam.

2‘Dit zegt de HEER:

Kijk! Het water zwelt aan uit het noorden,

het wordt een allesverwoestende stortvloed.

Het overstroomt het land en al wat er leeft,

elke stad en allen die daar wonen.

Alle mensen jammeren,

de bevolking schreeuwt het uit.

3Daar klinkt de dreunende galop van machtige paarden,

daar klinkt het ratelen van strijdwagens.

Ouders letten niet meer op hun kinderen,

ze staan verlamd van angst.

4Want de dag is aangebroken

om alle Filistijnen uit te roeien,

om Tyrus en om Sidon te beroven

van hun laatste bondgenoot.

De HEER vernietigt alle Filistijnen,

het volk dat ooit van Kreta kwam.

5De inwoners van Gaza rouwen al,

ze hebben zich al kaalgeschoren.

Askelon, het laatste bolwerk op de vlakte, is al neergehaald.

Filistijnen, jullie rouw is nog lang niet voorbij.

6Hoe lang nog, zwaard van de HEER, blijf je razen?

Kom tot rust, keer naar je schede terug,

wees stil, bedaar.

7Maar hoe zou je kunnen rusten?

De HEER heeft je naar Askelon en de kust gestuurd,

op zijn bevel ben je daarheen gegaan.

48

Profetie over Moab

481

48:1-47
Jes. 15:1-16:14
25:10-12
Ezech. 25:8-11
Amos 2:1-3
Sef. 2:8-11
Dit zegt de HEER van de hemelse machten, de God van Israël, over Moab:

Wee Nebo! Het wordt verwoest.

Kirjataïm wordt veroverd en met schande overladen.

Misgab staat te schande en is radeloos.

2Het is met Moabs roem gedaan.

In Chesbon wordt over zijn ondergang beslist,

ze besluiten Moab uit te roeien tot de laatste man.

Ook jij, Madmen, zult worden vernietigd,

je gaat door krijgsgeweld ten onder.

3Vanuit Choronaïm zal gejammer klinken,

onheil treft het, alles wordt verwoest.

4Moab ligt in puin,

de kinderen jammeren luid.

5Klacht op klacht klinkt op de weg omhoog naar Luchit,

overal gejammer48:5 overal gejammer – Volgens sommige oude vertalingen. MT: ‘ze horen rampen van gejammer’. op de weg omlaag naar Choronaïm.

6Vlucht, inwoners van Moab! Red het vege lijf!

Overleef, zoals een struik in de woestijn!

7Jullie waanden je veilig met je vestingen en voorraden,

daarom wordt het land veroverd.

Kemos gaat in ballingschap,

zijn priesters en de leiders volgen hem.

8De vijand plundert alle steden,

geen stad ontgaat dat lot.

De Jordaanvallei is reddeloos verloren,

vernietigd wordt de hoogvlakte

– de HEER heeft het gezegd.

9Bouw ter nagedachtenis een monument,

want van Moab blijft niets over.48:9 Bouw ter nagedachtenis een monument,/ want van Moab blijft niets over – Volgens de Septuaginta. MT: ‘Geef Moab vleugels, want vliegende moet het weggaan’.

Een wildernis worden de steden,

ze worden ontvolkt.

10Vervloekt is wie de opdracht van de HEER halfslachtig uitvoert,

vervloekt is wie zijn zwaard het bloed ontzegt.

11Moab had vanaf zijn jeugd geen zorgen,

het was als wijn die op zijn droesem rustte.

Nooit werd het van het ene in het andere vat gegoten,

nooit ging het in ballingschap.

Daarom is zijn smaak zo goed gebleven,

is zijn geur zo onbedorven.

12Maar de dag zal komen – spreekt de HEER –

dat ik wijnmeesters zal sturen

die de wijn gaan overgieten,

de vaten zullen legen,

de kruiken zullen stukslaan.

13

48:13
1 Kon. 12:29
Hos. 10:5
Dan wordt Moab door Kemos teleurgesteld,

zoals Israël door Betel werd teleurgesteld,

die god waarin het zijn vertrouwen stelde.

14Mannen uit Moab, hoe durven jullie te beweren:

“Wij zijn eersteklas soldaten, heldhaftig en strijdlustig”?

15Moab zal zijn verwoesting niet ontlopen.

De vijand voert een stormloop op de steden uit,

de keurtroepen van Moab worden afgeslacht

– spreekt de koning wiens naam is HEER van de hemelse machten.

16De ondergang van Moab is nabij,

onheil treft het nu zeer snel.

17Buurlanden, klaag om Moab.

Allen die het zo bewonderden, hef dit klaaglied aan:

“Ach, nu is hij gebroken,

die schitterende staf, die luisterrijke scepter.”

18Kom van je verheven zetel af, vrouwe Dibon,

en je zult van dorst versmachten.

Moabs vernietiger trekt tegen je op

en zal je vestingen verwoesten.

19Ga bij de weg op de uitkijk staan,

inwoners van Aroër.

Vraag de vluchtelingen: “Wat is er gebeurd?”

20“Moab is met schande overladen, het is radeloos.

Barst uit in gejammer, schreeuw het uit!

Vertel het in het Arnondal: Moab is verwoest.”

21Het vonnis is geveld over de hoogvlakte,

over Cholon, Jahas en Mefaät,

22over Dibon, Nebo en Bet-Diblataïm,

23over Kirjataïm, Bet-Gamul en Bet-Meon,

24over Keriot en Bosra,

over elke andere stad van Moab, waar ze ook ligt.

25Het is uit met Moabs machtsvertoon,

gebroken is zijn machtige arm – spreekt de HEER.

26Voer het dronken, het heeft de HEER getart.

Het zal nu stikken in zijn eigen braaksel,

het wordt nu zelf bespot.

27Moab, heb je Israël niet altijd uitgelachen,

gehoond als een betrapte dief?

Wees je het niet spottend na?

28Ontvlucht de steden, inwoners van Moab.

Houd je schuil in grotten,

nestel je als duiven in de rotswanden.

29Wij weten hoe hoogmoedig Moab is –

wat is het hooghartig.

Wij kennen zijn trots, zijn eigendunk,

zijn zelfgenoegzaamheid, zijn grenzeloze eigenwaan.

30Ik weet – spreekt de HEER – hoe verwaand het is.

Maar Moabs grootspraak stoelt op niets,

zijn daden stellen niets voor.

31Daarom zal ik jammeren om Moab,

zal ik huilen om dat hele land.

Ik zal treuren om de inwoners van Kir-Cheres.

32En om jullie, wijnstokken van Sibma,

zal ik luider huilen dan om Jazer.

Je ranken zijn zo groot,

ze reiken tot voorbij de Dode Zee.

Ze reiken zelfs tot aan het waterbekken van Jazer.

Maar je zomervruchten en je wijnoogst

vallen ten prooi aan plunderaars.

33Dan zal de vreugdezang verstommen

in alle boomgaarden van Moab.

Er zal geen wijn meer in de kuipen zijn.

Ik maak een einde aan het treden van de druiven,

de druivenpersers zingen niet langer hun lied.

34Chesbon jammert. Men hoort het in Elale.

Tot aan Jahas klinkt zijn klagen,

van Soar tot aan Choronaïm,

tot aan Eglat-Selisia.

Want zelfs de beek van Nimrim wordt een dorre geul.

35Ik laat Moabs priesters niet meer offeren,

geen wierook branden voor hun goden – spreekt de HEER.

36Moabs rijkdom zal vergaan.

Daarom klaagt mijn hart als een schalmei om Moab,

als een klagende schalmei treurt het over Kir-Cheres.

37Ieder zal een rouwkleed dragen,

elk hoofd zal worden kaalgeschoren,

elke baard zal worden afgeknipt,

elke hand zal zijn gekerfd.

38Op alle daken, alle pleinen wordt gerouwd.

Want ik verbrijzel Moab

als een kruik die nergens meer toe dient

– spreekt de HEER.

39Hef een klaaglied aan:

“Hoe verbrijzeld ligt het daar.

Nu wendt Moab zijn gezicht van schaamte af,

nu wordt het door iedereen bespot.”

40

48:40-41
Jer. 49:22
Dit zegt de HEER:

De vijand doemt op als een gier,

een gier die boven Moab cirkelt.

41De steden worden ingenomen,

de vestingen veroverd.

Moabs helden sidderen en beven op die dag,

zoals een vrouw in barensnood.

42Moab wordt vernietigd tot de laatste man,

want het heeft de HEER getart.

43

48:43-44
Jes. 24:17-18
Verschrikking, valkuil en vangnet

wacht jullie daar, inwoners van Moab – spreekt de HEER.

44Wie vlucht voor de verschrikking, zal vallen in de kuil,

wie uit de kuil weet te klimmen, raakt gevangen in het net.

Het moment waarop met hen wordt afgerekend,

nadert snel – spreekt de HEER.

45

48:45
Num. 21:28-29
24:17
Vluchtelingen blijven uitgeput onder Chesbons muren staan,

want Chesbon staat in lichterlaaie.

De stad van Sichon48:45 De stad van Sichon – Volgens sommige Hebreeuwse handschriften. MT: ‘Van tussen Sichon’. gaat in vlammen op.

De hoofdstad van die snoevers valt aan vuur ten prooi,

het verteert de verste uithoeken van Moab.

46

48:46
Num. 21:27-29
Wee Moab!

Het volk van Kemos gaat ten onder.

De mannen worden meegevoerd,

de vrouwen worden buitgemaakt.

47Maar eens zal ik in Moabs lot een keer brengen

– spreekt de HEER.’

Tot zover het vonnis over Moab.