Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
12

121

12:1-2
Job 21:7
12:1
Ps. 73:1-3
HEER, u staat altijd in uw recht

als ik het tegen u opneem.

Toch vraag ik, hoe verantwoordt u

dat boosdoeners in voorspoed leven,

en trouwelozen rust genieten?

2U hebt hen geplant, ze schoten wortel,

liepen uit en droegen vrucht.

Ze hebben de mond vol van u,

maar dragen u niet in het hart.

3

12:3
Jer. 11:19
Maar mij kent u, HEER, u ziet mij,

u weet dat ik u in mijn hart draag.

Sleep die boosdoeners weg,

voer ze als schapen naar de slachtbank,

zonder ze af om ze te laten doden.

4

12:4
Jer. 5:20-25
8:18-23
Hoe lang nog zal de aarde treuren,

zullen gras en bloemen verdorren?

Het vee en de vogels komen om

door de wandaden van haar bewoners,

die denken: Hij voorziet niet hoe ons einde zal zijn.’

5‘Als het je al zwaar valt snelle lopers bij te houden,

kun je het dan tegen paarden opnemen?

Jij struikelt al op het vlakke land,

wat kun je dan beginnen in het struikgewas bij de Jordaan?

6Ook je broers en zusters, je hele familie,

zullen je laten vallen,

ook zij zullen je naschreeuwen.

Vertrouw hen niet,

al zijn ze nog zo vriendelijk.

Straf en ontferming voor Israël en zijn buurvolken

7Ik heb mijn volk verlaten,

mijn bezit opgegeven,

mijn zielsbeminde aan haar vijanden overgeleverd.

8Mijn eigen volk werd als een leeuw in het bos,

het brulde tegen mij.

Daarom ben ik het gaan haten.

9Mijn volk is een nest hyena’s,

en gieren cirkelen eromheen.

Breng wilde dieren bijeen,

laat ze komen om het te verslinden.

10

12:10
Jer. 6:3
Talloze herders hebben mijn wijngaard vernield,

mijn akker laten vertrappen.

Ze hebben mijn prachtige akker

tot een troosteloze woestenij gemaakt.

11Hij is een wildernis geworden,

dor en verlaten ligt hij erbij.

Heel het land is verwilderd,

want niemand bekommert zich erom.

12Op de kale heuvels in de woestijn

doemen vernietigende legers op,

de HEER houdt een verslindend zwaard gereed.

Niemand is meer veilig, nergens in het land.

13Ze hebben tarwe gezaaid, maar distels geoogst.

Ze hebben tevergeefs gezwoegd,

ze staan verslagen bij hun oogst,

door de brandende toorn van de HEER.

14Dit zegt de HEER: Alle slechte buren die het bezit hebben aangetast dat ik mijn volk Israël gegeven heb, zal ik uit hun eigen land wegrukken. Het volk van Juda ruk ik ook weg. 15Maar daarna zal ik mij opnieuw over hen ontfermen en ieder naar zijn eigen land en eigen bezit laten terugkeren. 16

12:16
Jer. 4:2
En zoals zij mijn volk hebben geleerd om bij Baäl te zweren, zo moeten zij van mijn volk leren om bij mijn naam te zweren: “Zo waar de HEER leeft.” Dan zullen ze worden opgenomen in mijn volk. 17Maar een volk dat niet luistert ruk ik uit, voor eens en altijd – spreekt de HEER.’

13

Ondergang van Juda

131De HEER zei tegen mij: ‘Koop een linnen gordel en bind die om je middel; zorg dat hij niet nat wordt.’ 2Ik kocht een gordel, zoals de HEER mij opgedragen had, en bond die om mijn middel. 3Hierna richtte de HEER zich opnieuw tot mij: 4‘Ga met de gordel die je gekocht hebt en die je om je middel draagt naar de Perat en verberg hem daar in een rotsspleet.’ 5Ik verborg de gordel bij de Perat, zoals de HEER mij opgedragen had. 6Geruime tijd later zei de HEER: ‘Ga naar de Perat en haal de gordel tevoorschijn, die je daar op mijn bevel verborgen hebt.’ 7Ik ging naar de Perat, haalde op de plaats waar ik hem verborgen had de gordel tevoorschijn en zag dat hij vergaan was. Hij diende nergens meer toe. 8Toen richtte de HEER zich tot mij: 9‘Dit zegt de HEER: Op dezelfde manier zal ik de grote roem van Juda en Jeruzalem laten vergaan. 10Dit verdorven volk, dat weigert naar mijn woorden te luisteren, dat zich laat leiden door zijn koppige hart en achter andere goden aan loopt, dat hen dient en zich voor hen neerbuigt, zal als deze gordel worden, die nergens meer toe dient. 11Want zo vast als een gordel om het lichaam van een man, zo vast wilde ik heel Israël en Juda aan mij binden – spreekt de HEER. Ze zouden mijn volk zijn, mijn eer, mijn roem, mijn glorie. Maar ze hebben niet geluisterd.

12Zeg tegen hen: Dit zegt de HEER, de God van Israël: Kruiken vult men met wijn. En als ze dan zeggen: “Dat weten wij ook wel, dat men kruiken met wijn vult,” 13

13:13
Jes. 51:17
zeg dan tegen hen: Dit zegt de HEER: Ik zal de hele bevolking van dit land, Davids troonopvolgers, de priesters, de profeten en de inwoners van Jeruzalem volgieten tot ze dronken zijn. 14En dan sla ik hen tegen elkaar aan stukken, zowel vaders als kinderen – spreekt de HEER. Ik zal hen niet sparen, ik zal onverbiddelijk zijn, geen medelijden hebben, maar hen vernietigen.’

15‘Luister, open je oren,

wees niet zo trots,

want de HEER heeft gesproken.

16

13:16
Amos 5:18
Eer hem, de HEER, jullie God,

voordat het donker wordt

en jullie struikelen in de bergen,

voordat de duisternis intreedt

en jullie hopen op het licht,

terwijl hij het aardedonker maakt

en alles hult in diepe duisternis.

17Als jullie niet naar deze oproep luisteren,

zal ik eenzaam huilen om jullie hoogmoed,

dan vergiet ik vele tranen,

dan zullen mijn ogen in tranen baden,

want de kudde van de HEER wordt weggevoerd.

18Zeg tegen de koning en de koningin-moeder:

Kom van je verheven zetel af,

want jullie kostbare kroon,

dat teken van vorstelijke waardigheid, zal vallen.

19De steden van de Negev worden vergrendeld,

niemand kan erin.

Juda wordt verbannen,

in zijn geheel wordt het weggevoerd.

20Kijk wie daar nadert uit het noorden.

Jeruzalem, waar is de kudde, aan jou toevertrouwd,

waar zijn je kostbare schapen?

21Wat zul je zeggen als je heerser zich tegen je keert,

die je zelf gekozen hebt?

Zul je dan niet ineenkrimpen van pijn

als een vrouw in barensnood?

22

13:22
Jer. 5:19
Dan zul je zeggen: “Waarom treft mij dit?”

Om je talloze wandaden worden je kleren afgerukt

en wordt je eer geschonden.

23Kan een Nubiër zijn huid veranderen,

of een panter zijn vlekken?

Zouden jullie, vergroeid met het kwaad,

dan iets goeds kunnen doen?

24Ik zal jullie verstrooien,

als stro dat in de woestijnwind verwaait.

25Dit is je lot, dit heb ik je toebedeeld

– spreekt de HEER –

omdat je mij vergeten bent,

vertrouwde op bedrog.

26Ikzelf trek je mantel omhoog, tot over je gezicht,

je naaktheid wordt tentoongespreid,

27je overspel, je wellust en je schandelijke hoererij.

Ik heb ze wel gezien,

je gruwelijke daden op de heuvels, op de akkers.

Wee jou, Jeruzalem, word je ooit nog rein?’

14

De grote droogte

141

14:1-6
Lev. 26:18-20
Dit zijn de woorden die de HEER richtte tot Jeremia naar aanleiding van de grote droogte:

2

14:2
Klaagl. 1:4
‘Juda treurt, de steden kwijnen weg,

in het zwart gehuld zit de bevolking op de grond,

jammerklachten klinken uit Jeruzalem.

3De rijken sturen hun knechten om water.

Ze komen bij de putten,

maar water vinden ze niet.

Met lege kruiken keren ze terug.

Verslagen en beschaamd

houden ze hun gezicht bedekt.

4

14:4
Jer. 3:3
De aarde is ontzet over haar eigen opbrengst,

want het heeft niet geregend op het land.

De boeren staan verslagen,

ze houden hun gezicht bedekt.

5Ja, zelfs de hinde in het veld

laat het jong dat ze wierp in de steek,

want er is geen groen.

6Op kale heuvels happen wilde ezels

als jakhalzen naar adem.

Hun ogen breken,

want er is geen gras.’

7

14:7
Jes. 59:12
HEER, al getuigen onze wandaden tegen ons,

grijp toch in omwille van uw naam.

Talloze malen waren wij u ontrouw,

wij hebben tegen u gezondigd.

8Bron van hoop voor Israël,

redder in tijden van nood,

waarom bent u als een vreemdeling in dit land,

als een reiziger die maar één nacht blijft?

9

14:9
Deut. 28:10
Jer. 15:16
Waarom bent u als een radeloze man,

als een soldaat die ons niet kan redden?

U bent toch in ons midden, HEER,

wij behoren u toch toe?

Laat ons niet in de steek.’

10

14:10
Hos. 8:13
‘De HEER zegt over dit volk:

Maar al te graag dwalen ze weg,

ze sparen hun voeten niet.

De HEER schept geen behagen meer in hen.

Nu brengt hij hun wandaden in rekening,

nu bestraft hij hun zonden.’

11De HEER zei tegen mij: ‘Bid niet voor het welzijn van dit volk. 12

14:12
Ezech. 5:12
14:21
Op. 6:8
Ook al vasten ze, ik zal niet naar hun smeekbeden luisteren. Ook al brengen ze brandoffers en graanoffers, die zullen mij niet behagen. Ik zal hen vernietigen met het zwaard, de honger en de pest.’ 13Ik zei: ‘Ach HEER, mijn God, hun profeten verkondigen: “Het zwaard zal jullie bespaard blijven en jullie zullen geen honger lijden; ik schenk jullie blijvende vrede in dit land.”’ 14
14:14
Jer. 5:31
27:10
29:9
De HEER antwoordde: ‘Die profeten verkondigen leugens, en dat in mijn naam. Ik heb hen niet gezonden, hun niets opgedragen, niet tot hen gesproken. De visioenen die ze profeteren zijn leugens, waarzeggerij, holle woorden en eigen verzinsels. 15Daarom – dit zegt de HEER over de profeten die ik niet gezonden heb, maar die in mijn naam profeteren dat dit land niet door het zwaard en de honger zal worden getroffen: Zij zullen zelf door het zwaard en de honger omkomen. 16En de straten van Jeruzalem zullen bezaaid liggen met de lijken van hun toehoorders, geveld door de honger en het zwaard. Er zal niemand zijn die hen en hun vrouwen, zonen en dochters begraaft. Zo stort ik hun eigen kwaad over hen uit.

17Zeg tegen hen:

Laten mijn ogen vloeien van tranen,

nacht en dag.

Ogen, kom niet tot rust,

want mijn volk is deerlijk verwond,

niet te helen is zijn letsel.

18Als ik naar de akkers ga, zie ik ze liggen,

geveld door het zwaard.

Als ik de stad in ga, zie ik ze liggen,

uitgeteerd door de honger.

Zelfs profeten, zelfs priesters

komen terecht in een onbekend land.’

19

14:19
Jer. 8:15
‘Hebt u Juda verworpen,

hebt u van de Sion een afkeer gekregen?

Waarom hebt u ons zo hard geslagen

dat er geen genezing voor ons is?

Wij hoopten op vrede, maar vrede bleef uit,

wij verwachtten genezing, maar angst overviel ons.

20HEER, wij bekennen onze schuld,

en de schuld van onze voorouders:

wij hebben tegen u gezondigd.

21Maar verstoot ons toch niet,

doe het niet, omwille van uw naam.

Ontluister uw troon toch niet,

denk aan uw verbond met ons, verbreek het niet.

22Brengen die nietige goden van andere volken soms regen,

of schenkt de hemel buien uit zichzelf?

U, de HEER, onze God, doet dat toch?

Wij vestigen onze hoop op u,

want u hebt alles gemaakt.’

Door deze website verder te gebruiken ga je akkoord met plaatsing en gebruik van cookies door het NBG en derden conform onze privacyverklaring.[bericht verbergen]