Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
15

151Toen de manschappen in hun tenten hoorden wat er was gebeurd, waren ook zij totaal ontredderd. 2Angst en ontzetting maakten zich van hen meester, en geen van hen bleef nog langer waar hij was. Als één man haastten ze zich het kamp uit en ze vluchtten over alle mogelijke wegen door de vlakte en het bergland. 3Ook degenen die gelegerd waren op de bergen rondom Betulia sloegen op de vlucht. Toen wierpen alle weerbare Israëlitische mannen zich op hen.

4Ozias had herauten naar Betomestaïm, Choba, Kola, naar alle gebieden van Israël gestuurd, met het bericht over de gebeurtenissen en met de oproep aan iedereen om zich op de vijand te storten en hem te vernietigen. 5Toen de Israëlieten de boodschap hoorden, vielen ze als één man op de vijand aan en maakten korte metten met hen, tot aan Choba toe. Ook de inwoners van Jeruzalem mengden zich in de strijd, evenals de bewoners van het hele berggebied (want ook zij hadden bericht gekregen over wat er in het vijandelijke legerkamp was gebeurd). De inwoners van Gilead en die van Galilea vielen de vijand genadeloos in de flank aan en dreven hen tot voorbij Damascus en het bijbehorende gebied. 6

15:6-7
Est. 9:5,16-17
De overigen, de inwoners van Betulia, drongen het Assyrische legerkamp binnen, plunderden het en maakten grote rijkdommen buit. 7De rest viel in handen van de Israëlieten na hun terugkeer uit de slag. Ook de dorpen en nederzettingen in het berggebied en in de vlakte bemachtigden een grote buit, want er was geweldig veel.

De overwinning bezongen

8

15:8
Judit 4:6
De hogepriester Jojakim en de raad van oudsten van de Israëlieten kwamen vanuit hun woonplaats Jeruzalem om met eigen ogen de weldaden te zien die de Heer aan Israël had bewezen en om Judit met een bezoek te vereren. 9Ze gingen bij Judit naar binnen en prezen haar eensgezind. Ze zeiden tegen haar: ‘In u is Jeruzalems eer hersteld, in u zegeviert Israël, in u verwerft ons volk zich grote roem. 10Door uw toedoen is dit alles verricht. U hebt Israël deze weldaden bewezen en God heeft er zijn goedkeuring aan gehecht. Moge de zegen van de almachtige Heer op u rusten tot in eeuwigheid.’ En heel het volk zei: ‘Amen!’

11Dertig dagen lang haalde heel het volk buit weg uit de legerplaats. Aan Judit gaven ze de tent van Holofernes met al het tafelzilver, de bedden, de schalen en al het verdere toebehoren. Ze nam alles in ontvangst en laadde het op haar muilezel. Ze liet haar wagens inspannen en laadde ook die vol. 12

15:12
Ex. 15:20
Recht. 11:34
1 Sam. 18:6
Jer. 31:4,13
Alle vrouwen van Israël liepen uit om haar te zien. Ze bejubelden haar en er werd ter ere van haar gedanst. Judit had met loof versierde stokken bij zich en deelde die uit aan de vrouwen om haar heen. 13Ook zetten zij en alle anderen in haar gezelschap olijfkransen op hun hoofd. Voor heel het volk uit leidde Judit al de vrouwen in de reidans, en alle mannen van Israël volgden zingend, getooid met hun wapens en met kransen.

14Zo klonk het danklied dat Judit te midden van het volk van Israël aanhief, en de lofzang waarmee heel het volk luid instemde.

16

161

16:1
Ps. 81:2-4
105:1-2
135:1-3
149:1-3
150:1-6
Judit zong:

‘Hef een lied aan voor mijn God met tromgeroffel,

zing mijn Heer lof toe met cimbalen.

Laat psalm en lofdicht samen klinken.

Verhef zijn naam en roep hem aan.

2

16:2
Ps. 46:10
76:4
Judit 9:7
Want heer is alleen God, die wapentuig breekt;

hij redde mij uit de handen van mijn vervolgers

en bracht mij naar zijn legerplaats te midden van het volk.

3Assur kwam over de bergen in het noorden,

hij kwam met de tienduizenden van zijn legermacht;

hun menigte deed bergstromen stokken,

hun ruiters overdekten de heuvels.

4Hij dreigde mijn land plat te branden,

mijn jongemannen uit te roeien,

mijn zuigelingen tegen de grond te gooien,

mijn kinderen buit te maken,

mijn meisjes te roven.

5

16:5
Judit 13:18
Maar de almachtige Heer blies hem omver

door toedoen van een vrouw.

6Want hun held is niet gevallen door jongemannen,

geen titanenzonen hebben hem verslagen,

geen sterke giganten hebben hem aangevallen,

maar Judit, de dochter van Merari, verlamde hem

door de schoonheid van haar gezicht.

7

16:7-8
Judit 10:3
Zij heeft haar weduwedracht afgelegd

om de verdrukten van Israël op te richten.

Zij heeft haar gezicht ingewreven met mirre,

8een hoofdband om haar haar gebonden

en een linnen gewaad aangetrokken

om hem te verleiden.

9Haar sandaal verrukte zijn oog,

haar schoonheid nam zijn hart gevangen,

het zwaard doorkliefde zijn nek.

10De Perzen huiverden van haar durf,

haar moed bracht de Meden in paniek.

11Toen juichten de vernederden:

mijn verzwakte volk begon te roepen –

en zij waren verbijsterd;

mijn volk verhief zijn stem –

en zij werden verdreven.

12

16:12
Judit 5:23
De kinderen van jonge vrouwen doorstaken hen,

verwondden hen als kinderen van opstandelingen;

de strijdmacht van de Heer, mijn God, vernietigde hen.

13

16:13
Ps. 86:10
144:9
147:5
Ik zing voor mijn God een nieuw lied.

Heer, groot bent u en hoog verheven,

wonderbaarlijk in kracht, niet te evenaren.

14

16:14
Ps. 33:9
104:30
148:5
Judit 9:4-5
Heel uw schepping moet zich aan u onderwerpen.

Want u sprak en het was er,

u zond uw geest en hij bracht het tot stand.

Wie zou uw stem kunnen weerstaan?

15

16:15
Recht. 5:5
Ps. 25:14
97:5
103:13
Bergen en wateren, ze zullen schudden op hun grondvesten,

rotsen zullen voor uw ogen smelten als was,

maar wie ontzag heeft voor u, zult u genadig zijn.

16

16:16
1 Sam. 15:22
Ps. 51:18
Sir. 34:13-17
Een offer dat gebracht wordt om zijn geur is gering,

vet dat voor u wordt verbrand betekent niets,

maar wie ontzag heeft voor de Heer zal altijd groot zijn.

17

16:17
Jes. 66:24
Wee de volken die zich tegen mijn volk verheffen.

De almachtige Heer zal zich op hen wreken op de dag van het oordeel,

hun lichamen geeft hij prijs aan vuur en wormen.

Wanneer ze tot inzicht komen, zullen ze weeklagen

tot in eeuwigheid.’

Slot

18

16:18
Num. 31:48-54
Na aankomst in Jeruzalem aanbaden ze God. En nadat het volk gereinigd was, brachten ze hun brandoffers en hun vrijwillige offers en gaven. 19Judit wijdde alle bezittingen van Holofernes die het volk haar had gegeven aan God; ook de draperie die ze zelf had meegenomen uit zijn slaapvertrek, gaf ze hem als wijgeschenk. 20Drie maanden lang vierde het volk in Jeruzalem feest, voor het heiligdom, en Judit bleef bij hen.

21Daarna vertrok iedereen naar zijn eigen gebied. Ook Judit keerde terug naar Betulia en ging weer op haar eigen grond wonen. Voor de rest van haar leven was haar roem alom gevestigd. 22Ze werd door velen begeerd, maar zolang ze leefde heeft geen man met haar geslapen sinds de dag dat haar man Manasse stierf en met zijn voorouders werd verenigd. 23Ze bereikte een zeer hoge leeftijd: honderdvijf jaar oud werd ze in het huis van haar man. Haar slavin gaf ze de vrijheid terug. Judit stierf in Betulia en werd begraven in de grot waar ook Manasse begraven was. 24Het volk van Israël rouwde zeven dagen over haar. Voordat ze stierf had ze haar bezittingen verdeeld onder de familie van haar man Manasse en haar eigen familie. 25Niemand joeg de Israëlieten nog angst aan zolang Judit leefde, en nog vele jaren na haar dood.