Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
15

151

15:1
Ex. 32:11-14
Num. 14:13-19
1 Sam. 7:5-9
De HEER zei tegen mij: ‘Zelfs al zouden Mozes en Samuel voor mij staan, dan nog zou ik dit volk geen gehoor geven. Stuur het weg, laat het uit mijn ogen verdwijnen. 2
15:2
Jer. 43:11
Op. 13:10
En als ze je vragen waar ze naartoe moeten, zeg dan: Dit zegt de HEER:

Wie bestemd is voor de pest – naar de pest,

wie bestemd is voor het zwaard – naar het zwaard,

wie bestemd is voor de honger – naar de honger,

wie bestemd is voor het ballingsoord – naar het ballingsoord.

3
15:3
Jer. 14:12
Ik zal vier machten op hen afsturen – spreekt de HEER: het zwaard om te doden, honden om weg te sleuren, roofvogels en wilde dieren om te verscheuren en te verslinden. 4
15:4
2 Kon. 21:1-16
2 Kron. 33:1-9
Jer. 24:9
29:18
34:17
Om wat koning Manasse van Juda, de zoon van Hizkia, in Jeruzalem heeft gedaan, maak ik hen tot een afschrikwekkend voorbeeld voor alle koninkrijken op aarde.

5

15:5
Jes. 51:19
Jeruzalem, wie is nog met je begaan,

wie zal om jou een klaaglied aanheffen,

wie zal nog naar je toe komen

en vragen hoe het met je is?

6Je hebt me verlaten – spreekt de HEER –,

je hebt me de rug toegekeerd.

Daarom hef ik mijn hand op

en sla ik je neer.

Ik ben mijn mededogen moe.

7Ik verjaag je uit de steden van het land,

ik beroof je van je kinderen.

Ik zal mijn volk ombrengen,

want het heeft zijn leven niet gebeterd.

8Er zullen meer weduwen zijn dan zandkorrels aan de zee.

Op de moeders van jonge soldaten

stuur ik geweldenaars af,

op het heetst van de dag.

Ik tref hen onverhoeds met angst en ontzetting.

9Moeders die zeven kinderen hebben gebaard

zullen bezwijken en in onmacht vallen.

Hun zon gaat onder op klaarlichte dag,

ze worden van hun hoop beroofd en staan te schande.

En wie het overleeft, lever ik uit aan het zwaard,

geef ik aan zijn vijanden prijs

– spreekt de HEER.’

Klacht van Jeremia

10‘Wee mij! Ach moeder, dat u mij moest baren!

Ik wek overal ergernis, iedereen bestrijdt mij.

Ik ben niemands schuldeiser, en heb zelf geen schulden,

toch word ik door iedereen vervloekt.

11HEER, ik heb voor hen toch tot u gebeden,15:11 HEER, ik heb voor hen toch tot u gebeden – Voorgestelde lezing ondersteund door de Septuaginta. MT: ‘De HEER zei: “Ik zal u zeker bevrijden!”’

voor hen gepleit in tijden van rampspoed en nood?

12Maar het ijzer en het brons uit het noorden

doen hun vernietigend werk.’

13

15:13-14
Jer. 17:3-4
‘Jullie rijkdommen en schatten laat ik plunderen,

dat is de prijs voor15:13 dat is de prijs voor – Volgens de Septuaginta. MT: ‘niet voor een prijs en om’. de zonden die je overal beging.

14Ik maak jullie tot slaaf van je vijanden15:14 Ik maak jullie tot slaaf van je vijanden – Volgens sommige Hebreeuwse handschriften en oude vertalingen. MT: ‘Ik laat je vijanden voorbijgaan’.

in een onbekend land.

Want het vuur van mijn toorn slaat uit,

de vlammen zullen jullie verzengen.’

15

15:15
Ps. 69:8
‘O HEER, u kent mij.

Denk aan mij, bekommer u om mij,

wreek mij op mijn achtervolgers.

Heb met hen niet zo veel geduld

dat het mij het leven kost.

Weet dat ik omwille van u belasterd word.

16Telkens als ik uw woorden hoorde,

nam ik ze als voedsel tot mij.

Uw woorden gaven mij een diepe vreugde,

want ik behoor u toe, o HEER,

God van de hemelse machten.

17Nooit was ik in vrolijk gezelschap,

nooit heb ik plezier gemaakt.

Eenzaam was ik, door uw toedoen,

u had mij immers volgegoten met uw woede.

18Waarom blijft mijn lijden duren,

is mijn wond niet te genezen,

waarom wil hij maar niet helen?

U hebt mij teleurgesteld,

als een beek die drooggevallen is.’

19‘Dit zegt de HEER:

Als je bij mij terugkeert en ik je aanneem,

zul je mij weer dienen.

Als je waardige woorden spreekt, niets onwaardigs,

zul je weer mijn zegsman zijn.

Laat dit volk zich naar jou richten,

jij mag je niet richten naar hen.

20

15:20
Jer. 1:18-19
Ik maak jou voor dit volk

tot een bronzen vestingmuur.

Ze zullen je bestrijden,

maar je niet overwinnen,

want ik zal je terzijde staan

om je te beschermen en te redden

– spreekt de HEER.

21Ik zal je redden uit de handen van boosdoeners,

ik bevrijd je uit de greep van geweldenaars.’

16

Jeremia’s levenslot als voorbeeld

161De HEER richtte zich tot mij: 2‘Je mag in dit land niet trouwen en geen kinderen krijgen, 3want dit zegt de HEER over de kinderen die hier geboren zullen worden, over de moeders die hen zullen baren en de vaders die hen zullen verwekken: 4

16:4
Jer. 8:2
Ze zullen aan dodelijke ziekten sterven. Niemand zal om hen rouwen en niemand zal hen begraven; ze zullen als mest op de akkers blijven liggen. Anderen zullen sterven door het zwaard en de honger. Hun lijken vallen ten prooi aan roofvogels en wilde dieren.

5Dit zegt de HEER: Ga niet naar een huis waar een rouwmaaltijd gehouden wordt; rouw niet mee en toon geen medeleven, want ik ontneem dit volk mijn vriendschap, liefde en erbarmen – spreekt de HEER –, 6zodat groot en klein in dit land zullen sterven. Ze zullen niet worden begraven en niemand zal om hen rouwen, niemand zal zijn lichaam kerven of zich kaalscheren van verdriet. 7

16:7
Ezech. 24:17
Niemand zal voor hen die rouwen brood breken om hen te troosten, niemand zal hun als troost een beker aanreiken, zelfs al rouwen ze om hun vader of moeder. 8Ga ook niet naar een huis waar feest wordt gevierd om daar te eten en te drinken. 9
16:9
Jer. 7:34
25:10
Op. 18:23
Want dit zegt de HEER van de hemelse machten, de God van Israël: Jullie zullen nog meemaken dat ik in dit land de vreugdezangen laat verstommen en bruid en bruidegom hun lied ontneem.

10

16:10
Jer. 5:19
Als je dit alles tegen het volk zegt en ze je vragen: “Waarom dreigt de HEER ons met dit onheil, wat hebben wij misdaan, welke zonde hebben wij tegen de HEER, onze God, begaan?” 11
16:11
Deut. 29:24
zeg dan tegen hen: Jullie voorouders hebben mij verlaten – spreekt de HEER – en zijn achter andere goden aan gelopen; ze hebben hen gediend en zich voor hen neergebogen. Maar mij hebben ze verlaten en mijn wet hebben ze niet in acht genomen. 12En jullie hebben het nog erger gemaakt, want ieder van jullie laat zich nu leiden door zijn koppig en boosaardig hart in plaats van naar mij te luisteren. 13Daarom zal ik jullie wegwerpen: ik verdrijf jullie naar een land dat jullie niet kennen en dat ook jullie voorouders niet hebben gekend. Daar zullen jullie andere goden dienen, dag en nacht, en ik zal geen medelijden met jullie hebben.

14

16:14-15
Jer. 23:7-8
16:14
Ex. 20:2
De dag zal komen – spreekt de HEER – dat er niet meer wordt gezegd: “Zo waar de HEER leeft, die het volk van Israël uit Egypte heeft bevrijd,” 15maar: “Zo waar de HEER leeft, die het volk van Israël uit het land van het Noorden heeft bevrijd en uit de andere landen waarheen hij het verdreven had.” Ik zal hen terugbrengen naar hun land, dat ik hun voorouders gegeven heb.

16Ik laat vissers komen om hen te vangen – spreekt de HEER –, en daarna laat ik jagers komen om hen op elke berg en elke heuvel, zelfs in de rotskloven op te jagen. 17Ik zie alles wat ze doen, niets is voor mij verborgen, hun wandaden ontgaan mij niet. 18Daarom zal ik hen eerst dubbel laten boeten voor hun wandaden en zonden, omdat ze mijn land hebben vol gezet met die gruwelijke en levenloze afgodsbeelden en het zo hebben ontwijd.’

Alleen de HEER is een toevlucht

19‘O HEER, mijn kracht en mijn burcht,

mijn toevlucht in tijden van nood.

Van de einden der aarde komen alle volken naar u toe.

Ze zullen zeggen: “De goden van onze voorouders

blijken niets dan bedrog,

ze zijn niets waard, ze bieden geen hulp.”’

20‘Kan een mens soms goden maken?

Wat hij maakt – goden zijn het niet!

21Daarom zal ik hun doen voelen –

ditmaal zal ik hun doen voelen mijn machtige hand,

opdat ze weten dat mijn naam HEER is.

17

171De zonde van de Judeeërs staat geschreven met een ijzeren stift,

met een diamanten punt staat ze gegrift in hun hart

en op de horens van hun altaren.

2Ook hun kinderen houden hun altaren en Asjerapalen in ere,

bij bladerrijke bomen en op hoge heuvels.

3

17:3-4
Jer. 15:13-14
Jullie die de stad verlaten en de bergen zoeken,

je rijkdom, schatten en offerhoogten laat ik plunderen,

om de zonden die jullie overal hebben begaan.

4Het land dat ik je schonk, zul je moeten verlaten,

ik maak je de slaaf van je vijanden in een onbekend land.

Want mijn toorn slaat uit17:4 slaat uit – Volgens sommige Hebreeuwse handschriften en de Septuaginta. MT: ‘jullie slaan uit’. als een vuur

en zal altijd blijven woeden.

5

17:5
Ps. 146:3-4
Dit zegt de HEER:

Vervloekt wie op een mens vertrouwt,

wie zijn kracht ontleent aan stervelingen,

wie zich afkeert van de HEER.

6Hij is als een struik in een dorre vlakte,

hij merkt de komst van de regen niet op.

Hij staat in een steenwoestijn,

in een verzilt en verlaten land.

7

17:7
Ps. 40:5
Gezegend wie op de HEER vertrouwt,

wiens toeverlaat de HEER is.

8

17:8
Ps. 1:3
Hij is als een boom geplant aan water,

zijn wortels reiken tot in de rivier.

Hij merkt de komst van de hitte niet op,

zijn bladeren blijven altijd groen.

Tijden van droogte deren hem niet,

steeds weer draagt hij vrucht.

9Niets is zo onbetrouwbaar als het hart,

onverbeterlijk is het, wie zal het kennen?

10

17:10
Ps. 62:13
Spr. 17:3
Jer. 11:20
32:19
Mat. 16:27
Op. 2:23
Ik, de HEER, ben het die het hart doorgrondt,

die nieren toetst,

die ieder naar zijn levenswandel beloont,

aan ieder geeft wat hij verdient.

11Zoals een patrijs eieren uitbroedt

die ze niet heeft gelegd,

zo is een mens die op oneerlijke wijze rijkdom verwerft.

In de bloei van zijn leven verliest hij alles,

als zijn einde komt, blijkt zijn dwaasheid.’

12‘Een luisterrijke troon,

hoog verheven vanaf het begin,

dat is ons heiligdom.

13

17:13
Jer. 2:13
14:8
HEER, bron van Israëls hoop,

wie u verlaten, zullen te schande staan,

wie van u weggaan, zullen in het stof worden geschreven,

want ze hebben de HEER, de bron van levend water, verlaten.

14

17:14
Ps. 6:3-4
Genees mij, HEER, dan zal ik gezond zijn,

red mij, dan zal ik veilig zijn.

Kon ik u niet altijd prijzen?

15Ze zeggen tegen mij:

“Wat komt er uit van de woorden van de HEER?”

16Ik ben u, mijn herder, nooit ontvlucht,

naar een onheilsdag heb ik nooit uitgezien.

U weet wat over mijn lippen komt,

al mijn woorden zijn u bekend.

17Word niet mijn ondergang – niet u!

U bent toch mijn toevlucht in tijden van nood?

18Laat mijn achtervolgers te schande staan – niet mij!

Laat hen ten onder gaan – niet mij!

Breng onheil over hen,

tref hen, tref hen dodelijk.’

De sabbat als heilige dag

19Dit zei de HEER tegen mij: ‘Ga in de Volkspoort staan, die de koningen van Juda plegen te gebruiken, en in de andere poorten van Jeruzalem. 20Verkondig daar: Koningen van Juda, inwoners van Juda en Jeruzalem, jullie die door deze poorten naar binnen gaan, luister naar de woorden van de HEER. 21

17:21-22
Neh. 13:15-22
Dit zegt de HEER: Wacht je er terdege voor om op sabbat goederen door de poorten van Jeruzalem naar binnen te brengen 22
17:22
Ex. 20:8-10
Deut. 5:12-14
en om uit jullie huizen goederen naar buiten te brengen. Verricht ook verder geen enkele bezigheid en vier de sabbat als heilige dag zoals ik jullie voorouders geboden heb. 23
17:23
Jer. 7:26
19:15
Maar zij luisterden niet, schonken mij geen gehoor; zij waren halsstarrig en ongehoorzaam en lieten zich niet terechtwijzen. 24
17:24-25
Jer. 22:4-5
Als jullie wel naar mij luisteren – spreekt de HEER – en op sabbat geen goederen door de poorten van deze stad naar binnen brengen, de sabbat als heilige dag vieren en niet werken, 25
17:25
Ezech. 37:25
Joël 4:20
dan zullen Davids troonopvolgers door de poorten van deze stad naar binnen gaan, gezeten op paarden of rijdend op wagens en vergezeld van hun raadsheren en de inwoners van Juda en Jeruzalem. Dan zal deze stad altijd bewoond blijven. 26En uit de steden van Juda, de omgeving van Jeruzalem, het stamgebied van Benjamin, het heuvelland, het bergland en de Negev zal men brandoffers, vredeoffers, graanoffers, dankoffers en wierook naar de tempel van de HEER brengen. 27Maar als jullie geen gehoor geven aan mijn gebod om de sabbat als heilige dag te vieren, als jullie op die dag goederen door de poorten van Jeruzalem naar binnen blijven brengen, zal ik de poorten in vlammen doen opgaan, en zal vuur de burchten van Jeruzalem verteren – en niemand die het zal blussen.’