Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
4

Alarm in Judea en Jeruzalem

41De Israëlieten die in Judea woonden, hoorden wat Holofernes, de opperbevelhebber van Nebukadnessar, de koning van de Assyriërs, de andere volken had aangedaan, en hoe hij al hun heilige plaatsen had geplunderd en aan de vernietiging had prijsgegeven. 2Ze werden door grote angst voor hem bevangen en maakten zich ernstig zorgen over Jeruzalem en de tempel van de Heer, hun God. 3Want het was nog maar kort geleden dat ze uit de ballingschap waren teruggekeerd en dat het hele volk van Judea was herenigd. Het tempelgerei, het altaar en de tempel zelf, die ontheiligd waren geweest, waren pas onlangs opnieuw gewijd.

4Daarom stuurden ze gezanten naar het gebied van Samaria, naar Kona, Bet-Choron, Belmaïn en Jericho, naar Choba, Esora en het dal van Salem. 5Onmiddellijk werden alle hoge bergtoppen bezet en de bergdorpen ommuurd; ter voorbereiding op een belegering werden voedselvoorraden aangelegd. Kort tevoren was de oogst binnengehaald.

6Jojakim, die in die tijd hogepriester in Jeruzalem was, schreef een brief aan de inwoners van Betulia en Betomestaïm, dat aan de andere kant van de vlakte van Dotan ligt, tegenover Esdrelon, 7met de opdracht de bergpassen te bezetten. Die vormden de toegang tot Judea, en omdat elke pas zo nauw was dat er hoogstens twee man tegelijk door konden, zou het eenvoudig zijn de vijand de toegang te beletten. 8De Israëlieten deden wat hun werd opgedragen door de hogepriester Jojakim en de raad van oudsten van heel het volk van Israël, die in Jeruzalem zetelde.

9Alle Israëlieten riepen onophoudelijk God aan en deden boete door volhardend te vasten. 10

4:10
Jona 3:6-8
Mannen en vrouwen, hun kinderen en hun vee, de vreemdelingen, de dagloners en de slaven, allen hulden zich in een boetekleed. 11Ook alle Israëlitische mannen, vrouwen en kinderen die in Jeruzalem woonden, wierpen zich voor de tempel ter aarde en gooiden stof over hun hoofd. Ze spreidden ten overstaan van de Heer hun boetekleed uit; 12
4:12
Est. 4:1-3
ook bedekten ze het altaar met een boetekleed. Als uit één mond riepen ze onophoudelijk de God van Israël aan, dat hij toch zou verhinderen dat hun kinderen zouden worden geroofd en hun vrouwen buitgemaakt, dat de steden die hun toebehoorden zouden worden verwoest en het heiligdom ontwijd, prijsgegeven aan de spot en hoon van de andere volken. 13
4:13
Est. 4:16
En de Heer hoorde hun gebed en zag hun nood.

De hele bevolking van Judea en Jeruzalem vastte dagenlang voor het heiligdom van de almachtige Heer. 14

4:14
Joël 2:17
De hogepriester Jojakim en alle dienstdoende priesters en tempeldienaars van de Heer droegen, gehuld in een boetekleed, al die tijd het dagelijks brandoffer op, evenals de gelofteoffers en de vrijwillige gaven van het volk, 15en met stof op hun tulband riepen ze uit alle macht de Heer aan, dat hij zich toch het lot van heel het volk van Israël zou aantrekken.

5

Rumoer rond Achior

51Aan Holofernes, de opperbevelhebber van het Assyrische leger, werd gemeld dat de Israëlieten zich op een aanval hadden voorbereid: ze hadden de bergpassen afgesloten, versterkingen aangebracht op alle hoge bergtoppen en in de vlakten hindernissen opgeworpen. 2Holofernes raakte buiten zichzelf van woede. Hij ontbood alle leiders van Moab, de veldheren van Ammon en alle satrapen van het kustgebied 3en zei tegen hen: ‘Mannen van Kanaän, vertel mij, wat is dat voor een volk daar in de bergen? In wat voor steden wonen ze? Hoe groot is hun leger? Waarop berust hun kracht en macht? Wie is hun koning, wie voert hun leger aan? 4En hoe wagen ze het mij niet te ontvangen zoals alle andere bewoners van het westen?’

5

5:5
Judit 11:9-10
Toen nam Achior, de aanvoerder van de Ammonieten, het woord: ‘Heer, sta uw dienaar toe iets te zeggen. Laat mij u naar waarheid inlichten over het volk dat niet ver van hier in de bergen woont; geen leugen zal over mijn lippen komen.

6Het zijn afstammelingen van de Chaldeeën, 7maar ze komen uit Mesopotamië, waar ze indertijd als vreemdelingen hebben gewoond omdat ze geen volgelingen wilden zijn van de goden van hun voorouders in het land van de Chaldeeën. 8

5:8-9
Gen. 12:1
Ze weken af van de weg van hun voorouders en aanbaden de God van de hemel, de God die ze waren gaan erkennen. Daarom werden ze door de Chaldeeën verdreven, bij hun goden vandaan; ze vluchtten naar Mesopotamië en woonden daar lange tijd als vreemdelingen. 9
5:9
Gen. 11:31-12:5
Toen gaf hun God opdracht uit het vreemde land te vertrekken en naar Kanaän te gaan. Daar vestigden ze zich en verwierven veel goud en zilver en zeer veel vee. 10
5:10
Gen. 42:1-5
46:6
Ex. 1:7
Maar toen Kanaän gebukt ging onder een zware hongersnood, trokken ze weg naar Egypte, waar ze als vreemdelingen woonden zolang ze daar te eten hadden. Ze breidden zich uit tot een volk dat niet meer te tellen was. 11
5:11
Ex. 1:8-14
Daarom keerde de koning van Egypte zich tegen hen en trof een sluwe maatregel: hij liet hen dwangarbeid verrichten in steenbakkerijen; zo werden ze vernederd en tot slaven gemaakt. 12
5:12
Ex. 7:1-12:42
Toen riepen ze hun God om hulp, en die trof heel Egypte met plagen waartegen niets bestand was; daarom verdreven de Egyptenaren hen uit hun land. 13
5:13
Ex. 14:21-22
Diezelfde God legde voor hen de Rode Zee droog 14en leidde hen naar de Sinai en Kades-Barnea. Ze verdreven alle woestijnbewoners 15
5:15
Num. 21:21-32
en gingen in het land van de Amorieten wonen. Ook roeiden ze, machtig als ze waren, alle Chesbonieten uit. En na de Jordaan te zijn overgestoken, namen ze het hele bergland in bezit 16
5:16
Joz. 12:7-24
en verdreven de Kanaänieten, Perizzieten, Jebusieten, Sichemieten en Girgasieten uit dat land, om zich er voor lange tijd te vestigen. 17
5:17-19
Ps. 106:40-46
5:17
Deut. 28:1
Zolang ze niet zondigden tegen hun God was het geluk met hen, want ze worden bijgestaan door een God die onrecht verafschuwt. 18
5:18
2 Kon. 25:1-18
Jes. 59:2
Maar toen ze de weg verlieten die hij voor hen had bepaald, werden ze in tal van oorlogen verpletterend verslagen en ten slotte in ballingschap weggevoerd naar een vreemd land. De tempel van hun God werd tot de grond toe afgebroken en hun steden werden door hun vijanden ingenomen. 19Maar ze zijn naar hun God teruggekeerd en nu zijn ze uit hun ballingsoord teruggekomen. Ze hebben Jeruzalem, waar hun heiligdom is, in bezit genomen en zich weer gevestigd in het bergland dat ze verlaten hadden.

20Welnu, machtige heer, als dit volk dwaasheden begaat en zondigt tegen zijn God, dan zullen wij zorgen dat zij daardoor ten val komen: wij zullen tegen hen optrekken en strijd voeren. 21

5:21
Judit 11:10
Maar als ze de wet van hun God niet overtreden, laat hen dan met rust, heer, anders zal hun Heer en God hen beschermen en ons tot een mikpunt van spot voor de hele wereld maken.’

22Toen Achior uitgesproken was, begon iedereen rond de tent te protesteren, en Holofernes’ edelen en de bewoners van het kustgebied en van Moab riepen dat hij een afranseling verdiende. 23‘Wij laten ons toch geen angst aanjagen door die Israëlieten? Zij missen toch ten enenmale de kracht voor een veldslag? 24Daarom: eropaf! Ze zullen voor uw leger een makkelijke prooi zijn, machtige Holofernes!’

6

61Toen het rumoer onder de mannen in de vergadering verstomd was, richtte Holofernes, de opperbevelhebber van het Assyrische leger, zich ten overstaan van alle vreemdelingen en van de Moabieten tot Achior: 2

6:2
Jes. 36:18-20
37:4
Dan. 3:14-18
Judit 3:8
‘Wie denk je wel dat je bent, Achior met je huurlingen van Efraïm, dat je zoals vandaag bij ons de profeet komt spelen? Denk jij ons te kunnen vertellen dat wij geen oorlog moeten beginnen tegen het volk van Israël omdat hun God hen beschermt? Alleen Nebukadnessar is god. Híj zal zijn macht doen gelden en hen van de aardbodem wegvagen. Hun God zal hen niet kunnen redden. 3Integendeel, wij, dienaren van Nebukadnessar, zullen hen in één klap verpletteren. Tegen de macht van onze paarden zullen ze niet bestand zijn, 4want als een vloedgolf zullen die hen overspoelen. Hun bergen zullen dronken worden van hun bloed, hun vlakten zullen bezaaid worden met hun doden. Ze zullen ons geen strobreed in de weg kunnen leggen, maar jammerlijk ten onder gaan – zo spreekt koning Nebukadnessar, de heer van de hele aarde. Hij heeft gesproken, en zijn woorden zullen geen loze woorden zijn.

5

6:5
Judit 5:12
Maar jij, Achior, Ammonitische huurling, hebt vandaag door zo te spreken je vonnis getekend: je zult mij niet meer zien van deze dag af totdat ik me gewroken heb op dat volk uit Egypte, 6
6:6
Judit 16:12
en bij mijn terugkeer zul je door het zwaard van mijn soldaten en door de lans van mijn dienaren worden doorboord, en dan zal ook jij tot hun slachtoffers gerekend worden. 7Mijn mannen brengen je nu naar het bergland en laten je bij een van de steden aan een bergpas achter. 8Je zult gespaard blijven totdat je met de mensen daar wordt omgebracht. 9En mocht je nog de hoop koesteren dat zij niet in onze handen zullen vallen, laat dan het hoofd niet hangen. Maar ik heb gesproken, en alles wat ik heb gezegd zal uitkomen.’

10Daarop gaf Holofernes de mannen bij zijn tent bevel om Achior gevangen te nemen en naar Betulia te brengen om hem aan de Israëlieten uit te leveren. 11Ze namen hem gevangen en brachten hem vanuit de legerplaats naar de vlakte en van daar naar het bergland, tot ze bij de bronnen onder Betulia kwamen. 12Zodra de mannen van de hoger gelegen stad hen zagen, grepen ze hun wapens en gingen de stad uit naar de top van de berg. Slingeraars beletten Holofernes’ mannen naar boven te komen door stenen naar hen te werpen. 13De Assyriërs zochten dekking aan de voet van de berg en knevelden Achior. Ze lieten hem daar liggen en keerden terug naar hun heer.

14Toen de Israëlieten uit de stad afdaalden en bij Achior waren gekomen, maakten ze hem los en namen hem mee naar Betulia. Ze leidden hem voor aan de toenmalige stadsbestuurders: 15Ozias, de zoon van Micha, uit de stam Simeon, Chabris, de zoon van Gotoniël, en Karmi, de zoon van Melchiël. 16Die riepen alle oudere mannen van de stad bijeen, en ook alle jongemannen en de vrouwen kwamen naar de vergadering. Nadat ze Achior in het midden van het verzamelde volk hadden gezet, ondervroeg Ozias hem over wat er gebeurd was. 17

6:17
Judit 5:5-22
Daarop vertelde hij wat er allemaal in de vergadering bij Holofernes was gezegd, over wat hij zelf had gezegd ten overstaan van de Assyrische leiders, en over Holofernes’ grootspraak ten aanzien van het volk van Israël. 18Toen boog het volk zich eerbiedig neer en bad tot God: 19‘Heer, God van de hemel, zie toch hun hoogmoed en ontferm u over ons, nu wij zo vernederd worden. Sla nu acht op degenen die u toegewijd zijn.’ 20Ze spraken Achior moed in en prezen hem zeer. 21Na de vergadering nam Ozias hem mee naar zijn huis, waar hij de oudsten een maaltijd aanbood. En de hele nacht riepen ze de God van Israël om hulp.

Door deze website verder te gebruiken ga je akkoord met plaatsing en gebruik van cookies door het NBG en derden conform onze privacyverklaring.[bericht verbergen]