Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
33

Belofte van herstel

331De HEER richtte zich voor de tweede maal tot Jeremia, die nog steeds in het kwartier van de paleiswacht gevangenzat: 2‘Dit zegt de HEER, die de aarde heeft gemaakt, die haar heeft gevormd en gegrondvest, wiens naam is HEER: 3

33:3
Jer. 29:12
Roep mij aan, en ik zal je antwoorden, ik zal je grote, wonderlijke dingen bekendmaken, dingen die je volkomen onbekend zijn. 4Dit zegt de HEER, de God van Israël, over de huizen van deze stad en het paleis van de koningen van Juda, die worden afgebroken om een bolwerk op te werpen tegen de belegeringswallen en het aanvalsgeweld, 5maar waarvan de stenen in de strijd tegen de Chaldeeën de lijken bedekken van hen die ik in mijn grote woede heb gedood, omdat ik mij van deze stad heb afgewend vanwege al het kwaad dat de inwoners hebben gedaan – 6dit zegt de HEER: Ik zal de wonden van de stad verbinden en haar herstellen, ik geef de inwoners blijvende vrede en voorspoed. 7Ik breng een keer in het lot van Juda en Israël en maak ze weer tot het volk van vroeger. 8Ik zal het volk reinigen van alle wandaden waarmee het tegen mij gezondigd heeft. Ik zal het alle wandaden vergeven waarmee het willens en wetens tegen mij gezondigd heeft. 9Jeruzalem zal mij weer vreugde geven en mij lof en roem brengen bij alle volken op aarde. Die zullen horen hoeveel geluk en voorspoed ik Jeruzalem schenk, en huiveren van ontzag. 10Dit zegt de HEER: Jullie zeggen over dit land dat het een woestenij is, dat er mens noch dier meer leeft. Maar in de steden van Juda en de straten van Jeruzalem, die nu verwoest zijn, waar mens noch dier meer leeft, 11
33:11
1 Kron. 16:34
Ezra 3:11
Ps. 100:5
106:1
107:1
136:1
Jer. 25:10
zullen vreugdezangen klinken, zullen bruid en bruidegom van blijdschap zingen, zal te horen zijn: “Loof de HEER van de hemelse machten, want hij is goed, eeuwig duurt zijn trouw.” Er zullen dankoffers worden gebracht naar de tempel van de HEER, want ik keer het lot van Juda ten goede en maak het weer als vroeger – zegt de HEER.

12Dit zegt de HEER van de hemelse machten: Er zullen in dit verwoeste land, waar mens noch dier meer leeft, rond alle steden weiden zijn, waar de herders hun schapen en geiten zullen laten rusten. 13In de steden van het bergland, het heuvelland en de Negev, in het gebied van Benjamin, in de omgeving van Jeruzalem en rond de steden van Juda zullen de schapen onder de tellende hand van de herder doorgaan – zegt de HEER. 14De dag zal komen – spreekt de HEER – dat ik de belofte die ik het volk van Israël en Juda heb gedaan, gestand zal doen. 15

33:15-16
Jer. 23:5-6
33:15
Zach. 3:8
Op die dag, in die tijd, zal ik aan Davids stam een rechtmatige telg laten ontspruiten, die recht en gerechtigheid in het land zal handhaven. 16Dan wordt Juda verlost en de inwoners van Jeruzalem zullen in vrede leven. En de naam van de stad zal zijn “De HEER is onze gerechtigheid”. 17
33:17
2 Sam. 7:12-16
1 Kon. 2:4
1 Kron. 17:11-14
Want dit zegt de HEER: Er zal altijd een nakomeling van David op de troon van Israël zitten 18en er zullen altijd Levitische priesters zijn die mij dienen, die brandoffers zullen brengen, graanoffers zullen opdragen en vredeoffers zullen bereiden.’

19De HEER richtte zich tot Jeremia: 20

33:20-21
Jer. 31:35-36
33:20
Ps. 89:34-38
‘Dit zegt de HEER: Als mijn verbond met de dag en de nacht kon worden tenietgedaan, zodat de dag en de nacht niet meer op tijd zouden aanbreken, 21dan zou ook mijn verbond met mijn dienaar David kunnen worden tenietgedaan. Dan zou er geen nakomeling van David op zijn troon zitten. Dan zou ook mijn verbond met mijn dienaren de Levitische priesters kunnen worden verbroken. 22
33:22
Gen. 22:17
Ontelbaar zijn de sterren aan de hemel en de zandkorrels aan de zee, even ontelbaar zal ik de nakomelingen maken van mijn dienaar David en van de Levieten die mij dienen.’

23De HEER richtte zich tot Jeremia: 24‘Heb je gehoord wat de mensen zeggen? “De HEER heeft de twee volken die hij had uitgekozen, verworpen.” Ze schrijven mijn volk af en zien het niet langer als een volk. 25Maar dit zegt de HEER: Ik heb een verbond met de dag en de nacht gesloten en de hemel en de aarde aan vaste wetten onderworpen. 26Zomin als ik die zal verwerpen, zal ik het nageslacht van Jakob en van mijn dienaar David verwerpen. Ik zal altijd een van zijn nakomelingen laten heersen over het nageslacht van Abraham, Isaak en Jakob. Ik zal hun lot ten goede keren en mij over hen ontfermen.’

34

Profetie over het einde van Sedekia

341

34:1
2 Kon. 25:1-11
2 Kron. 36:17-21
Jer. 21:1-7
32:1-5
De HEER richtte de volgende woorden tot Jeremia, toen koning Nebukadnessar van Babylonië met heel zijn leger en de troepen van alle koninkrijken en volken die hij onderworpen had, de aanval had ingezet op Jeruzalem en de omliggende steden: 2‘Dit zegt de HEER, de God van Israël: Ga naar koning Sedekia van Juda en zeg tegen hem: Dit zegt de HEER: Ik geef deze stad in handen van de koning van Babylonië, die haar in vlammen zal doen opgaan. 3Ook jij zult niet aan hem ontkomen, maar gevangengenomen worden en aan hem worden uitgeleverd. Je zult oog in oog met hem komen te staan en persoonlijk met hem spreken. Daarna word je naar Babel gevoerd. 4Maar, koning Sedekia van Juda, luister naar de woorden van de HEER. Dit zegt de HEER tegen jou: Je zult geen gewelddadige dood sterven, 5
34:5
Jer. 22:18
maar in vrede heengaan. Zoals er voor je voorouders, de koningen die voor je hebben geregeerd, rouwvuren werden ontstoken, zo zullen die ook voor jou worden ontstoken. En je onderdanen zullen met “Ach heer!” een klaaglied over je aanheffen. Dit is mijn belofte – spreekt de HEER.’

6De profeet Jeremia bracht deze woorden in Jeruzalem over aan koning Sedekia van Juda, 7toen het leger van de koning van Babylonië de aanval had ingezet op Jeruzalem en op Lachis en Azeka, de enige vestingsteden van Juda die nog standhielden.

Vrijlating van de slaven herroepen

8De HEER richtte zich tot Jeremia, nadat koning Sedekia met de inwoners van Jeruzalem overeengekomen was dat er een algehele vrijlating zou worden afgekondigd. 9Alle Hebreeuwse slaven en slavinnen zouden worden vrijgelaten, zodat geen Judeeër nog een volksgenoot als slaaf in dienst zou hebben. 10De leiders en inwoners die deze overeenkomst waren aangegaan, kwamen hun verplichting na en lieten hun slaven vrij. 11Maar enige tijd later kwamen ze erop terug en onderwierpen hun vrijgelaten slaven en slavinnen weer. 12Toen richtte de HEER zich tot Jeremia: 13‘Dit zegt de HEER, de God van Israël: Nadat ik jullie voorouders uit de slavernij in Egypte had bevrijd, sloot ik een verbond met hen, waarin ik bepaalde: 14

34:14
Ex. 21:2
Deut. 15:12
“Elk zevende jaar moeten jullie de Hebreeuwse mannen en vrouwen die zich als slaaf aan jullie verkocht hebben, vrijlaten. Zij moeten jullie zes jaar dienen, daarna moeten jullie hun de vrijheid teruggeven.” Maar jullie voorouders luisterden niet naar mij, ze hebben mij niet gehoorzaamd. 15Dat deden jullie aanvankelijk wel. Door een algehele vrijlating af te kondigen hebben jullie gedaan wat goed is in mijn ogen. Jullie zijn ten overstaan van mij, in de tempel waaraan mijn naam verbonden is, die verplichting aangegaan. 16Maar toen kwamen jullie erop terug. Jullie hebben mijn naam te schande gemaakt door je slaven en slavinnen terug te halen. Eerst lieten jullie hen gaan en waren ze vrij, maar later onderwierpen jullie hen weer. 17
34:17
Jer. 29:18
Daarom – dit zegt de HEER: Omdat jullie niet naar mij hebben geluisterd, je volksgenoten niet de vrijheid hebben geschonken, geef ik het zwaard, de honger en de pest de vrijheid om jullie te treffen. Ik maak jullie tot een afschrikwekkend voorbeeld voor alle koninkrijken op aarde. 18Ik zal allen die een stierkalf in tweeën hebben gehakt en tussen de stukken door zijn gelopen, maar die toch de regels van mijn verbond hebben overtreden en zich niet aan de overeenkomst hebben gehouden die ze ten overstaan van mij hebben gesloten, in het lot van dat kalf laten delen. 19De leiders van Juda en Jeruzalem, de hovelingen, de priesters en de rest van de bevolking, allen die tussen de stukken door zijn gelopen, 20
34:20
Jer. 7:33
lever ik uit aan hun vijanden, die hun naar het leven staan. Hun lijken zullen ten prooi vallen aan roofvogels en wilde dieren. 21Ook koning Sedekia van Juda en zijn raadgevers lever ik uit aan hun vijanden, die hun naar het leven staan. Ik lever hen uit aan het leger van de koning van Babylonië. Dat trekt nu van jullie weg, 22
34:22
Jer. 9:10
maar op mijn bevel – spreekt de HEER – zal het naar deze stad terugkeren en haar weer belegeren, haar innemen en in vlammen doen opgaan. Ik maak de steden van Juda tot een woestenij waar niemand meer kan wonen.’

35

De Rechabieten als voorbeeld

351

35:1
2 Kon. 23:36-24:6
2 Kron. 3:5-7
Tijdens de regering van koning Jojakim van Juda, de zoon van Josia, richtte de HEER zich tot Jeremia: 2‘Ga naar de Rechabieten en vraag hun met je mee te gaan naar een zijhal in de tempel van de HEER. Bied hun daar wijn aan.’ 3Ik bracht Jaäzanja, de zoon van Jeremia, de zoon van Chabassinja, met zijn broers, zijn zonen en de andere Rechabieten 4naar de tempel van de HEER, naar de hal van de leerlingen van de godsman Chanan, de zoon van Jigdaljahu. Die ligt naast de hal van de raadsheren en boven die van Maäseja, de zoon van Sallum, het hoofd van de tempelwacht. 5Ik zette de Rechabieten enkele kannen wijn voor, gaf hun bekers en nodigde hen uit om te drinken. 6
35:6
2 Kon. 10:15
Maar ze zeiden: ‘Wij drinken geen wijn. Onze voorvader Jonadab, de zoon van Rechab, heeft ons dat verboden. “Jullie mogen nooit ofte nimmer wijn drinken,” heeft hij gezegd, “en jullie kinderen evenmin. 7Jullie mogen ook geen huizen bouwen, akkers inzaaien en wijngaarden planten of bezitten. Jullie moeten voor altijd in tenten wonen; alleen dan zullen jullie lang leven in het land waarin jullie verblijven.” 8Wij zijn onze voorvader Jonadab, de zoon van Rechab, gehoorzaam geweest in alles wat hij ons geboden heeft. Wijzelf en onze vrouwen, zonen en dochters drinken nooit wijn, 9wij bouwen geen huizen om in te wonen, wij bezitten geen wijngaarden en geen akkers die we inzaaien. 10Wij hebben altijd in tenten geleefd. Zo zijn wij onze voorvader Jonadab gehoorzaam geweest in alles wat hij ons geboden heeft. 11Dat we nu in Jeruzalem zijn, komt doordat koning Nebukadnessar van Babylonië het land is binnengevallen. Toen besloten we uit vrees voor de legers van de Chaldeeën en de Arameeërs naar Jeruzalem te vluchten.’

12De HEER richtte zich tot Jeremia: 13‘Dit zegt de HEER van de hemelse machten, de God van Israël: Zeg tegen de bevolking van Juda en Jeruzalem: Nu kunnen jullie leren wat het betekent om naar mijn woorden te luisteren – spreekt de HEER. 14Jonadab, de zoon van Rechab, heeft zijn nakomelingen verboden wijn te drinken. Zij hebben het gebod van hun voorvader nageleefd en tot op de dag van vandaag geen wijn gedronken. Maar tot jullie heb ik telkens weer gesproken, en jullie hebben niet naar mij geluisterd. 15

35:15
Jer. 7:13
25:4-7
Ik zond telkens weer mijn dienaren, de profeten, naar jullie met de oproep: Breek met je kwalijke praktijken, beter je leven, loop niet achter andere goden aan en dien ze niet. Dan zullen jullie blijven wonen in het land dat ik je voorouders en jullie gegeven heb. Maar jullie hebben mij niet gehoorzaamd, jullie hebben niet naar mij geluisterd. 16De nakomelingen van Jonadab, de zoon van Rechab, hebben het gebod van hun voorvader nageleefd, maar dit volk heeft niet naar mij geluisterd. 17Daarom – dit zegt de HEER, de God van de hemelse machten, de God van Israël: Ik zal over Juda en de bevolking van Jeruzalem al het onheil brengen dat ik hun heb aangekondigd. Want ik heb tot hen gesproken, maar zij hebben niet geluisterd; ik heb hen geroepen, maar zij hebben niet geantwoord.’

18Hierna zei Jeremia tegen de Rechabieten: ‘Dit zegt de HEER van de hemelse machten, de God van Israël: Jullie hebben alle geboden van je voorvader Jonadab nageleefd, jullie zijn hem in alles gehoorzaam geweest. 19Daarom – dit zegt de HEER van de hemelse machten, de God van Israël: Er zullen altijd nakomelingen van Jonadab, de zoon van Rechab, zijn die mij dienen.’