Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
2

Nebukadnessars wraak

21In het achttiende jaar, op de tweeëntwintigste dag van de eerste maand, werd in het paleis van Nebukadnessar, de koning van de Assyriërs, het bevel uitgevaardigd dat er wraak genomen moest worden op de hele wereld, zoals hij aangekondigd had. 2Hij riep al zijn dienaren en zijn edelen bijeen en bracht hen van zijn geheime besluit op de hoogte: hij sprak het vonnis uit dat hij over de hele wereld had geveld. 3Zij deelden zijn opvatting dat iedereen die geen gevolg had gegeven aan zijn oproep, uitgeroeid moest worden.

4Nadat Nebukadnessar, de koning van de Assyriërs, zijn besluit bekrachtigd had, ontbood hij Holofernes, de opperbevelhebber van zijn leger en tweede man in zijn rijk. Hij zei tegen hem: 5‘Dit zegt de grote koning, de heer van de hele aarde: Trek weg van hier, en neem ervaren soldaten met u mee, honderdtwintigduizend man voetvolk en twaalfduizend ruiters met hun paarden. 6Trek op tegen de volken in het westen, want ze hebben aan mijn oproep geen gehoor gegeven. 7Zeg hun uit mijn naam dat ze ten teken van overgave aarde en water gereedmaken, want in mijn woede zal ik tegen hen optrekken en met mijn legermacht heel hun gebied onder de voet lopen en plunderen. 8Ravijnen en bergstromen zullen zich met hun gewonden vullen, rivieren boordevol doden buiten hun oevers treden, 9en de gevangenen zal ik wegvoeren naar de uiteinden van de aarde. 10Trek eropuit en bezet hun hele gebied voor mij. Degenen die zich aan u overgeven, moet u sparen tot de dag komt dat ik hen zal straffen. 11Maar degenen die zich blijven verzetten, mag u niet ontzien: u moet hen in het hele gebied prijsgeven aan dood en plundering. 12Zo waar ik leef en bij de macht van mijn koningschap: ik heb gesproken en ik zal het ten uitvoer brengen. 13Wat u aangaat: laat niets na van hetgeen uw heer u geboden heeft, maar voer alles volledig en zonder aarzelen uit zoals ik heb bevolen.’

14Holofernes verliet het hof van zijn heer. Hij riep alle vorsten, veldheren en oversten van het Assyrische leger bijeen, 15rekruteerde overeenkomstig het bevel van zijn heer honderdtwintigduizend man voor zijn keurtroepen en twaalfduizend boogschutters te paard, 16en stelde hen op zoals dat bij een grote strijdmacht gebruikelijk is. 17Voor het vervoer van hun uitrusting zette hij een zeer groot aantal kamelen, ezels en muilezels in. Verder nam hij ontelbare schapen, runderen en geiten mee om alle soldaten te voeden, 18naast een grote hoeveelheid andere proviand en zeer veel goud en zilver uit het koninklijk paleis. 19Toen trok Holofernes aan het hoofd van zijn legermacht op om, voor koning Nebukadnessar uit, het hele westelijke gebied te bedelven onder zijn strijdwagens, zijn ruiters en zijn beste voetvolk. 20

2:20
Recht. 7:12
Joël 2:2-7
Er trok een ongeregelde menigte met hen mee, zo talrijk als een zwerm sprinkhanen en als zandkorrels op de aarde, een menigte die niet te tellen was.

21Vanuit Nineve trokken ze drie dagmarsen in de richting van de vlakte van Bektilet. Op enige afstand van Bektilet legerden ze zich bij het gebergte ten noorden van Boven-Cilicië. 22Van daar trok hij met zijn hele legermacht – voetvolk, ruiters en strijdwagens – het gebergte in. 23

2:23
Gen. 10:6,13,22
Hij brak door de gelederen van Libië en Lydië en plunderde alle Rassieten en Ismaëlieten die aan de rand van de woestijn ten zuiden van Cheleon woonden. 24Daarna stak hij de Eufraat over, trok door Mesopotamië en maakte alle versterkte steden aan de rivier de Abrona tot aan zee met de grond gelijk. 25Hij bezette het gebied van Cilicië, slachtte iedereen die verzet bood af en trok verder tot aan het gebied van Jafet in het zuiden, aan de grens met Arabië. 26Hij omsingelde de Midjanieten, stak hun tenten in brand en plunderde hun schaapskooien. 27Daarna daalde hij af naar de vlakte van Damascus, ten tijde van de tarweoogst. Hij liet daar alle akkers platbranden en de veestapel vernietigen. Hij plunderde de steden, verwoestte de velden en bracht alle jongemannen om.

28

2:28
Ex. 15:15-16
Angst en ontzetting maakten zich meester van de bewoners van de kuststreek: de hele bevolking van Sidon en Tyrus, van Sur, Okina en Jemnaä, van Azotus en Askelon verkeerde in doodsangst voor Holofernes.

3

31Ze stuurden gezanten naar hem toe met deze vredegroet: 2‘Wij, dienaren van Nebukadnessar, de grote koning, liggen hier in onderwerping voor u. Doe met ons zoals het u behaagt. 3Onze nederzettingen, al onze dorpen, onze korenvelden, onze veestapel, de schaapskooien bij onze tenten, dat alles is u onderworpen. Doe ermee wat u wilt. 4Onze steden en hun inwoners staan tot uw beschikking. Kom er uw intocht houden zoals het u behaagt.’ 5Bij Holofernes aangekomen brachten de mannen hem deze woorden over.

6Daarop trok hij met zijn leger naar de kuststreek. Hij bezette de versterkte steden en lijfde er dappere strijders bij zijn hulptroepen in. 7Hij werd daar en in de wijde omtrek onthaald met kransen, dans en tromgeroffel. 8Hij haalde hun grensstenen omver en velde de bossen die aan hun goden gewijd waren, want hem was de macht verleend alle inheemse goden te vernietigen, opdat alle volken alleen Nebukadnessar zouden dienen en alle mensen hem als god zouden aanroepen.

9Holofernes trok verder naar Esdrelon, nabij Dotea, aan de voet van de grote bergketen van Judea. 10Hij legerde zich tussen Gebe en Skythopolis en bleef daar een maand lang om de hele uitrusting van zijn leger in orde te brengen.

4

Alarm in Judea en Jeruzalem

41De Israëlieten die in Judea woonden, hoorden wat Holofernes, de opperbevelhebber van Nebukadnessar, de koning van de Assyriërs, de andere volken had aangedaan, en hoe hij al hun heilige plaatsen had geplunderd en aan de vernietiging had prijsgegeven. 2Ze werden door grote angst voor hem bevangen en maakten zich ernstig zorgen over Jeruzalem en de tempel van de Heer, hun God. 3Want het was nog maar kort geleden dat ze uit de ballingschap waren teruggekeerd en dat het hele volk van Judea was herenigd. Het tempelgerei, het altaar en de tempel zelf, die ontheiligd waren geweest, waren pas onlangs opnieuw gewijd.

4Daarom stuurden ze gezanten naar het gebied van Samaria, naar Kona, Bet-Choron, Belmaïn en Jericho, naar Choba, Esora en het dal van Salem. 5Onmiddellijk werden alle hoge bergtoppen bezet en de bergdorpen ommuurd; ter voorbereiding op een belegering werden voedselvoorraden aangelegd. Kort tevoren was de oogst binnengehaald.

6Jojakim, die in die tijd hogepriester in Jeruzalem was, schreef een brief aan de inwoners van Betulia en Betomestaïm, dat aan de andere kant van de vlakte van Dotan ligt, tegenover Esdrelon, 7met de opdracht de bergpassen te bezetten. Die vormden de toegang tot Judea, en omdat elke pas zo nauw was dat er hoogstens twee man tegelijk door konden, zou het eenvoudig zijn de vijand de toegang te beletten. 8De Israëlieten deden wat hun werd opgedragen door de hogepriester Jojakim en de raad van oudsten van heel het volk van Israël, die in Jeruzalem zetelde.

9Alle Israëlieten riepen onophoudelijk God aan en deden boete door volhardend te vasten. 10

4:10
Jona 3:6-8
Mannen en vrouwen, hun kinderen en hun vee, de vreemdelingen, de dagloners en de slaven, allen hulden zich in een boetekleed. 11Ook alle Israëlitische mannen, vrouwen en kinderen die in Jeruzalem woonden, wierpen zich voor de tempel ter aarde en gooiden stof over hun hoofd. Ze spreidden ten overstaan van de Heer hun boetekleed uit; 12
4:12
Est. 4:1-3
ook bedekten ze het altaar met een boetekleed. Als uit één mond riepen ze onophoudelijk de God van Israël aan, dat hij toch zou verhinderen dat hun kinderen zouden worden geroofd en hun vrouwen buitgemaakt, dat de steden die hun toebehoorden zouden worden verwoest en het heiligdom ontwijd, prijsgegeven aan de spot en hoon van de andere volken. 13
4:13
Est. 4:16
En de Heer hoorde hun gebed en zag hun nood.

De hele bevolking van Judea en Jeruzalem vastte dagenlang voor het heiligdom van de almachtige Heer. 14

4:14
Joël 2:17
De hogepriester Jojakim en alle dienstdoende priesters en tempeldienaars van de Heer droegen, gehuld in een boetekleed, al die tijd het dagelijks brandoffer op, evenals de gelofteoffers en de vrijwillige gaven van het volk, 15en met stof op hun tulband riepen ze uit alle macht de Heer aan, dat hij zich toch het lot van heel het volk van Israël zou aantrekken.