Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
39

391

39:1-10
2 Kon. 25:1-12
2 Kron. 36:17-21
Jer. 52:4-16
– in het negende regeringsjaar van koning Sedekia van Juda, in de tiende maand, kwam koning Nebukadnessar van Babylonië met heel zijn leger bij Jeruzalem aan en sloeg het beleg voor de stad; 2en op de negende dag van de vierde maand van het elfde regeringsjaar van Sedekia werd er een bres in de stadsmuur geslagen –, 3namen de aanvoerders van de koning van Babylonië plaats in de Middenpoort: rabmag Nergal-Sareser uit Simmagir, rabsaris Nebusarsechim en de overige39:3 rabmag Nergal-Sareser uit Simmagir [...] en de overige – Voorgestelde lezing. MT (betekenis van het Hebreeuws onzeker): ‘Nergal-Sareser samgar [...] rabmag Nergal-Sareser en de overige’. aanvoerders van de koning van Babylonië. 4Toen koning Sedekia van Juda en de soldaten hen zagen, vluchtten zij. Ze verlieten ’s nachts de stad via de koninklijke tuin en de poort tussen de beide stadsmuren. De koning vluchtte in de richting van de Jordaanvallei, 5maar het Chaldese leger zette de achtervolging in en haalde hem in op de vlakte van Jericho. Ze namen hem gevangen, brachten hem naar Ribla in het gebied van Hamat, naar koning Nebukadnessar van Babylonië, en daar werd hij berecht. 6De koning van Babylonië slachtte zijn zonen en alle vooraanstaande burgers van Juda voor Sedekia’s ogen af, 7waarna hem de ogen werden uitgestoken. Daarna werd hij geboeid met bronzen ketenen om naar Babel te worden gevoerd. 8De Chaldeeën staken het koninklijk paleis en de huizen van de bevolking in brand, en ze haalden de muren van Jeruzalem neer. 9De mensen die nog in de stad waren overgebleven, werden door Nebuzaradan, de commandant van de lijfwacht, als ballingen naar Babylonië gevoerd, evenals degenen die waren overgelopen, kortom, iedereen die nog in de stad was. 10Slechts een deel van de armsten van het volk, die niets bezaten, liet Nebuzaradan in Juda achter. Aan hen gaf hij de wijngaarden en de akkers.

11Met betrekking tot Jeremia gaf koning Nebukadnessar van Babylonië aan Nebuzaradan, de commandant van zijn lijfwacht, de volgende opdracht: 12‘Neem hem onder je hoede, doe hem geen kwaad, maar willig zijn wensen in.’ 13Nebuzaradan, de commandant van de lijfwacht, rabsaris Nebusazban, rabmag Nergal-Sareser en de andere hoge ambtenaren van de koning van Babylonië 14lieten Jeremia uit het kwartier van de paleiswacht halen. Hij werd toevertrouwd aan Gedalja, de zoon van Achikam, de zoon van Safan, die hem naar huis bracht. Zo kwam Jeremia weer op vrije voeten.

15

39:15-18
Jer. 45:1-5
Toen Jeremia nog in het kwartier van de paleiswacht gevangenzat, had de HEER tot hem gesproken: 16‘Ga naar de Nubiër Ebed-Melech en zeg tegen hem: Dit zegt de HEER van de hemelse machten, de God van Israël: Ik heb niet beloofd dat ik deze stad zou redden, maar gezegd dat ze ten onder zou gaan. Mijn woorden zal ik nu waarmaken. Je zult het met eigen ogen aanschouwen, 17maar jou zal ik redden – spreekt de HEER. Je zult niet worden uitgeleverd aan de mannen die je vreest, 18maar ik zal je laten ontkomen. Je zult geen gewelddadige dood sterven, maar worden gespaard omdat je op mij hebt vertrouwd – spreekt de HEER.’

40

401De HEER richtte zich tot Jeremia nadat Nebuzaradan, de commandant van de lijfwacht, hem in Rama had vrijgelaten. Hij had Jeremia daar geboeid aangetroffen onder de ballingen van Jeruzalem en Juda, die naar Babel zouden worden gevoerd. 2De commandant van de lijfwacht nam Jeremia apart en zei: ‘De HEER, uw God, heeft Juda dit onheil aangekondigd, 3en de HEER heeft gedaan wat hij gezegd heeft, want jullie hebben tegen hem gezondigd en niet naar hem geluisterd. Daarom is dit alles jullie overkomen. 4Maar uw boeien maak ik los. Als u met mij mee naar Babel wilt gaan, ga dan mee. Ik zal u in bescherming nemen. Maar als u liever niet met mij naar Babel wilt, doe het dan niet. Het hele land ligt voor u open; u kunt gaan en staan waar u wilt.’ 5Toen Jeremia nog steeds niet wegging, zei Nebuzaradan: ‘Ga terug naar Gedalja, de zoon van Achikam, de zoon van Safan, die door onze koning als gouverneur over de steden van Juda is aangesteld. Ga bij hem te midden van uw volksgenoten wonen, of waar u maar wilt.’ De commandant van de lijfwacht gaf Jeremia voedsel voor onderweg en liet hem vrij. 6Jeremia ging naar Gedalja, de zoon van Achikam, in Mispa, en ging bij hem wonen, te midden van zijn volksgenoten die nog in het land waren overgebleven.

De moord op Gedalja

7

40:7-9
2 Kon. 25:22-24
De bevelhebbers van het leger en de manschappen die zich nog schuilhielden, hoorden dat de koning van Babylonië Gedalja, de zoon van Achikam, tot gouverneur had aangesteld en dat hij hem had belast met de zorg voor een deel van de armsten van het land, mannen, vrouwen en kinderen die niet als ballingen naar Babylonië waren gevoerd. 8De bevelhebbers, Jismaël, de zoon van Netanja, Jochanan en Jonatan, de zonen van Kareach, Seraja, de zoon van Tanchumet, de zonen van Efai uit Netofa, en Jezanja, de zoon van een man uit Maächa, zochten samen met hun manschappen Gedalja in Mispa op. 9Gedalja bezwoer hun: ‘Wees niet bang om de Chaldeeën te dienen. U kunt in het land blijven wonen, en zolang u de koning van Babylonië dient zal het u goed gaan. 10Ikzelf blijf in Mispa wonen om u bij de Chaldeeën te vertegenwoordigen. U moet de druiven, zomervruchten en olijven inzamelen en opslaan. Ga in de steden wonen die u nog in bezit hebt.’ 11Toen de Judeeërs in Moab, Ammon, Edom en in andere landen hoorden dat de koning van Babylonië een deel van de Judeeërs in het land had laten blijven en dat hij Gedalja, de zoon van Achikam, de zoon van Safan, tot hun gouverneur had benoemd, 12keerden ze uit al hun toevluchtsoorden naar Juda terug. Nadat ze Gedalja in Mispa hadden bezocht, oogstten ze zeer veel druiven, zomervruchten en olijven.

13Jochanan, de zoon van Kareach, en een aantal bevelhebbers van het leger die zich voordien hadden schuilgehouden, kwamen naar Mispa 14en zeiden tegen Gedalja: ‘Weet u dat Jismaël, de zoon van Netanja, er door koning Baälis van Ammon op uit is gestuurd om u te vermoorden?’ Maar Gedalja geloofde hen niet. 15Jochanan stelde hem in het geheim voor: ‘Laat mij Jismaël, de zoon van Netanja, doden; niemand zal ook maar iets vermoeden. Hij mag u niet vermoorden. Dan zouden immers alle Judeeërs die zich bij u aangesloten hebben weer worden verspreid en zou wat er van Juda nog over is te gronde gaan.’ 16Maar Gedalja antwoordde Jochanan: ‘Geen sprake van; wat u over Jismaël zegt is niet waar.’

41

411In de zevende maand kwam Jismaël, de zoon van Netanja, de zoon van Elisama, een hoge ambtenaar die tot de koninklijke familie behoorde, samen met tien mannen naar Mispa en bezocht Gedalja, de zoon van Achikam, de zoon van Safan. Terwijl ze een maaltijd hielden, 2sprongen Jismaël en de tien mannen op en vermoordden Gedalja, de man die door de koning van Babylonië als gouverneur was aangesteld. 3Jismaël liet ook de Judeeërs die bij Gedalja in Mispa waren en de daar gelegerde Chaldeeën vermoorden.

4De dag na de moord op Gedalja – niemand wist er nog van – 5kwamen er tachtig mannen uit Sichem, Silo en Samaria met afgeschoren baard en gescheurde kleren. Ze hadden hun lichaam gekerfd en hadden graan en wierook bij zich om in de tempel van de HEER te offeren. 6Jismaël, de zoon van Netanja, kwam hun vanuit Mispa huilend tegemoet. Bij hen aangekomen zei hij: ‘Gedalja, de zoon van Achikam, heet u welkom.’ 7Maar zodra ze in de stad waren, slachtten Jismaël en zijn mannen hen af. Hun lijken gooiden ze in een waterkelder. 8Tien van hen zeiden: ‘Dood ons niet, wij hebben voorraden in het veld verborgen: tarwe, gerst, olijfolie en vruchtenstroop.’ Deze tien liet Jismaël ongemoeid, zodat ze niet net als de anderen werden vermoord. 9

41:9
1 Kon. 15:16
Jismaël had de lijken van zijn slachtoffers in een grote waterkelder gegooid.41:9 Jismaël had de lijken van zijn slachtoffers in een grote waterkelder gegooid – Volgens de Septuaginta. MT: ‘De waterkelder waarin Jismaël de lijken van zijn door middel van Gedalja gemaakte slachtoffers had gegooid’. Het was de kelder die koning Asa had laten uithakken toen er oorlog met koning Basa van Israël dreigde. Die werd helemaal gevuld met lijken. 10Jismaël voerde de rest van de bevolking als gevangenen weg uit Mispa: de koningsdochters en de mensen die nog in Mispa overgebleven waren en over wie Nebuzaradan, de commandant van de lijfwacht, Gedalja, de zoon van Achikam, als gouverneur had aangesteld. Hij wilde met hen de Jordaan oversteken en naar Ammon gaan.

11Toen Jochanan, de zoon van Kareach, en de andere bevelhebbers van het leger hoorden welke misdaad Jismaël, de zoon van Netanja, had begaan, 12gingen ze hem met hun soldaten achterna. Ze haalden hem in bij het grote waterbekken van Gibeon. 13-14De mensen die door Jismaël uit Mispa als gevangenen waren meegevoerd, waren opgetogen toen ze hen zagen aankomen. Ze maakten rechtsomkeert en renden Jochanan tegemoet. 15Maar Jismaël wist samen met acht mannen aan Jochanan te ontkomen en vluchtte naar Ammon. 16Jochanan en de andere bevelhebbers namen de mensen die Jismaël na de moord op Gedalja had weggevoerd, onder hun hoede. Ze gingen met de soldaten, de andere mannen, de vrouwen, kinderen en hovelingen die ze bij Gibeon hadden bevrijd, 17

41:17
2 Kon. 25:26
naar Gerut-Kimham, vlak bij Betlehem. Daar bleven ze korte tijd. Het was hun bedoeling naar Egypte te gaan. 18Ze vreesden de Chaldeeën omdat Gedalja, de zoon van Achikam, die door de koning van Babylonië als gouverneur was aangesteld, door Jismaël, de zoon van Netanja, was vermoord.