Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
24

De manden met vijgen

241

24:1
2 Kon. 24:12-16
2 Kron. 36:10
De HEER liet mij twee manden met vijgen zien, nadat koning Nebukadnessar van Babylonië koning Jechonja van Juda, de zoon van Jojakim, samen met de leiders van Juda en de smeden en de wapenmeesters uit Jeruzalem naar Babel had weggevoerd. De manden waren voor de tempel gezet. 2In de ene mand zaten prachtige vijgen, als van de eerste pluk, in de andere mand zaten bedorven vijgen, die niet meer te eten waren. 3De HEER zei tegen mij: ‘Wat zie je, Jeremia?’ Ik antwoordde: ‘Vijgen. De goede vijgen zijn helemaal gaaf, de slechte zijn zo bedorven dat ze niet meer te eten zijn.’ 4Toen richtte de HEER zich tot mij: 5
24:5-7
Ezech. 11:14-21
‘Dit zegt de HEER, de God van Israël: De goede vijgen staan voor de Judese ballingen die ik van hier naar Babylonië heb gestuurd. 6
24:6
Jer. 1:10
Ik zal welwillend naar hen omzien en hen naar dit land terugbrengen. Ik zal hen opbouwen en niet afbreken, planten en niet uitrukken. 7
24:7
Jer. 30:22
31:33
Ik geef hun het inzicht dat ik de HEER ben; als ze met heel hun hart naar mij terugkeren, zullen zij mijn volk zijn en zal ik hun God zijn. 8
24:8-9
Jer. 29:17-18
Maar die bedorven vijgen die niet meer te eten zijn – ja, dit zegt de HEER: Die vijgen staan voor koning Sedekia van Juda, en voor zijn raadsheren en de mensen uit Jeruzalem die in dit land zijn overgebleven of in Egypte zijn gaan wonen. 9
24:9
Jer. 15:4
26:6
42:18
44:12
Ik maak hen tot een afschrikwekkend voorbeeld voor alle koninkrijken op aarde. Ze zullen te schande staan en het mikpunt zijn van hoon en spot, hun namen zullen als een vloek worden gebruikt, overal waarheen ik hen verdrijf. 10Ik stuur het zwaard, de honger en de pest op hen af, tot ze zijn verdwenen uit het land dat ik hun en hun voorouders gegeven heb.’

25

Profetieën over de volken

251-2

25:1-2
2 Kon. 24:1
2 Kron. 36:5-7
Dan. 1:1-2
In het vierde regeringsjaar van koning Jojakim van Juda, de zoon van Josia (dit was het eerste regeringsjaar van koning Nebukadnessar van Babylonië), richtte de HEER zich tot Jeremia over de inwoners van Juda en Jeruzalem. De profeet Jeremia sprak toen tot hen: 3‘Vanaf het dertiende regeringsjaar van koning Josia van Juda, de zoon van Amon, tot op de dag van vandaag, drieëntwintig jaar lang, heb ik telkens weer namens de HEER tot jullie gesproken, maar jullie hebben niet geluisterd. 4Steeds opnieuw heeft de HEER zijn dienaren, de profeten, naar jullie gezonden, maar jullie hebben niet geluisterd; jullie wilden hen niet eens aanhoren. 5Ze zeiden: “Geef je verdorven levenswandel op, breek met je kwalijke praktijken, dan mogen jullie in het land blijven wonen dat de HEER jullie en je voorouders gegeven heeft. Zo is het altijd geweest, zo zal het dan altijd zijn. 6
25:6
Jer. 7:6,18
32:29
35:15
Loop niet achter andere goden aan, dien ze niet en buig je niet voor hen neer, krenk mij niet met wat je zelf gemaakt hebt, dan zal ik jullie niet met onheil treffen.” 7Maar jullie hebben niet naar mij geluisterd – spreekt de HEER –, jullie hebben mij gekrenkt met wat jullie zelf gemaakt hebben, tot jullie eigen ondergang. 8Daarom – dit zegt de HEER van de hemelse machten: Omdat jullie niet naar mij hebben geluisterd, 9zal ik alle volken van het noorden met mijn dienaar, koning Nebukadnessar van Babylonië, ontbieden – spreekt de HEER. Ik stuur ze op de inwoners van dit land af en op alle omringende volken. Ik breng alle inwoners om; ze zullen afschuw en ontzetting wekken, en dit land zal voor altijd in puin liggen. 10
25:10
Jer. 7:34
16:9
Ezech. 26:13
Op. 18:22-23
Ik laat de vreugdezangen verstommen, bruid en bruidegom zullen niet langer van vreugde zingen, het geluid van de handmolens zal versterven en het licht van de lampen zal doven. 11
25:11
2 Kron. 36:21
Jer. 29:10
Dan. 9:2
Heel dit land valt in puin en wordt een woestenij, en ook de omringende volken zullen de koning van Babylonië dienen, zeventig jaar lang. 12Maar als die zeventig jaar voorbij zijn, zal ik de koning van Babylonië en zijn volk voor hun misdaden laten boeten – spreekt de HEER. Ik maak het land van de Chaldeeën voor altijd tot een woestenij. 13Ik breng over dat land het onheil dat ik het aangekondigd heb, alles wat in dit boek geschreven staat en door Jeremia tegen alle volken geprofeteerd is. 14Dan zullen de Chaldeeën zelf door vele volken en machtige koningen worden onderworpen. Zo zal ik hun vergelden wat ze hebben misdaan.’

15

25:15
Op. 14:10
16:19
Vervolgens zei de HEER, de God van Israël, tegen mij: ‘Neem deze beker van mij aan en laat daaruit alle volken waarheen ik je zend de wijn van mijn woede drinken. 16Als ze die drinken worden ze dronken van angst voor het zwaard dat ik op hen afstuur.’ 17Ik nam van de HEER de beker aan en gaf alle volken waarheen hij mij zond daaruit te drinken: 18Jeruzalem en de steden van Juda, die in puin zouden vallen; de koningen en leiders, die afschuw en ontzetting zouden wekken, van wie de namen als een vloek zouden worden gebruikt, zoals nu al gebeurt; 19de farao, de koning van Egypte, zijn hof, zijn raadsheren en heel zijn volk, 20en alle vreemdelingen die er woonden; alle koningen van het land Us; alle koningen van het land van de Filistijnen: die van Askelon, Gaza, Ekron en wat er nog over was van Asdod; 21Edom, Moab en Ammon; 22de koningen van Tyrus, de koningen van Sidon en die van de overzeese gebieden; 23Dedan, Tema en Buz, en alle volken met kaalgeschoren slapen; 24de koningen van Arabië en de koningen van de andere volken die in de woestijn woonden; 25de koningen van Zimri, de koningen van Elam en de koningen van Medië; 26en de koningen van het noorden, de een na de ander, of ze nu dichtbij of veraf woonden. Alle koninkrijken op aarde moesten uit de beker drinken; de koning van Sesach25:26 Sesach – Sesach is een naam voor Babel, geschreven in een soort geheimschrift, waarin de eerste letter van het Hebreeuwse alfabet vervangen wordt door de laatste, de tweede door de voorlaatste, enzovoort. als laatste.

27De HEER zei: ‘Zeg tegen hen: Dit zegt de HEER van de hemelse machten, de God van Israël: Drink, duizel en braak; als ik het zwaard op jullie afstuur, storten jullie neer en kunnen jullie niet meer opstaan. 28En als ze weigeren de beker aan te nemen, zeg dan tegen hen: Dit zegt de HEER van de hemelse machten: Drinken zul je! 29

25:29
1 Petr. 4:17
Ik sta op het punt de stad waaraan mijn naam verbonden is ten onder te laten gaan. Zouden jullie dan ongestraft blijven? Nee! Ik roep het zwaard op tegen alle bewoners van de aarde – spreekt de HEER van de hemelse machten. 30
25:30
Jes. 63:3-6
En jij – profeteer dit alles, zeg tegen hen:

De HEER brult uit de hoge hemel,

hij gromt vanuit zijn heilige woning,

hij buldert over zijn kudde.

Als een druiventreder schreeuwt hij

tegen de bewoners van de aarde.

31Tot aan de einden der aarde klinkt krijgsrumoer,

want de HEER klaagt alle volken aan,

hij voert een rechtszaak tegen al wat leeft.

Die boosdoeners levert hij uit aan het zwaard

– spreekt de HEER.

32Dit zegt de HEER van de hemelse machten:

Rampen treffen volk na volk,

een orkaan steekt op van de uithoeken der aarde.

33

25:33
Jer. 8:2
De slachtoffers van de HEER liggen over de aarde verspreid.

Ze worden niet betreurd, niet weggehaald en niet begraven,

maar blijven liggen als mest op het land.

34Herders, jammer, schreeuw het uit!

Leiders van de kudde, wentel je in het stof!

Nu worden jullie geslacht,

jullie vallen in stukken als een kostbare kruik,

jullie worden verstrooid.

35De herders kunnen niet meer vluchten,

de leiders kunnen niet ontkomen.

36Hoor! De herders schreeuwen,

de leiders van de kudde jammeren,

want de HEER verwoest hun weidegrond.

37Hun vredige weiden worden vernietigd

door de grote woede van de HEER.

38Als een leeuw doemt hij op uit zijn schuilplaats,

ja, hun land wordt tot een woestenij

door het moordend geweld,25:38 door het moordend geweld – Volgens sommige Hebreeuwse handschriften en oude vertalingen. MT: ‘door de toorn van de verdrukker’.

door zijn grote toorn.’

26

Jeremia om zijn profetie aangeklaagd

261

26:1
2 Kon. 23:36-24:6
2 Kron. 36:5-7
Jer. 22:18-19
35:1
36:1-32
In het begin van de regering van koning Jojakim van Juda, de zoon van Josia, richtte de HEER de volgende woorden tot Jeremia: 2
26:2
Jer. 7:1
‘Dit zegt de HEER: Ga in de voorhof van mijn tempel staan en spreek tot allen die uit de steden van Juda zijn gekomen om mij in de tempel te vereren. Zeg hun alles wat ik je opdraag en laat niets achterwege. 3
26:3
Jona 3:10
Misschien zullen ze luisteren en met hun kwalijke praktijken breken. Dan zal ik afzien van het onheil waarmee ik hen wil treffen vanwege hun kwalijke praktijken. 4
26:4
Deut. 28:15
Jer. 44:10,23
Zeg tegen hen: Dit zegt de HEER: Als jullie niet naar mij luisteren, als jullie de wet niet naleven die ik je gegeven heb 5
26:5
Jer. 7:25-26
11:7-8
en niet luisteren naar mijn dienaren, de profeten, die ik telkens weer naar jullie zend, maar voor wie jullie tot nu toe doof waren, 6
26:6
Jer. 7:12-14
dan zal ik met deze tempel hetzelfde doen als met Silo, zodat alle volken op aarde de naam van deze stad als een vloek zullen gebruiken.’

7De priesters, de profeten en alle andere aanwezigen in de tempel hoorden Jeremia deze woorden spreken. 8Nadat hij tegen hen gezegd had wat de HEER hem had opgedragen, grepen ze hem vast. ‘Sterven moet jij!’ riepen ze. 9‘Hoe durf je in de naam van de HEER te profeteren dat het deze tempel zal vergaan als Silo en dat deze stad een ruïne wordt waar niemand nog zal wonen?’ Al het volk in de tempel liep tegen Jeremia te hoop. 10Toen de leiders van Juda hoorden wat er gebeurde, kwamen ze van het koninklijk paleis naar de tempel en namen ze plaats in het nieuwe poortgebouw. 11De priesters en de profeten namen het woord. Ze zeiden tegen de leiders en alle andere aanwezigen: ‘Deze man verdient de dood. U hebt zelf kunnen horen wat hij over deze stad heeft geprofeteerd.’ 12Jeremia antwoordde: ‘Het is de HEER die mij gezonden heeft om te profeteren wat u over deze tempel en deze stad hebt gehoord. 13Beter daarom uw leven en luister naar de HEER, uw God, opdat hij afziet van het onheil dat hij u heeft aangekondigd. 14Wat mijzelf betreft: ik ben in uw handen, u kunt met mij doen wat u goed en rechtvaardig acht. 15Maar besef wel dat u door mij te doden onschuldig bloed vergiet, waarvoor u zelf, deze stad en de inwoners zullen boeten, want werkelijk, de HEER heeft mij gestuurd om u te waarschuwen.’ 16Toen zeiden de leiders en de andere aanwezigen tegen de priesters en de profeten: ‘Deze man kan niet ter dood gebracht worden, want hij heeft in de naam van de HEER, onze God, tot ons gesproken.’ 17En enkele van de oudsten van het land stonden op en zeiden tegen het samengestroomde volk: 18

26:18
Micha 3:12
‘Toen Hizkia koning van Juda was trad Micha uit Moreset op als profeet. Hij zei tegen het volk van Juda: “Dit zegt de HEER van de hemelse machten: De Sion zal als een akker worden omgeploegd, Jeruzalem zal tot een puinhoop worden, de tempelberg tot een overwoekerde heuvel.” 19Maar hebben koning Hizkia en de bevolking van Juda Micha ter dood gebracht? Hizkia had ontzag voor de HEER en wist hem gunstig te stemmen, zodat de HEER afzag van het onheil dat hij hun had aangekondigd. Als we deze man doden, roepen we groot onheil over ons af!’

20Er was nog een ander die als profeet optrad in de naam van de HEER: Uria uit Kirjat-Jearim, de zoon van Semaja. Ook hij profeteerde tegen Jeruzalem en Juda, en hij verkondigde hetzelfde als Jeremia. 21Toen koning Jojakim, de bevelhebbers en de raadsheren zijn profetieën hoorden, wilde de koning hem ter dood laten brengen. Uria kwam dat te weten en vluchtte in paniek naar Egypte. 22Maar de koning stuurde Elnatan, de zoon van Achbor, met een aantal mannen achter hem aan. 23Ze haalden Uria terug en leidden hem voor koning Jojakim, die hem liet doden. Zijn lijk liet hij in een gewoon volksgraf werpen.

24Maar Jeremia werd beschermd door Achikam, de zoon van Safan, zodat hij niet werd uitgeleverd aan het volk, dat hem wilde doden.