Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
5

Rumoer rond Achior

51Aan Holofernes, de opperbevelhebber van het Assyrische leger, werd gemeld dat de Israëlieten zich op een aanval hadden voorbereid: ze hadden de bergpassen afgesloten, versterkingen aangebracht op alle hoge bergtoppen en in de vlakten hindernissen opgeworpen. 2Holofernes raakte buiten zichzelf van woede. Hij ontbood alle leiders van Moab, de veldheren van Ammon en alle satrapen van het kustgebied 3en zei tegen hen: ‘Mannen van Kanaän, vertel mij, wat is dat voor een volk daar in de bergen? In wat voor steden wonen ze? Hoe groot is hun leger? Waarop berust hun kracht en macht? Wie is hun koning, wie voert hun leger aan? 4En hoe wagen ze het mij niet te ontvangen zoals alle andere bewoners van het westen?’

5

5:5
Judit 11:9-10
Toen nam Achior, de aanvoerder van de Ammonieten, het woord: ‘Heer, sta uw dienaar toe iets te zeggen. Laat mij u naar waarheid inlichten over het volk dat niet ver van hier in de bergen woont; geen leugen zal over mijn lippen komen.

6Het zijn afstammelingen van de Chaldeeën, 7maar ze komen uit Mesopotamië, waar ze indertijd als vreemdelingen hebben gewoond omdat ze geen volgelingen wilden zijn van de goden van hun voorouders in het land van de Chaldeeën. 8

5:8-9
Gen. 12:1
Ze weken af van de weg van hun voorouders en aanbaden de God van de hemel, de God die ze waren gaan erkennen. Daarom werden ze door de Chaldeeën verdreven, bij hun goden vandaan; ze vluchtten naar Mesopotamië en woonden daar lange tijd als vreemdelingen. 9
5:9
Gen. 11:31-12:5
Toen gaf hun God opdracht uit het vreemde land te vertrekken en naar Kanaän te gaan. Daar vestigden ze zich en verwierven veel goud en zilver en zeer veel vee. 10
5:10
Gen. 42:1-5
46:6
Ex. 1:7
Maar toen Kanaän gebukt ging onder een zware hongersnood, trokken ze weg naar Egypte, waar ze als vreemdelingen woonden zolang ze daar te eten hadden. Ze breidden zich uit tot een volk dat niet meer te tellen was. 11
5:11
Ex. 1:8-14
Daarom keerde de koning van Egypte zich tegen hen en trof een sluwe maatregel: hij liet hen dwangarbeid verrichten in steenbakkerijen; zo werden ze vernederd en tot slaven gemaakt. 12
5:12
Ex. 7:1-12:42
Toen riepen ze hun God om hulp, en die trof heel Egypte met plagen waartegen niets bestand was; daarom verdreven de Egyptenaren hen uit hun land. 13
5:13
Ex. 14:21-22
Diezelfde God legde voor hen de Rode Zee droog 14en leidde hen naar de Sinai en Kades-Barnea. Ze verdreven alle woestijnbewoners 15
5:15
Num. 21:21-32
en gingen in het land van de Amorieten wonen. Ook roeiden ze, machtig als ze waren, alle Chesbonieten uit. En na de Jordaan te zijn overgestoken, namen ze het hele bergland in bezit 16
5:16
Joz. 12:7-24
en verdreven de Kanaänieten, Perizzieten, Jebusieten, Sichemieten en Girgasieten uit dat land, om zich er voor lange tijd te vestigen. 17
5:17-19
Ps. 106:40-46
5:17
Deut. 28:1
Zolang ze niet zondigden tegen hun God was het geluk met hen, want ze worden bijgestaan door een God die onrecht verafschuwt. 18
5:18
2 Kon. 25:1-18
Jes. 59:2
Maar toen ze de weg verlieten die hij voor hen had bepaald, werden ze in tal van oorlogen verpletterend verslagen en ten slotte in ballingschap weggevoerd naar een vreemd land. De tempel van hun God werd tot de grond toe afgebroken en hun steden werden door hun vijanden ingenomen. 19Maar ze zijn naar hun God teruggekeerd en nu zijn ze uit hun ballingsoord teruggekomen. Ze hebben Jeruzalem, waar hun heiligdom is, in bezit genomen en zich weer gevestigd in het bergland dat ze verlaten hadden.

20Welnu, machtige heer, als dit volk dwaasheden begaat en zondigt tegen zijn God, dan zullen wij zorgen dat zij daardoor ten val komen: wij zullen tegen hen optrekken en strijd voeren. 21

5:21
Judit 11:10
Maar als ze de wet van hun God niet overtreden, laat hen dan met rust, heer, anders zal hun Heer en God hen beschermen en ons tot een mikpunt van spot voor de hele wereld maken.’

22Toen Achior uitgesproken was, begon iedereen rond de tent te protesteren, en Holofernes’ edelen en de bewoners van het kustgebied en van Moab riepen dat hij een afranseling verdiende. 23‘Wij laten ons toch geen angst aanjagen door die Israëlieten? Zij missen toch ten enenmale de kracht voor een veldslag? 24Daarom: eropaf! Ze zullen voor uw leger een makkelijke prooi zijn, machtige Holofernes!’

6

61Toen het rumoer onder de mannen in de vergadering verstomd was, richtte Holofernes, de opperbevelhebber van het Assyrische leger, zich ten overstaan van alle vreemdelingen en van de Moabieten tot Achior: 2

6:2
Jes. 36:18-20
37:4
Dan. 3:14-18
Judit 3:8
‘Wie denk je wel dat je bent, Achior met je huurlingen van Efraïm, dat je zoals vandaag bij ons de profeet komt spelen? Denk jij ons te kunnen vertellen dat wij geen oorlog moeten beginnen tegen het volk van Israël omdat hun God hen beschermt? Alleen Nebukadnessar is god. Híj zal zijn macht doen gelden en hen van de aardbodem wegvagen. Hun God zal hen niet kunnen redden. 3Integendeel, wij, dienaren van Nebukadnessar, zullen hen in één klap verpletteren. Tegen de macht van onze paarden zullen ze niet bestand zijn, 4want als een vloedgolf zullen die hen overspoelen. Hun bergen zullen dronken worden van hun bloed, hun vlakten zullen bezaaid worden met hun doden. Ze zullen ons geen strobreed in de weg kunnen leggen, maar jammerlijk ten onder gaan – zo spreekt koning Nebukadnessar, de heer van de hele aarde. Hij heeft gesproken, en zijn woorden zullen geen loze woorden zijn.

5

6:5
Judit 5:12
Maar jij, Achior, Ammonitische huurling, hebt vandaag door zo te spreken je vonnis getekend: je zult mij niet meer zien van deze dag af totdat ik me gewroken heb op dat volk uit Egypte, 6
6:6
Judit 16:12
en bij mijn terugkeer zul je door het zwaard van mijn soldaten en door de lans van mijn dienaren worden doorboord, en dan zal ook jij tot hun slachtoffers gerekend worden. 7Mijn mannen brengen je nu naar het bergland en laten je bij een van de steden aan een bergpas achter. 8Je zult gespaard blijven totdat je met de mensen daar wordt omgebracht. 9En mocht je nog de hoop koesteren dat zij niet in onze handen zullen vallen, laat dan het hoofd niet hangen. Maar ik heb gesproken, en alles wat ik heb gezegd zal uitkomen.’

10Daarop gaf Holofernes de mannen bij zijn tent bevel om Achior gevangen te nemen en naar Betulia te brengen om hem aan de Israëlieten uit te leveren. 11Ze namen hem gevangen en brachten hem vanuit de legerplaats naar de vlakte en van daar naar het bergland, tot ze bij de bronnen onder Betulia kwamen. 12Zodra de mannen van de hoger gelegen stad hen zagen, grepen ze hun wapens en gingen de stad uit naar de top van de berg. Slingeraars beletten Holofernes’ mannen naar boven te komen door stenen naar hen te werpen. 13De Assyriërs zochten dekking aan de voet van de berg en knevelden Achior. Ze lieten hem daar liggen en keerden terug naar hun heer.

14Toen de Israëlieten uit de stad afdaalden en bij Achior waren gekomen, maakten ze hem los en namen hem mee naar Betulia. Ze leidden hem voor aan de toenmalige stadsbestuurders: 15Ozias, de zoon van Micha, uit de stam Simeon, Chabris, de zoon van Gotoniël, en Karmi, de zoon van Melchiël. 16Die riepen alle oudere mannen van de stad bijeen, en ook alle jongemannen en de vrouwen kwamen naar de vergadering. Nadat ze Achior in het midden van het verzamelde volk hadden gezet, ondervroeg Ozias hem over wat er gebeurd was. 17

6:17
Judit 5:5-22
Daarop vertelde hij wat er allemaal in de vergadering bij Holofernes was gezegd, over wat hij zelf had gezegd ten overstaan van de Assyrische leiders, en over Holofernes’ grootspraak ten aanzien van het volk van Israël. 18Toen boog het volk zich eerbiedig neer en bad tot God: 19‘Heer, God van de hemel, zie toch hun hoogmoed en ontferm u over ons, nu wij zo vernederd worden. Sla nu acht op degenen die u toegewijd zijn.’ 20Ze spraken Achior moed in en prezen hem zeer. 21Na de vergadering nam Ozias hem mee naar zijn huis, waar hij de oudsten een maaltijd aanbood. En de hele nacht riepen ze de God van Israël om hulp.

7

Betulia in het nauw

71De volgende morgen gaf Holofernes aan heel zijn leger en al het volk dat hem in de strijd vergezelde het bevel om naar Betulia op te trekken, de bergpassen te bezetten en de strijd aan te binden met de Israëlieten. 2

7:2
Judit 2:15
Diezelfde dag nog braken alle manschappen op; ze vormden een troepenmacht van honderdzeventigduizend man voetvolk en twaalfduizend ruiters, nog afgezien van de legertros en de overige mannen die te voet met hen meetrokken – een enorme menigte. 3Ze betrokken stellingen in het dal, vlak bij Betulia, bij de bron; hun linies strekten zich in de breedte uit van Dotan tot Belbaïm en in de lengte van Betulia tot Kyamon, dat tegenover Esdrelon ligt. 4Toen de Israëlieten die menigte zagen, waren ze hevig verontrust en zeiden tegen elkaar: ‘Ze komen het hele land afstropen; bergtoppen, ravijnen en heuvels zullen onder hun druk bezwijken.’ 5
7:5
1 Mak. 12:28-29
Ze gordden hun wapens aan, ontstaken vuren op de torens en bleven de hele nacht de wacht houden.

6De volgende dag liet Holofernes voor het oog van de Israëlieten in Betulia heel zijn ruitermacht uitrukken. 7Hij inspecteerde de toegangswegen naar de stad en maakte een ronde langs de waterbronnen. Hij bezette ze en plaatste er wachtposten; daarna reed hij terug naar zijn troepen. 8Toen kwamen alle leiders van de Edomieten, de aanvoerders van de Moabieten en de veldheren van het kustgebied bij hem en zeiden: 9‘Heer, sta ons toe u iets te zeggen om te voorkomen dat er een bres wordt geslagen in uw leger. 10

7:10
1 Kon. 20:23
Dat volk, de Israëlieten, vertrouwt niet op zijn speren maar op de hoogte van de bergen waar ze wonen, want het is niet eenvoudig de bergtoppen te bereiken. 11Welnu, heer, voer geen oorlog tegen hen als in een gebruikelijke veldslag, dan zal er aan uw kant geen man vallen. 12Blijf in uw legerkamp en zorg dat ook uw manschappen daar blijven. Maar laat uw dienaren de waterbron bezetten die aan de voet van de berg ontspringt, 13want daar putten de inwoners van Betulia hun water; dan zullen ze omkomen van de dorst en hun stad overgeven. Intussen zullen wij met onze mannen stellingen innemen op de bergtoppen rondom, om erop toe te zien dat niemand de stad verlaat. 14Ze zullen van honger sterven, zijzelf, hun vrouwen en hun kinderen; nog voor het zwaard hen treft, liggen de straten van hun stad bezaaid met hun lichamen. 15Zo zult u hen zwaar laten boeten omdat zij zich verzet hebben en u niet vreedzaam hebben ontvangen.’ 16Hun voorstel beviel Holofernes en zijn gevolg, en hij gaf bevel het uit te voeren. 17En zo trok een afdeling Ammonieten uit, samen met vijfduizend Assyriërs. Ze betrokken stellingen in het dal en bezetten de bronnen die de Israëlieten van water voorzagen. 18De Edomieten trokken intussen met de overige Ammonieten de bergen in en kozen stelling in het gebergte tegenover Dotan; een aantal van hen werd naar het zuiden en naar het oosten gestuurd om stellingen in te nemen tegenover Egrebel, nabij Chus bij de bergrivier de Mochmur. De rest van het Assyrische leger betrok stellingen in de vlakte. Een onafzienbare troepenmacht met tenten en uitrusting vulde het hele gebied; het was een enorme menigte.

19De Israëlieten riepen de Heer, hun God, aan, want ze begonnen de moed te verliezen: ze waren omsingeld door al hun vijanden en hadden geen kans om aan hen te ontkomen. 20Vierendertig dagen hield het hele Assyrische leger met al zijn voetvolk, strijdwagens en ruiters hen in zijn greep. De watervaten van de inwoners van Betulia raakten leeg 21en ook hun regenputten kwamen droog te staan. Er was geen dag dat ze naar behoefte water konden drinken, want ze waren op rantsoen gesteld. 22Kinderen kwijnden weg, vrouwen en jongemannen raakten uitgeput van de dorst, en aan het eind van hun krachten bezweken ze in de straten van de stad en in de poorten.

23Toen kwam het volk – jongemannen, vrouwen en kinderen – samen bij Ozias en de andere stadsbestuurders, en ze riepen de oudsten luidkeels toe: 24‘Laat God nu maar oordelen tussen u en ons, want u hebt ons groot onrecht aangedaan door te weigeren met de Assyriërs over vrede te spreken. 25Er is niemand die ons helpt, integendeel, God heeft ons aan hen uitgeleverd: we vergaan voor hun ogen, we komen om van de dorst. 26Buig maar voor hen en geef de stad over; laat Holofernes’ leger de stad maar buitmaken, 27

7:27
Ex. 14:12
16:2-3
want we zijn beter af wanneer we geplunderd worden. Dan worden we wel slaven, maar we blijven tenminste in leven en hoeven niet te zien hoe onze kleintjes sterven, hoe onze vrouwen en kinderen omkomen. 28De hemel en de aarde zijn onze getuigen en onze God, de Heer van onze voorouders, die ons straft voor onze zonden en voor die van onze voorouders – moge hij ons dat nu besparen.’ 29Als uit één mond steeg een grote jammerklacht op uit de kring van allen die daar waren samengekomen en ze riepen met luide stem de Heer, hun God, aan. 30Ozias zei tegen hen: ‘Houd moed, broeders en zusters, laten we het nog vijf dagen volhouden. In die tijd zal de Heer, onze God, zich wel over ons ontfermen, want hij zal ons niet voor altijd verlaten. 31Maar mocht die tijd verstrijken zonder dat er hulp komt, dan zal ik doen wat u vraagt.’ 32Daarna stuurde hij de mannen weg, ieder naar zijn post, en ze gingen terug naar de muren en torens van de stad; de vrouwen en kinderen werden naar huis gestuurd. In heel de stad heerste grote verslagenheid.

Door deze website verder te gebruiken ga je akkoord met plaatsing en gebruik van cookies door het NBG en derden conform onze privacyverklaring.[bericht verbergen]