Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
6

61Toen het rumoer onder de mannen in de vergadering verstomd was, richtte Holofernes, de opperbevelhebber van het Assyrische leger, zich ten overstaan van alle vreemdelingen en van de Moabieten tot Achior: 2

6:2
Jes. 36:18-20
37:4
Dan. 3:14-18
Judit 3:8
‘Wie denk je wel dat je bent, Achior met je huurlingen van Efraïm, dat je zoals vandaag bij ons de profeet komt spelen? Denk jij ons te kunnen vertellen dat wij geen oorlog moeten beginnen tegen het volk van Israël omdat hun God hen beschermt? Alleen Nebukadnessar is god. Híj zal zijn macht doen gelden en hen van de aardbodem wegvagen. Hun God zal hen niet kunnen redden. 3Integendeel, wij, dienaren van Nebukadnessar, zullen hen in één klap verpletteren. Tegen de macht van onze paarden zullen ze niet bestand zijn, 4want als een vloedgolf zullen die hen overspoelen. Hun bergen zullen dronken worden van hun bloed, hun vlakten zullen bezaaid worden met hun doden. Ze zullen ons geen strobreed in de weg kunnen leggen, maar jammerlijk ten onder gaan – zo spreekt koning Nebukadnessar, de heer van de hele aarde. Hij heeft gesproken, en zijn woorden zullen geen loze woorden zijn.

5

6:5
Judit 5:12
Maar jij, Achior, Ammonitische huurling, hebt vandaag door zo te spreken je vonnis getekend: je zult mij niet meer zien van deze dag af totdat ik me gewroken heb op dat volk uit Egypte, 6
6:6
Judit 16:12
en bij mijn terugkeer zul je door het zwaard van mijn soldaten en door de lans van mijn dienaren worden doorboord, en dan zal ook jij tot hun slachtoffers gerekend worden. 7Mijn mannen brengen je nu naar het bergland en laten je bij een van de steden aan een bergpas achter. 8Je zult gespaard blijven totdat je met de mensen daar wordt omgebracht. 9En mocht je nog de hoop koesteren dat zij niet in onze handen zullen vallen, laat dan het hoofd niet hangen. Maar ik heb gesproken, en alles wat ik heb gezegd zal uitkomen.’

10Daarop gaf Holofernes de mannen bij zijn tent bevel om Achior gevangen te nemen en naar Betulia te brengen om hem aan de Israëlieten uit te leveren. 11Ze namen hem gevangen en brachten hem vanuit de legerplaats naar de vlakte en van daar naar het bergland, tot ze bij de bronnen onder Betulia kwamen. 12Zodra de mannen van de hoger gelegen stad hen zagen, grepen ze hun wapens en gingen de stad uit naar de top van de berg. Slingeraars beletten Holofernes’ mannen naar boven te komen door stenen naar hen te werpen. 13De Assyriërs zochten dekking aan de voet van de berg en knevelden Achior. Ze lieten hem daar liggen en keerden terug naar hun heer.

14Toen de Israëlieten uit de stad afdaalden en bij Achior waren gekomen, maakten ze hem los en namen hem mee naar Betulia. Ze leidden hem voor aan de toenmalige stadsbestuurders: 15Ozias, de zoon van Micha, uit de stam Simeon, Chabris, de zoon van Gotoniël, en Karmi, de zoon van Melchiël. 16Die riepen alle oudere mannen van de stad bijeen, en ook alle jongemannen en de vrouwen kwamen naar de vergadering. Nadat ze Achior in het midden van het verzamelde volk hadden gezet, ondervroeg Ozias hem over wat er gebeurd was. 17

6:17
Judit 5:5-22
Daarop vertelde hij wat er allemaal in de vergadering bij Holofernes was gezegd, over wat hij zelf had gezegd ten overstaan van de Assyrische leiders, en over Holofernes’ grootspraak ten aanzien van het volk van Israël. 18Toen boog het volk zich eerbiedig neer en bad tot God: 19‘Heer, God van de hemel, zie toch hun hoogmoed en ontferm u over ons, nu wij zo vernederd worden. Sla nu acht op degenen die u toegewijd zijn.’ 20Ze spraken Achior moed in en prezen hem zeer. 21Na de vergadering nam Ozias hem mee naar zijn huis, waar hij de oudsten een maaltijd aanbood. En de hele nacht riepen ze de God van Israël om hulp.

7

Betulia in het nauw

71De volgende morgen gaf Holofernes aan heel zijn leger en al het volk dat hem in de strijd vergezelde het bevel om naar Betulia op te trekken, de bergpassen te bezetten en de strijd aan te binden met de Israëlieten. 2

7:2
Judit 2:15
Diezelfde dag nog braken alle manschappen op; ze vormden een troepenmacht van honderdzeventigduizend man voetvolk en twaalfduizend ruiters, nog afgezien van de legertros en de overige mannen die te voet met hen meetrokken – een enorme menigte. 3Ze betrokken stellingen in het dal, vlak bij Betulia, bij de bron; hun linies strekten zich in de breedte uit van Dotan tot Belbaïm en in de lengte van Betulia tot Kyamon, dat tegenover Esdrelon ligt. 4Toen de Israëlieten die menigte zagen, waren ze hevig verontrust en zeiden tegen elkaar: ‘Ze komen het hele land afstropen; bergtoppen, ravijnen en heuvels zullen onder hun druk bezwijken.’ 5
7:5
1 Mak. 12:28-29
Ze gordden hun wapens aan, ontstaken vuren op de torens en bleven de hele nacht de wacht houden.

6De volgende dag liet Holofernes voor het oog van de Israëlieten in Betulia heel zijn ruitermacht uitrukken. 7Hij inspecteerde de toegangswegen naar de stad en maakte een ronde langs de waterbronnen. Hij bezette ze en plaatste er wachtposten; daarna reed hij terug naar zijn troepen. 8Toen kwamen alle leiders van de Edomieten, de aanvoerders van de Moabieten en de veldheren van het kustgebied bij hem en zeiden: 9‘Heer, sta ons toe u iets te zeggen om te voorkomen dat er een bres wordt geslagen in uw leger. 10

7:10
1 Kon. 20:23
Dat volk, de Israëlieten, vertrouwt niet op zijn speren maar op de hoogte van de bergen waar ze wonen, want het is niet eenvoudig de bergtoppen te bereiken. 11Welnu, heer, voer geen oorlog tegen hen als in een gebruikelijke veldslag, dan zal er aan uw kant geen man vallen. 12Blijf in uw legerkamp en zorg dat ook uw manschappen daar blijven. Maar laat uw dienaren de waterbron bezetten die aan de voet van de berg ontspringt, 13want daar putten de inwoners van Betulia hun water; dan zullen ze omkomen van de dorst en hun stad overgeven. Intussen zullen wij met onze mannen stellingen innemen op de bergtoppen rondom, om erop toe te zien dat niemand de stad verlaat. 14Ze zullen van honger sterven, zijzelf, hun vrouwen en hun kinderen; nog voor het zwaard hen treft, liggen de straten van hun stad bezaaid met hun lichamen. 15Zo zult u hen zwaar laten boeten omdat zij zich verzet hebben en u niet vreedzaam hebben ontvangen.’ 16Hun voorstel beviel Holofernes en zijn gevolg, en hij gaf bevel het uit te voeren. 17En zo trok een afdeling Ammonieten uit, samen met vijfduizend Assyriërs. Ze betrokken stellingen in het dal en bezetten de bronnen die de Israëlieten van water voorzagen. 18De Edomieten trokken intussen met de overige Ammonieten de bergen in en kozen stelling in het gebergte tegenover Dotan; een aantal van hen werd naar het zuiden en naar het oosten gestuurd om stellingen in te nemen tegenover Egrebel, nabij Chus bij de bergrivier de Mochmur. De rest van het Assyrische leger betrok stellingen in de vlakte. Een onafzienbare troepenmacht met tenten en uitrusting vulde het hele gebied; het was een enorme menigte.

19De Israëlieten riepen de Heer, hun God, aan, want ze begonnen de moed te verliezen: ze waren omsingeld door al hun vijanden en hadden geen kans om aan hen te ontkomen. 20Vierendertig dagen hield het hele Assyrische leger met al zijn voetvolk, strijdwagens en ruiters hen in zijn greep. De watervaten van de inwoners van Betulia raakten leeg 21en ook hun regenputten kwamen droog te staan. Er was geen dag dat ze naar behoefte water konden drinken, want ze waren op rantsoen gesteld. 22Kinderen kwijnden weg, vrouwen en jongemannen raakten uitgeput van de dorst, en aan het eind van hun krachten bezweken ze in de straten van de stad en in de poorten.

23Toen kwam het volk – jongemannen, vrouwen en kinderen – samen bij Ozias en de andere stadsbestuurders, en ze riepen de oudsten luidkeels toe: 24‘Laat God nu maar oordelen tussen u en ons, want u hebt ons groot onrecht aangedaan door te weigeren met de Assyriërs over vrede te spreken. 25Er is niemand die ons helpt, integendeel, God heeft ons aan hen uitgeleverd: we vergaan voor hun ogen, we komen om van de dorst. 26Buig maar voor hen en geef de stad over; laat Holofernes’ leger de stad maar buitmaken, 27

7:27
Ex. 14:12
16:2-3
want we zijn beter af wanneer we geplunderd worden. Dan worden we wel slaven, maar we blijven tenminste in leven en hoeven niet te zien hoe onze kleintjes sterven, hoe onze vrouwen en kinderen omkomen. 28De hemel en de aarde zijn onze getuigen en onze God, de Heer van onze voorouders, die ons straft voor onze zonden en voor die van onze voorouders – moge hij ons dat nu besparen.’ 29Als uit één mond steeg een grote jammerklacht op uit de kring van allen die daar waren samengekomen en ze riepen met luide stem de Heer, hun God, aan. 30Ozias zei tegen hen: ‘Houd moed, broeders en zusters, laten we het nog vijf dagen volhouden. In die tijd zal de Heer, onze God, zich wel over ons ontfermen, want hij zal ons niet voor altijd verlaten. 31Maar mocht die tijd verstrijken zonder dat er hulp komt, dan zal ik doen wat u vraagt.’ 32Daarna stuurde hij de mannen weg, ieder naar zijn post, en ze gingen terug naar de muren en torens van de stad; de vrouwen en kinderen werden naar huis gestuurd. In heel de stad heerste grote verslagenheid.

8

Betulia’s bestuurders door Judit terechtgewezen

81Dit kwam Judit ter ore. Judit was een dochter van Merari, die een zoon was van Ox, de zoon van Josef, de zoon van Uzziël, de zoon van Helkia, de zoon van Ananias, de zoon van Gideon, de zoon van Rafaïn, de zoon van Akiton, de zoon van Elia, de zoon van Chilkia, de zoon van Eliab, de zoon van Natanaël, de zoon van Salamiël, de zoon van Sarasadai, de zoon van Israël. 2Haar man Manasse, die uit dezelfde stam en familie afkomstig was, leefde niet meer. Terwijl hij bij de gersteoogst 3toezicht hield op de schovenbinders in de vlakte, was hij getroffen door een zonnesteek. Hij stierf na een ziekbed in zijn woonplaats Betulia en werd begraven bij zijn voorouders op het veld tussen Dotan en Balamon. 4Sindsdien leefde Judit als weduwe alleen, nu al drie jaar en vier maanden. 5Op het dak van haar huis had ze voor zichzelf een tent gemaakt. Ze ging als weduwe gekleed en droeg een rouwkleed om haar middel. 6Sinds de dood van haar man vastte ze iedere dag, behalve op sabbat en de dag daarvoor, daags vóór en op nieuwemaan en tijdens de feest- en hoogtijdagen die door het volk van Israël werden gevierd. 7Zij was een opvallend mooie vrouw, een elegante verschijning. Haar man Manasse had haar goud en zilver nagelaten, slaven en slavinnen, vee en akkers, waarover zij het beheer op zich nam. 8Niemand had iets op haar aan te merken, want ze leefde in groot ontzag voor God.

9

8:9
Judit 7:29-32
Toen Judit vernam wat het volk, door watergebrek moedeloos geworden, tegen de stadsbestuurder had durven zeggen, en wat Ozias allemaal had geantwoord en hoe hij hun had gezworen de stad na vijf dagen over te geven aan de Assyriërs, 10liet ze de stadsoudsten Ozias, Chabris en Karmi roepen door de slavin die de zorg had voor haar bezittingen. 11Toen zij bij haar waren gekomen, zei ze tegen hen: ‘Bestuurders van Betulia, ik heb u iets te zeggen. Het was niet goed wat u vandaag tegen het volk hebt gezegd en met een eed tegenover God hebt bekrachtigd: dat u de stad overgeeft aan onze vijanden als de Heer ons niet binnen vijf dagen te hulp komt. 12
8:12
Job 38:2
40:2,7
Wie bent u wel dat u God vandaag zo op de proef hebt durven stellen en u als mensen verheft boven God? 13U tracht de almachtige Heer te doorgronden, maar nooit zult u iets te weten komen. 14
8:14
Rom. 11:33-34
1 Kor. 2:11
U kunt niet eens de diepte van een mensenhart peilen of bevatten wat er omgaat in zijn geest. Hoe zou u dan God, de maker van dat alles, doorzien of inzicht hebben in zijn geest en zijn gedachten begrijpen? Nee, broeders, u moet de woede van de Heer, onze God, niet opwekken. 15Ook als hij weigert ons binnen die vijf dagen te helpen, is hij wel bij machte ons op zijn tijd te hulp te komen óf ons voor de ogen van onze vijanden te vernietigen. 16Maar het is niet aan u om vooruit te lopen op de besluiten van de Heer, onze God. Want God laat zich niet als een mens onder druk zetten, hij laat zich niet dwingen. 17Laten we daarom, in de verwachting dat hij ons zal redden, tot hem om hulp roepen. Als het hem behaagt, zal hij ons verhoren.

18

8:18
Judit 5:20-21
11:10
Tot op de dag van vandaag is het bij ons toch niet voorgekomen dat een stam of familie, in welke stad of landstreek ook, zelfgemaakte goden heeft aanbeden, zoals dat in vroeger dagen gebeurde? 19
8:19
Ps. 78:56
Om die reden zijn onze voorouders toen prijsgegeven aan dood en plundering en smadelijk ten onder gegaan voor de ogen van onze vijand. 20Maar wij erkennen geen andere god dan hem. Daarom mogen we verwachten dat hij ons en ons volk niet over het hoofd ziet.

21Als wij in handen van de vijand vallen, wordt heel Judea in onze val meegesleept. Dan wordt ons heiligdom geplunderd; voor die ontheiliging zal God ons verantwoordelijk houden. 22Ook zal hij, wanneer wij eenmaal als slaven onder vreemde volken leven, het ons aanrekenen dat onze volksgenoten zijn gedood, dat we in ballingschap zijn weggevoerd en ons land verloren hebben; dan worden we het mikpunt van de spot en hoon van onze meesters. 23Want op onze slavernij zal dan geen verlossing volgen, maar de Heer, onze God, zal ons aan onze schande overlaten. 24Daarom, broeders, laten we onze volksgenoten tonen wat we waard zijn, want hun leven hangt van ons af, evenals het lot van de heilige stad, de tempel en het altaar. 25

8:25
Deut. 13:4
Maar laten wij bovenal de Heer, onze God, danken, die ons op de proef stelt zoals hij dat met onze voorouders heeft gedaan. 26
8:26
Gen. 22:1-19
29:21-30:43
Bedenk toch hoe hij heeft gehandeld met Abraham en hoe hij Isaak op de proef heeft gesteld, en wat Jakob overkwam in Syrisch Mesopotamië toen hij de schapen van zijn oom Laban weidde. 27Want zoals hij hen als in vuur louterde om hun hart te doorgronden, zo is het hem er ook nu niet om begonnen ons te straffen: de Heer slaat zijn dienaren om hen aan te sporen.’

28Daarop zei Ozias tegen haar: ‘Alles wat u hebt gezegd getuigt van een zuiver hart, en niemand zal het tegenspreken. 29Het is niet voor het eerst dat u blijk geeft van uw wijsheid; al sinds uw vroegste jeugd staat u bekend om uw inzicht, en alles wat u uitdenkt is goed. 30Maar het volk lijdt zo’n hevige dorst dat het ons een belofte heeft afgedwongen, een eed die wij niet kunnen breken. 31Daarom, u als vrome vrouw, bid voor ons, dat de Heer regen zendt om onze putten te vullen, zodat we in leven blijven.’ 32Judit antwoordde: ‘Luister. Ik ga iets doen dat tot in lengte van dagen in de herinnering van ons volk zal blijven voortleven. 33U moet vannacht bij de poort staan, dan zal ik met mijn slavin de stad uit gaan. Voor de dagen zijn verstreken dat u volgens uw belofte de stad aan onze vijanden zult overgeven, zal de Heer zich door mijn toedoen over Israël ontfermen. 34Vraag niet verder wát ik ga doen, want ik zal het u pas zeggen wanneer ik het uitgevoerd heb.’ 35Toen zeiden Ozias en de andere stadsbestuurders tegen haar: ‘Ga in vrede. Moge de Heer, onze God, voor u uit gaan om zich te wreken op onze vijanden.’ 36Daarna verlieten ze de tent en keerden terug naar hun post.