Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
26

Jeremia om zijn profetie aangeklaagd

261

26:1
2 Kon. 23:36-24:6
2 Kron. 36:5-7
Jer. 22:18-19
35:1
36:1-32
In het begin van de regering van koning Jojakim van Juda, de zoon van Josia, richtte de HEER de volgende woorden tot Jeremia: 2
26:2
Jer. 7:1
‘Dit zegt de HEER: Ga in de voorhof van mijn tempel staan en spreek tot allen die uit de steden van Juda zijn gekomen om mij in de tempel te vereren. Zeg hun alles wat ik je opdraag en laat niets achterwege. 3
26:3
Jona 3:10
Misschien zullen ze luisteren en met hun kwalijke praktijken breken. Dan zal ik afzien van het onheil waarmee ik hen wil treffen vanwege hun kwalijke praktijken. 4
26:4
Deut. 28:15
Jer. 44:10,23
Zeg tegen hen: Dit zegt de HEER: Als jullie niet naar mij luisteren, als jullie de wet niet naleven die ik je gegeven heb 5
26:5
Jer. 7:25-26
11:7-8
en niet luisteren naar mijn dienaren, de profeten, die ik telkens weer naar jullie zend, maar voor wie jullie tot nu toe doof waren, 6
26:6
Jer. 7:12-14
dan zal ik met deze tempel hetzelfde doen als met Silo, zodat alle volken op aarde de naam van deze stad als een vloek zullen gebruiken.’

7De priesters, de profeten en alle andere aanwezigen in de tempel hoorden Jeremia deze woorden spreken. 8Nadat hij tegen hen gezegd had wat de HEER hem had opgedragen, grepen ze hem vast. ‘Sterven moet jij!’ riepen ze. 9‘Hoe durf je in de naam van de HEER te profeteren dat het deze tempel zal vergaan als Silo en dat deze stad een ruïne wordt waar niemand nog zal wonen?’ Al het volk in de tempel liep tegen Jeremia te hoop. 10Toen de leiders van Juda hoorden wat er gebeurde, kwamen ze van het koninklijk paleis naar de tempel en namen ze plaats in het nieuwe poortgebouw. 11De priesters en de profeten namen het woord. Ze zeiden tegen de leiders en alle andere aanwezigen: ‘Deze man verdient de dood. U hebt zelf kunnen horen wat hij over deze stad heeft geprofeteerd.’ 12Jeremia antwoordde: ‘Het is de HEER die mij gezonden heeft om te profeteren wat u over deze tempel en deze stad hebt gehoord. 13Beter daarom uw leven en luister naar de HEER, uw God, opdat hij afziet van het onheil dat hij u heeft aangekondigd. 14Wat mijzelf betreft: ik ben in uw handen, u kunt met mij doen wat u goed en rechtvaardig acht. 15Maar besef wel dat u door mij te doden onschuldig bloed vergiet, waarvoor u zelf, deze stad en de inwoners zullen boeten, want werkelijk, de HEER heeft mij gestuurd om u te waarschuwen.’ 16Toen zeiden de leiders en de andere aanwezigen tegen de priesters en de profeten: ‘Deze man kan niet ter dood gebracht worden, want hij heeft in de naam van de HEER, onze God, tot ons gesproken.’ 17En enkele van de oudsten van het land stonden op en zeiden tegen het samengestroomde volk: 18

26:18
Micha 3:12
‘Toen Hizkia koning van Juda was trad Micha uit Moreset op als profeet. Hij zei tegen het volk van Juda: “Dit zegt de HEER van de hemelse machten: De Sion zal als een akker worden omgeploegd, Jeruzalem zal tot een puinhoop worden, de tempelberg tot een overwoekerde heuvel.” 19Maar hebben koning Hizkia en de bevolking van Juda Micha ter dood gebracht? Hizkia had ontzag voor de HEER en wist hem gunstig te stemmen, zodat de HEER afzag van het onheil dat hij hun had aangekondigd. Als we deze man doden, roepen we groot onheil over ons af!’

20Er was nog een ander die als profeet optrad in de naam van de HEER: Uria uit Kirjat-Jearim, de zoon van Semaja. Ook hij profeteerde tegen Jeruzalem en Juda, en hij verkondigde hetzelfde als Jeremia. 21Toen koning Jojakim, de bevelhebbers en de raadsheren zijn profetieën hoorden, wilde de koning hem ter dood laten brengen. Uria kwam dat te weten en vluchtte in paniek naar Egypte. 22Maar de koning stuurde Elnatan, de zoon van Achbor, met een aantal mannen achter hem aan. 23Ze haalden Uria terug en leidden hem voor koning Jojakim, die hem liet doden. Zijn lijk liet hij in een gewoon volksgraf werpen.

24Maar Jeremia werd beschermd door Achikam, de zoon van Safan, zodat hij niet werd uitgeleverd aan het volk, dat hem wilde doden.

27

Het juk van Babylonië

271

27:1
2 Kon. 24:18-20
2 Kron. 36:11-13
Jer. 52:1
In het begin van de regering van koning Jojakim van Juda, de zoon van Josia, richtte de HEER zich tot Jeremia. 2De HEER zei tegen mij: ‘Maak jukken met riemen en leg die op je nek. 3Stuur de koningen van Edom, Moab, Ammon, Tyrus en Sidon ieder een juk. Je moet ze meegeven aan hun gezanten, die bij koning Sedekia in Jeruzalem zijn. 4Laat ze hun vorst de volgende boodschap overbrengen: Dit zegt de HEER van de hemelse machten, de God van Israël – dit moet u dus tegen uw vorst zeggen: 5Ik heb met mijn grote kracht en met mijn machtige arm de aarde gemaakt en de mensen en dieren die er leven. Ik geef de aarde aan wie ik wil. 6
27:6
Jer. 28:14
43:10
Judit 11:7
Bar. 3:16-17
Ik heb jullie landen nu allemaal in handen gegeven van mijn dienaar, koning Nebukadnessar van Babylonië; zelfs de wilde dieren heb ik aan hem onderworpen. 7Alle volken zullen aan hem, zijn zoon en zijn kleinzoon onderworpen zijn, totdat ook voor zijn eigen land de tijd komt dat vele volken en machtige koningen het zullen onderwerpen. 8Het volk of koninkrijk dat zich niet aan hem, koning Nebukadnessar van Babylonië, wil onderwerpen, dat zich niet zijn juk wil laten opleggen, zal ik straffen met het zwaard, de honger en de pest, totdat ik het door zijn toedoen vernietigd heb – spreekt de HEER. 9Luister niet naar je profeten, waarzeggers, droomuitleggers, wolkenschouwers en tovenaars, die jullie steeds oproepen je niet aan de koning van Babylonië te onderwerpen. 10Hun profetieën zijn leugens; ze bereiken er slechts mee dat jullie uit je land worden verdreven. Ik zal jullie uiteenjagen en jullie zullen omkomen. 11Maar het volk dat zich het juk van de koning van Babylonië laat opleggen, dat zich aan hem onderwerpt, zal ik ongestoord in zijn eigen land laten. Het mag er blijven wonen en de akkers bewerken – spreekt de HEER.’

12Ik sprak dezelfde woorden tot koning Sedekia van Juda: ‘Laat u het juk van de koning van Babylonië opleggen, onderwerp u aan hem en zijn volk, dan zult u in leven blijven. 13Waarom zouden u en uw volk sterven door het zwaard, de honger en de pest? Want daarmee heeft de HEER ieder volk gedreigd dat zich niet aan de koning van Babylonië wil onderwerpen. 14Luister niet naar de profeten die jullie oproepen je niet aan hem te onderwerpen. Ze profeteren leugens. 15Hoewel ik hen niet gezonden heb – spreekt de HEER – profeteren ze in mijn naam, en nog leugens ook. Daarmee bereiken ze slechts dat ik jullie verdrijf en dat jullie samen met die profeten zullen omkomen.’

16Ook sprak ik tot de priesters en het volk van Juda: ‘Dit zegt de HEER: Luister niet naar jullie profeten, die zeggen dat de kostbaarheden uit de tempel van de HEER spoedig uit Babel worden teruggebracht. Ze profeteren leugens. 17Luister niet naar hen. Onderwerp je aan de koning van Babylonië, als jullie in leven willen blijven. Waarom zou deze stad een ruïne moeten worden? 18Als ze echte profeten zijn en de woorden van de HEER spreken, laten ze dan de HEER van de hemelse machten ertoe bewegen dat hij de kostbaarheden die nog in de tempel van de HEER, in het paleis van de koning en in Jeruzalem zijn overgebleven, niet in Babel laat terechtkomen. 19

27:19
1 Kon. 7:15-27
Want dit zegt de HEER van de hemelse machten over de tempelzuilen, de Zee, de verrijdbare onderstellen en de rest van het tempelgerei dat nog in deze stad is, 20over alles wat koning Nebukadnessar van Babylonië nog niet heeft meegenomen toen hij koning Jechonja, de zoon van Jojakim, en alle vooraanstaande burgers van Juda en Jeruzalem naar Babel voerde: Alles zal naar Babel worden gevoerd. 21Ja, dit zegt de HEER van de hemelse machten, de God van Israël, over de kostbaarheden die in de tempel van de HEER, in het paleis van de koning en in Jeruzalem achtergebleven zijn: 22Alles zal naar Babel worden gevoerd, en daar zal het blijven tot de dag dat ik er zelf voor zorg dat het wordt teruggebracht – spreekt de HEER.’

28

De profeet Jeremia tegenover de profeet Chananja

281

28:1
2 Kon. 24:18-20
2 Kron. 36:11-13
Jer. 52:1
In datzelfde jaar, in de vijfde maand van het vierde regeringsjaar van koning Sedekia van Juda,28:1 in de vijfde maand van het vierde regeringsjaar van koning Sedekia van Juda – Volgens de Septuaginta. MT: ‘in het begin van de regering van koning Sedekia van Juda, in de vijfde maand van het vierde jaar’. zei de profeet Chananja uit Gibeon, de zoon van Azzur, in de tempel van de HEER ten overstaan van de priesters en alle andere aanwezigen tegen mij: 2‘Dit zegt de HEER van de hemelse machten, de God van Israël: Ik ga het juk van de koning van Babylonië breken. 3Binnen twee jaar zal ik alle kostbaarheden uit de tempel van de HEER, die koning Nebukadnessar heeft meegevoerd naar Babel, naar Jeruzalem terugbrengen. 4Ik zal ook koning Jechonja, de zoon van Jojakim, en alle ballingen uit Juda die naar Babel zijn gevoerd, naar Jeruzalem terugbrengen – spreekt de HEER. Want ik ga het juk van de koning van Babylonië breken.’ 5Toen antwoordde de profeet Jeremia de profeet Chananja ten overstaan van de priesters en alle anderen die in de tempel van de HEER aanwezig waren: 6‘Ja! Laat de HEER dat doen. Hopelijk laat hij jouw profetie uitkomen en brengt hij al het tempelgerei en alle ballingen uit Babylonië naar deze stad terug. 7Maar luister nu naar wat ik jou en alle anderen te zeggen heb. 8Sinds mensenheugenis hebben de profeten die vóór jou en mij hebben geleefd tegen veel landen en machtige koninkrijken niets dan oorlogen, onheil en pest geprofeteerd. 9
28:9
Deut. 18:21-22
Van een profeet die voorspoed en vrede profeteert, weten we pas dat hij inderdaad door de HEER gezonden is als zijn woorden uitkomen.’ 10Chananja nam toen het juk van Jeremia’s nek, brak het in stukken 11en zei ten overstaan van allen die daar waren: ‘Dit zegt de HEER: Zo zal ik binnen twee jaar het juk van koning Nebukadnessar van Babylonië van alle volken afnemen en in stukken breken.’ Hierop verliet Jeremia de tempel.

12Enige tijd later richtte de HEER zich tot Jeremia: 13‘Ga naar Chananja en zeg hem: Dit zegt de HEER: Je hebt een houten juk in stukken gebroken en het door een ijzeren juk vervangen. 14

28:14
Jer. 27:6
Want dit zegt de HEER van de hemelse machten, de God van Israël: Ik leg alle volken een ijzeren juk op, waarmee ze koning Nebukadnessar van Babylonië moeten dienen. Zelfs de wilde dieren onderwerp ik aan hem.’ 15De profeet Jeremia zei toen tegen de profeet Chananja: ‘Luister goed, Chananja! Jij bent niet door de HEER gezonden. Je hebt bij het volk valse hoop gewekt. 16
28:16
Deut. 13:6
Daarom – dit zegt de HEER: Ik zal je alsnog zenden, ik zend je weg van de aarde. Je zult nog dit jaar sterven, want met je profetieën heb je het volk opgezet tegen de HEER.’ 17En de profeet Chananja stierf nog datzelfde jaar, in de zevende maand.