Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
43

431Nauwelijks had Jeremia deze woorden waarmee hij door de HEER, hun God, naar hen gezonden was gesproken, 2of Azarja, de zoon van Hosaäja, Jochanan, de zoon van Kareach, en de andere eigengereide Judeeërs zeiden tegen hem: ‘U liegt. De HEER, onze God, heeft u niet gezonden met de boodschap niet naar Egypte uit te wijken. 3Baruch, de zoon van Neria, stookt u tegen ons op, zodat hij ons aan de Chaldeeën kan uitleveren. En die zullen ons doden of als ballingen naar Babylonië voeren.’

4Jochanan, de andere bevelhebbers en de overige Judeeërs sloegen het bevel van de HEER om in Juda te blijven in de wind. 5Zij gingen op weg, met de overlevenden van Juda, met de ballingen die uit alle volken waren teruggekeerd om in Juda te gaan wonen, 6en verder met alle mannen, vrouwen, kinderen en de koningsdochters, kortom, iedereen die Nebuzaradan, de commandant van de lijfwacht, bij Gedalja, de zoon van Achikam, de zoon van Safan, had achtergelaten. En bovendien namen ze de profeet Jeremia en Baruch, de zoon van Neria, mee. 7

43:7
2 Kon. 25:26
Ze waren de HEER niet gehoorzaam. Ze gingen naar Egypte en kwamen aan in Dafne.

8In Dafne richtte de HEER zich tot Jeremia: 9‘Pak een aantal flinke stenen en verberg die in aanwezigheid van enkele Judeeërs in de leem van het plaveisel bij de ingang van het paleis van de farao. 10

43:10
Jer. 25:9
27:6
Zeg tegen de Judeeërs: Dit zegt de HEER van de hemelse machten, de God van Israël: Ik laat mijn dienaar, koning Nebukadnessar van Babylonië, hierheen komen. Ik zal zijn troon boven op deze stenen zetten – die jij verborgen hebt43:10 die jij verborgen hebt – Volgens de Septuaginta. MT: ‘die ik verborgen heb’. – en hij zal zijn staatsietapijt erover uitspreiden. 11
43:11
Jer. 15:2
46:13
Op. 13:10
Hij zal komen om Egypte te treffen. Wie bestemd zijn voor de pest, zullen lijden aan de pest, wie bestemd zijn voor de ballingschap, gaan in ballingschap, wie bestemd zijn voor het zwaard, worden door het zwaard getroffen. 12Hij zal43:12 Hij zal – Volgens sommige oude vertalingen. MT: ‘Ik zal’. in Egypte de tempels in brand steken en de godenbeelden wegvoeren, hij zal iedereen weghalen uit Egypte zoals een herder zijn mantel van luizen ontdoet, en hij zal ongedeerd vertrekken. 13De gewijde stenen van de Egyptische zonnetempel zal hij verbrijzelen en de tempels van de andere goden in vlammen doen opgaan.’

44

De Judeeërs in Egypte door onheil getroffen

441De HEER richtte zich bij monde van Jeremia tot de Judeeërs die in Egypte waren gaan wonen, in Migdol, Dafne, Memfis en Boven-Egypte: 2‘Dit zegt de HEER van de hemelse machten, de God van Israël: Jullie hebben het onheil gezien waarmee ik Jeruzalem en de andere steden van Juda getroffen heb. Het zijn nu ruïnes waar niemand meer woont. 3Dat komt door het kwaad dat jullie hebben gedaan; jullie hebben mij gekrenkt door wierook te branden ter ere van andere goden, die jullie en je voorouders nooit hebben gekend. 4

44:4-5
Jer. 7:25-26
Ik zond telkens weer mijn dienaren, de profeten, naar jullie en liet hen zeggen: Staak deze gruwelijke praktijken, ik verafschuw ze. 5Maar jullie luisterden niet en weigerden mij gehoor te geven. Jullie staakten die kwalijke praktijken niet en bleven wierook branden voor andere goden. 6Toen stortte ik mijn grote woede uit en liet die ontbranden over de steden van Juda en de straten van Jeruzalem. Zo werden ze de verlaten ruïnes die ze nu zijn.

7Nu dan – dit zegt de HEER, de God van de hemelse machten, de God van Israël: Waarom roepen jullie zulk groot onheil over je af door alle mannen, vrouwen, kinderen en zuigelingen van Juda ten onder te laten gaan, zodat er niets van jullie overblijft? 8

44:8
Jer. 42:18
Waarom krenken jullie mij met wat je zelf gemaakt hebt door in Egypte, waarheen jullie uitgeweken zijn, wierook te branden voor andere goden, zodat jullie je eigen ondergang bewerkstelligen, jullie naam door alle volken op aarde als een vloek zal worden gebruikt en jullie zullen worden bespot? 9Zijn jullie het kwaad vergeten dat je voorouders en de koningen van Juda en hun vrouwen hebben gedaan, en het kwaad dat jullie zelf en jullie eigen vrouwen in Juda en in de straten van Jeruzalem hebben gedaan? 10Ze hebben tot op de dag van vandaag geen berouw getoond, hebben zich niet laten afschrikken en hebben mijn voorschriften en wetten, die ik jullie en je voorouders heb voorgehouden, niet nageleefd.

11Daarom – dit zegt de HEER van de hemelse machten, de God van Israël: Ik ben vastbesloten onheil over jullie te brengen, ik zal alle Judeeërs uitroeien. 12De overlevenden van Juda, die vastbesloten waren om naar Egypte uit te wijken, zal ik in Egypte laten sterven, van groot tot klein. Ze zullen vallen door het zwaard of door de honger ten onder gaan. Hun naam zal als een vloek worden gebruikt en ze zullen worden bespot en ontzetting wekken. 13Ik zal hen die in Egypte wonen straffen zoals ik Jeruzalem heb gestraft, met het zwaard, de honger en de pest. 14Er zal van de overlevenden van Juda, die naar Egypte zijn uitgeweken, geen vluchteling naar Juda terugkeren, hoezeer ze ook verlangen terug te keren en er opnieuw te wonen. Ze keren niet terug, op een enkele vluchteling na.’

15Maar de Judeeërs die in Boven-Egypte woonden, de mannen, die wisten dat hun vrouwen wierook voor andere goden brandden, en de vrouwen zelf, die in groten getale opgekomen waren, antwoordden Jeremia: 16‘Wij schenken geen gehoor aan wat u in de naam van de HEER tegen ons gezegd hebt. 17Wij doen onze geloften gestand, wij blijven voor de koningin van de hemel wierook branden en wij blijven haar wijnoffers brengen. Dat deden wij, onze voorouders, onze koningen en leiders ook in de steden van Juda en de straten van Jeruzalem. Toen hadden we meer dan voldoende te eten; we waren gelukkig en bleven gevrijwaard van onheil. 18Maar sinds we ermee opgehouden zijn, hebben we gebrek aan alles en komen we om door het zwaard en de honger.’ 19En de vrouwen zeiden: ‘Wij hebben voor de koningin van de hemel wierook gebrand, wij hebben haar wijnoffers gebracht en koeken met haar beeltenis gebakken, maar dat gebeurde natuurlijk met medeweten van onze mannen.’

20Jeremia zei tegen de Judeeërs, de mannen en vrouwen die hem dit antwoord gaven: 21‘De HEER is niet vergeten dat jullie, je voorouders, jullie koningen, leiders en de rest van de bevolking in de steden van Juda en de straten van Jeruzalem wierook hebben gebrand. Het staat hem nog levendig voor de geest. 22De HEER kon jullie niet meer verdragen vanwege jullie kwalijke praktijken en gruwelijke daden. Daarom is jullie land de woestenij geworden die het nu is, een verschrikkelijke plaats waar niemand meer woont, waarvan de naam als een vloek wordt gebruikt. 23Omdat jullie door wierook te branden tegen de HEER hebben gezondigd, hem niet hebben gehoorzaamd en zijn voorschriften, wetten en bepalingen niet hebben nageleefd, daarom is dat onheil jullie overkomen.’ 24En Jeremia vervolgde tegen de Judeeërs en hun vrouwen: ‘Luister naar de woorden van de HEER, Judeeërs in Egypte! 25Dit zegt de HEER van de hemelse machten, de God van Israël: Jullie en je vrouwen hebben die geloften gedaan en zijn die ook nagekomen. Jullie zeggen: “Wij hebben de geloften afgelegd dat wij voor de koningin van de hemel wierook zouden branden en dat wij haar wijnoffers zouden brengen. Wij komen onze geloften na.” Dat moeten jullie vooral doen, kom je geloften maar na! 26Maar, Judeeërs in Egypte, luister dan wel naar de woorden van de HEER. Ik zweer bij mijn grote naam, zegt de HEER, dat er nergens in Egypte nog Judeeërs zullen zijn die mijn naam uitspreken in de eed: “Zo waar God, de HEER, leeft.” 27Ik ben op hun ongeluk uit, niet op hun geluk. Alle Judeeërs in Egypte zullen sterven door het zwaard en de honger, totdat Juda uitgestorven is. 28Er zal maar een klein aantal aan het zwaard ontkomen en vanuit Egypte naar Juda terugkeren. Alles wat er nog van Juda is overgebleven en naar Egypte is uitgeweken, zal weten wiens woorden standhouden – die van mij of die van hen. 29Om jullie duidelijk te maken – spreekt de HEER – dat ik jullie hier zal straffen, dat het onheil dat ik jullie aankondig werkelijk komt, geef ik jullie het volgende teken: 30

44:30
2 Kon. 25:1-7
Dit zegt de HEER: Ik lever farao Chofra, de koning van Egypte, uit aan zijn vijanden, die hem naar het leven staan, zoals ik koning Sedekia van Juda heb uitgeleverd aan koning Nebukadnessar van Babylonië, zijn vijand, die hem naar het leven stond.’

45

Baruchs leven gespaard

451

45:1-5
Jer. 39:15-18
45:1
2 Kon. 24:1
2 Kron. 36:5
Dan. 1:1
In het vierde regeringsjaar van koning Jojakim van Juda, toen Baruch, de zoon van Neria, in een boekrol schreef wat Jeremia hem dicteerde, sprak de profeet de volgende woorden tot hem: 2‘Dit zegt de HEER, de God van Israël, tegen jou, Baruch: 3Je hebt gezegd: “Wee mij, de HEER heeft mijn leed met leed vermeerderd, moe ben ik van zuchten, rust vond ik niet.” 4Maar dit zegt de HEER tegen jou: Wat ik gebouwd heb, breek ik af, wat ik geplant heb, ruk ik uit, dat hele land. 5Zou jij dan voor jezelf naar iets bijzonders streven? Doe dat niet, want ik zal onheil brengen over al wat leeft – spreekt de HEER –, maar jou laat ik je leven behouden, waar je ook naartoe gaat.’

Door deze website verder te gebruiken ga je akkoord met plaatsing en gebruik van cookies door het NBG en derden conform onze privacyverklaring.[bericht verbergen]