Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
34

Profetie over het einde van Sedekia

341

34:1
2 Kon. 25:1-11
2 Kron. 36:17-21
Jer. 21:1-7
32:1-5
De HEER richtte de volgende woorden tot Jeremia, toen koning Nebukadnessar van Babylonië met heel zijn leger en de troepen van alle koninkrijken en volken die hij onderworpen had, de aanval had ingezet op Jeruzalem en de omliggende steden: 2‘Dit zegt de HEER, de God van Israël: Ga naar koning Sedekia van Juda en zeg tegen hem: Dit zegt de HEER: Ik geef deze stad in handen van de koning van Babylonië, die haar in vlammen zal doen opgaan. 3Ook jij zult niet aan hem ontkomen, maar gevangengenomen worden en aan hem worden uitgeleverd. Je zult oog in oog met hem komen te staan en persoonlijk met hem spreken. Daarna word je naar Babel gevoerd. 4Maar, koning Sedekia van Juda, luister naar de woorden van de HEER. Dit zegt de HEER tegen jou: Je zult geen gewelddadige dood sterven, 5
34:5
Jer. 22:18
maar in vrede heengaan. Zoals er voor je voorouders, de koningen die voor je hebben geregeerd, rouwvuren werden ontstoken, zo zullen die ook voor jou worden ontstoken. En je onderdanen zullen met “Ach heer!” een klaaglied over je aanheffen. Dit is mijn belofte – spreekt de HEER.’

6De profeet Jeremia bracht deze woorden in Jeruzalem over aan koning Sedekia van Juda, 7toen het leger van de koning van Babylonië de aanval had ingezet op Jeruzalem en op Lachis en Azeka, de enige vestingsteden van Juda die nog standhielden.

Vrijlating van de slaven herroepen

8De HEER richtte zich tot Jeremia, nadat koning Sedekia met de inwoners van Jeruzalem overeengekomen was dat er een algehele vrijlating zou worden afgekondigd. 9Alle Hebreeuwse slaven en slavinnen zouden worden vrijgelaten, zodat geen Judeeër nog een volksgenoot als slaaf in dienst zou hebben. 10De leiders en inwoners die deze overeenkomst waren aangegaan, kwamen hun verplichting na en lieten hun slaven vrij. 11Maar enige tijd later kwamen ze erop terug en onderwierpen hun vrijgelaten slaven en slavinnen weer. 12Toen richtte de HEER zich tot Jeremia: 13‘Dit zegt de HEER, de God van Israël: Nadat ik jullie voorouders uit de slavernij in Egypte had bevrijd, sloot ik een verbond met hen, waarin ik bepaalde: 14

34:14
Ex. 21:2
Deut. 15:12
“Elk zevende jaar moeten jullie de Hebreeuwse mannen en vrouwen die zich als slaaf aan jullie verkocht hebben, vrijlaten. Zij moeten jullie zes jaar dienen, daarna moeten jullie hun de vrijheid teruggeven.” Maar jullie voorouders luisterden niet naar mij, ze hebben mij niet gehoorzaamd. 15Dat deden jullie aanvankelijk wel. Door een algehele vrijlating af te kondigen hebben jullie gedaan wat goed is in mijn ogen. Jullie zijn ten overstaan van mij, in de tempel waaraan mijn naam verbonden is, die verplichting aangegaan. 16Maar toen kwamen jullie erop terug. Jullie hebben mijn naam te schande gemaakt door je slaven en slavinnen terug te halen. Eerst lieten jullie hen gaan en waren ze vrij, maar later onderwierpen jullie hen weer. 17
34:17
Jer. 29:18
Daarom – dit zegt de HEER: Omdat jullie niet naar mij hebben geluisterd, je volksgenoten niet de vrijheid hebben geschonken, geef ik het zwaard, de honger en de pest de vrijheid om jullie te treffen. Ik maak jullie tot een afschrikwekkend voorbeeld voor alle koninkrijken op aarde. 18Ik zal allen die een stierkalf in tweeën hebben gehakt en tussen de stukken door zijn gelopen, maar die toch de regels van mijn verbond hebben overtreden en zich niet aan de overeenkomst hebben gehouden die ze ten overstaan van mij hebben gesloten, in het lot van dat kalf laten delen. 19De leiders van Juda en Jeruzalem, de hovelingen, de priesters en de rest van de bevolking, allen die tussen de stukken door zijn gelopen, 20
34:20
Jer. 7:33
lever ik uit aan hun vijanden, die hun naar het leven staan. Hun lijken zullen ten prooi vallen aan roofvogels en wilde dieren. 21Ook koning Sedekia van Juda en zijn raadgevers lever ik uit aan hun vijanden, die hun naar het leven staan. Ik lever hen uit aan het leger van de koning van Babylonië. Dat trekt nu van jullie weg, 22
34:22
Jer. 9:10
maar op mijn bevel – spreekt de HEER – zal het naar deze stad terugkeren en haar weer belegeren, haar innemen en in vlammen doen opgaan. Ik maak de steden van Juda tot een woestenij waar niemand meer kan wonen.’

35

De Rechabieten als voorbeeld

351

35:1
2 Kon. 23:36-24:6
2 Kron. 3:5-7
Tijdens de regering van koning Jojakim van Juda, de zoon van Josia, richtte de HEER zich tot Jeremia: 2‘Ga naar de Rechabieten en vraag hun met je mee te gaan naar een zijhal in de tempel van de HEER. Bied hun daar wijn aan.’ 3Ik bracht Jaäzanja, de zoon van Jeremia, de zoon van Chabassinja, met zijn broers, zijn zonen en de andere Rechabieten 4naar de tempel van de HEER, naar de hal van de leerlingen van de godsman Chanan, de zoon van Jigdaljahu. Die ligt naast de hal van de raadsheren en boven die van Maäseja, de zoon van Sallum, het hoofd van de tempelwacht. 5Ik zette de Rechabieten enkele kannen wijn voor, gaf hun bekers en nodigde hen uit om te drinken. 6
35:6
2 Kon. 10:15
Maar ze zeiden: ‘Wij drinken geen wijn. Onze voorvader Jonadab, de zoon van Rechab, heeft ons dat verboden. “Jullie mogen nooit ofte nimmer wijn drinken,” heeft hij gezegd, “en jullie kinderen evenmin. 7Jullie mogen ook geen huizen bouwen, akkers inzaaien en wijngaarden planten of bezitten. Jullie moeten voor altijd in tenten wonen; alleen dan zullen jullie lang leven in het land waarin jullie verblijven.” 8Wij zijn onze voorvader Jonadab, de zoon van Rechab, gehoorzaam geweest in alles wat hij ons geboden heeft. Wijzelf en onze vrouwen, zonen en dochters drinken nooit wijn, 9wij bouwen geen huizen om in te wonen, wij bezitten geen wijngaarden en geen akkers die we inzaaien. 10Wij hebben altijd in tenten geleefd. Zo zijn wij onze voorvader Jonadab gehoorzaam geweest in alles wat hij ons geboden heeft. 11Dat we nu in Jeruzalem zijn, komt doordat koning Nebukadnessar van Babylonië het land is binnengevallen. Toen besloten we uit vrees voor de legers van de Chaldeeën en de Arameeërs naar Jeruzalem te vluchten.’

12De HEER richtte zich tot Jeremia: 13‘Dit zegt de HEER van de hemelse machten, de God van Israël: Zeg tegen de bevolking van Juda en Jeruzalem: Nu kunnen jullie leren wat het betekent om naar mijn woorden te luisteren – spreekt de HEER. 14Jonadab, de zoon van Rechab, heeft zijn nakomelingen verboden wijn te drinken. Zij hebben het gebod van hun voorvader nageleefd en tot op de dag van vandaag geen wijn gedronken. Maar tot jullie heb ik telkens weer gesproken, en jullie hebben niet naar mij geluisterd. 15

35:15
Jer. 7:13
25:4-7
Ik zond telkens weer mijn dienaren, de profeten, naar jullie met de oproep: Breek met je kwalijke praktijken, beter je leven, loop niet achter andere goden aan en dien ze niet. Dan zullen jullie blijven wonen in het land dat ik je voorouders en jullie gegeven heb. Maar jullie hebben mij niet gehoorzaamd, jullie hebben niet naar mij geluisterd. 16De nakomelingen van Jonadab, de zoon van Rechab, hebben het gebod van hun voorvader nageleefd, maar dit volk heeft niet naar mij geluisterd. 17Daarom – dit zegt de HEER, de God van de hemelse machten, de God van Israël: Ik zal over Juda en de bevolking van Jeruzalem al het onheil brengen dat ik hun heb aangekondigd. Want ik heb tot hen gesproken, maar zij hebben niet geluisterd; ik heb hen geroepen, maar zij hebben niet geantwoord.’

18Hierna zei Jeremia tegen de Rechabieten: ‘Dit zegt de HEER van de hemelse machten, de God van Israël: Jullie hebben alle geboden van je voorvader Jonadab nageleefd, jullie zijn hem in alles gehoorzaam geweest. 19Daarom – dit zegt de HEER van de hemelse machten, de God van Israël: Er zullen altijd nakomelingen van Jonadab, de zoon van Rechab, zijn die mij dienen.’

36

Jeremia’s boekrol voorgelezen en verbrand

361

36:1
2 Kon. 24:1
2 Kron. 36:5
Dan. 1:1
In het vierde regeringsjaar van koning Jojakim van Juda, de zoon van Josia, richtte de HEER zich tot Jeremia: 2‘Neem een boekrol en schrijf daarin alles wat ik je gezegd heb over Israël, Juda en de andere volken sinds ik in de tijd van koning Josia voor het eerst tot je sprak. 3Misschien laten de Judeeërs tot zich doordringen met wat voor onheil ik hen wil treffen en breken ze met hun kwalijke praktijken. Dan zal ik hun wandaden en zonden vergeven.’ 4Op verzoek van Jeremia schreef Baruch, de zoon van Neria, alle woorden van de HEER die Jeremia hem dicteerde in een boekrol. 5Jeremia zei tegen hem: ‘Nu men mij belet om in de tempel van de HEER te komen, 6moet jij ernaartoe gaan. Ga op een vastendag en lees in het openbaar de woorden van de HEER voor die ik je gedicteerd heb; aan iedereen, ook aan de Judeeërs die uit andere steden zijn gekomen. 7Misschien zullen ze een smeekgebed tot de HEER richten en met hun kwalijke praktijken breken, want groot is het onheil waarmee de HEER dit volk in zijn toorn heeft gedreigd.’

8Baruch, de zoon van Neria, deed wat de profeet Jeremia hem had opgedragen. In de tempel van de HEER las hij uit de boekrol voor wat de HEER had gezegd. 9In de negende maand van het vijfde regeringsjaar van koning Jojakim van Juda, toen de inwoners van Jeruzalem en de Judeeërs die uit andere steden naar Jeruzalem waren gekomen, ten overstaan van de HEER een vasten hielden, 10las Baruch in de tempel van de HEER de aanwezigen alles wat Jeremia had gezegd uit de boekrol voor. Hij deed dat in het vertrek van Gemarja, de zoon van de hofschrijver Safan, in de bovenste voorhof, vlak bij de nieuwe tempelpoort. 11Toen Micha, de zoon van Gemarja, de zoon van Safan, hoorde voorlezen wat de HEER had gezegd, 12ging hij naar het paleis van de koning. Hij betrad het vertrek van de hofschrijver, waar de raadsheren in vergadering bijeen waren: Elisama, de hofschrijver, Delaja, de zoon van Semaja, Elnatan, de zoon van Achbor, Gemarja, de zoon van Safan, Sedekia, de zoon van Chananja, en de andere raadsheren. 13Micha vertelde hun wat hij Baruch in het openbaar uit de boekrol had horen voorlezen. 14Hierop stuurden de raadsheren Jehudi, de zoon van Netanja, de zoon van Selemja, de zoon van Kusi, naar Baruch, de zoon van Neria, om hem te zeggen dat hij met de rol die hij voorgelezen had, bij de raadsheren moest komen. Baruch kwam met de rol naar hen toe. 15‘Neemt u plaats,’ zeiden ze, ‘en lees ons de rol voor.’ Baruch deed wat ze vroegen. 16Toen ze alles gehoord hadden, keken ze elkaar verbijsterd aan. ‘Dit moeten we de koning melden,’ zeiden ze tegen Baruch. 17‘Wat heeft u ertoe gebracht zulke dingen36:17 zulke dingen – Volgens de Septuaginta. MT: ‘zulke dingen uit zijn mond’. op te schrijven?’ 18Baruch antwoordde: ‘Jeremia heeft alles gedicteerd en ik heb het met inkt in de boekrol geschreven.’ 19De raadsheren zeiden: ‘U en Jeremia kunnen zich maar beter schuilhouden; vertel niemand waar u bent.’

20Ze borgen de rol op in het vertrek van de hofschrijver Elisama, gingen naar de voorhof en lieten zich aandienen bij de koning. Ze vertelden hem alles. 21Hierop liet de koning Jehudi de rol uit het vertrek van de hofschrijver Elisama halen. Jehudi las de tekst voor aan de koning en de raadsheren, die rond de koning stonden. 22Het was in de negende maand. De koning zat bij het vuur van het kolenbekken in zijn winterpaleis. 23Telkens als Jehudi drie of vier kolommen gelezen had, sneed de koning die met een schrijversmes af en gooide hij die in het vuur van het kolenbekken, totdat de hele rol verbrand was. 24Niemand schrok van wat hij hoorde, niemand scheurde zijn kleren, de koning niet en zijn dienaren evenmin. 25Hoewel Elnatan, Delaja en Gemarja er nog bij de koning op aandrongen de rol niet te verbranden, luisterde hij niet. 26Hij beval Jerachmeël, een lid van de koninklijke familie, Seraja, de zoon van Azriël, en Selemja, de zoon van Abdiël, om de schrijver Baruch en de profeet Jeremia gevangen te nemen. Maar de HEER gaf hun een schuilplaats.

27Nadat de koning de rol met alles wat Jeremia aan Baruch had gedicteerd, verbrand had, richtte de HEER zich tot Jeremia: 28‘Neem een nieuwe rol en schrijf daarin alles wat in de eerste rol stond, die koning Jojakim van Juda heeft verbrand. 29Zeg tegen hem: Dit zegt de HEER: Je hebt de rol verbrand en Jeremia verweten daarin te hebben geschreven dat de koning van Babylonië dit land zal binnenvallen, dat hij het zal verwoesten en de mensen en dieren zal uitroeien. 30Daarom – dit zegt de HEER over koning Jojakim van Juda: Er zal geen nakomeling van hem op de troon van David zitten. Zijn lijk zal naar buiten worden gegooid, en overdag zijn blootgesteld aan de hitte en ’s nachts aan de kou. 31Ik zal hem, zijn kinderen en zijn hovelingen voor hun wandaden laten boeten. Ik zal over hen, de bevolking van Jeruzalem en die van Juda al het onheil brengen dat ik hun heb aangekondigd. Want ze hebben niet willen luisteren.’ 32Hierop nam Jeremia een nieuwe rol en gaf die aan de schrijver Baruch, de zoon van Neria. Deze schreef er alles in wat Jeremia hem dicteerde, alles uit de boekrol die koning Jojakim van Juda had verbrand. Bovendien werden er veel woorden van gelijke strekking aan toegevoegd.