Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
13

131Toen het avond was geworden haastten Holofernes’ dienaren zich te vertrekken. Bagoas sloot de tent van buiten af en stuurde ook de bedienden weg. Ieder zocht zijn slaapplaats op, uitgeput door het overmatig drinken. 2Alleen Judit bleef achter in de tent, met Holofernes, die voorover op zijn bed lag, stomdronken. 3Haar slavin had ze opgedragen buiten het slaapvertrek te wachten totdat zij zoals elke dag naar buiten zou komen om, naar ze zei, eropuit te gaan voor haar gebed. Ook tegen Bagoas had ze iets dergelijks gezegd.

4Iedereen was nu weg. Er was helemaal niemand meer achtergebleven in het slaapvertrek. Judit stond naast het bed van Holofernes en bad in stilte: Heer, God van alle kracht, sla in dit uur acht op wat mijn hand zal verrichten opdat de eer van Jeruzalem wordt hersteld. 5Nu is het moment aangebroken om het volk dat u toebehoort te hulp te komen door mij mijn plannen te laten uitvoeren, om zo de vijand te breken die zich tegen ons heeft gekeerd. 6Toen liep ze naar de bedstijl vlak bij Holofernes’ hoofd, nam daar zijn zwaard weg, 7ging naar het bed toe en pakte hem bij zijn haren beet. Ze zei: ‘Geef me nu kracht, Heer, God van Israël!’ 8

13:8
Recht. 4:21
en hakte met al haar kracht Holofernes met twee slagen het hoofd af. 9Ze rolde zijn lichaam van het bed en haalde de draperie van de stijlen. Even later kwam ze naar buiten en overhandigde Holofernes’ hoofd aan haar slavin, 10die het in de reiszak deed waar haar voedsel in had gezeten. Daarna vertrokken ze samen, zoals gebruikelijk, naar de plek waar ze steeds gingen bidden. Ze gingen door het kamp, liepen om het ravijn heen en begonnen de klim naar Betulia, in de richting van de stadspoorten.

11

13:11
Ps. 98:1-3
Al van verre riep Judit de wachters bij de poorten toe: ‘Doe open! Open de poort! God staat ons bij, onze God! Nog steeds toont hij zijn grote macht ten gunste van Israël en tegen onze vijanden, zoals hij ook vandaag heeft laten blijken!’ 12Toen de mannen in de stad haar stem hoorden, haastten ze zich naar beneden, naar de poort, en riepen de stadsoudsten. 13Alle inwoners, jong en oud, stroomden samen, want ze konden nauwelijks geloven dat zij terug was. Ze openden de poort en verwelkomden hen. Met vuur maakten ze licht, waarna ze in een kring om hen heen gingen staan. 14Met luide stem riep Judit hun toe: ‘Juich voor God! Juich hem toe! Juich voor God, die zijn ontfermende blik niet van het volk van Israël heeft afgewend, maar onze vijand vannacht door mijn toedoen heeft vernietigd.’ 15Toen haalde ze uit de reiszak het hoofd tevoorschijn, liet het hun zien en zei: ‘Kijk, het hoofd van Holofernes, de opperbevelhebber van het Assyrische leger! En hier, de draperie van het bed waarop hij zijn roes uitsliep! Door toedoen van een vrouw heeft de Heer hem verslagen. 16Zo waar de Heer leeft, die over mij heeft gewaakt op de weg die ik ben gegaan: mijn uiterlijk heeft hem verleid en ten val gebracht, zonder dat hij zich aan mij heeft bezondigd, waardoor ik zou zijn bezoedeld en onteerd.’ 17Het hele volk was buiten zichzelf van vreugde. Ze bogen zich neer om God eer te bewijzen en riepen eenstemmig: ‘Gezegend zij onze God, die op deze dag de vijanden van zijn volk heeft vernederd.’ 18
13:18
Recht. 5:24
Ozias zei tegen Judit: ‘Gezegend bent u door de allerhoogste God, gezegend boven alle vrouwen op aarde. En gezegend zij God, de Heer, die de hemel en de aarde heeft geschapen en die u zo leidde dat u de aanvoerder van onze vijanden het hoofd kon afslaan. 19Uw vertrouwen op God zal voor altijd in de herinnering voortleven, zolang er mensen zijn die zijn machtige daden gedenken. 20Moge God in goedheid op u neerzien, opdat u voor eeuwig met de hoogste eer wordt bekleed. Want om de vernedering die ons volk werd aangedaan, hebt u zichzelf niet ontzien: u hebt onze ellende gewroken en daarbij in Gods ogen de juiste weg bewandeld.’ En heel het volk riep: ‘Amen! Amen!’

14

Overwinning op de vijand

141Daarna zei Judit: ‘Luister, broeders. Neem dat hoofd en hang het aan de borstwering van de stadsmuur. 2Bij het eerste licht van de dageraad, zodra de zon opgaat over de aarde, neemt ieder van u zijn wapens. Dan trekken alle weerbare mannen de stad uit; stel een leider over hen aan. Doe alsof u naar de vlakte afdaalt, naar de voorpost van de Assyriërs, maar u gaat niet echt. 3Zij zullen dan hun wapens pakken, naar hun legerplaats gaan en de veldheren van het Assyrische leger wekken. Die verzamelen zich bij de tent van Holofernes, maar treffen hem niet aan. Ze zullen door angst overvallen worden en voor u op de vlucht slaan. 4Dan achtervolgt u hen, samen met iedereen uit de andere gebieden van Israël, en u verslaat hen op hun vlucht. 5Maar breng eerst, voor u dit gaat doen, de Ammoniet Achior bij me. Dan kan hij zien wat er geworden is van de man die zo’n minachting had voor het volk van Israël en meende hem bij ons een zekere dood in te sturen.’

6Ze lieten Achior halen uit het huis van Ozias. Toen hij het hoofd van Holofernes zag, dat door iemand in de volksvergadering werd vastgehouden, viel hij bewusteloos voorover. 7Nadat ze hem overeind geholpen hadden, boog hij zich voor Judit neer en bewees haar eer: ‘Men zal uw lof zingen in elke Judese tent, ja, onder alle volken, die bij het horen van uw naam zullen beven. 8Wees nu zo goed me te vertellen wat u de afgelopen dagen gedaan hebt.’ En omringd door heel het volk vertelde Judit hem alles wat ze had gedaan, vanaf de dag van haar vertrek tot aan dit moment dat ze tegen hen sprak. 9Toen ze uitgesproken was barstte het volk uit in luid gejuich; hun vreugdekreten weerklonken in de hele stad. 10Toen Achior besefte wat de God van Israël allemaal had gedaan, begon hij vurig in hem te geloven. Hij liet zich besnijden en werd opgenomen in het volk van Israël, en zo is het tot op de dag van vandaag.

11Toen de ochtend aanbrak hingen de mannen het hoofd van Holofernes buiten aan de stadsmuur. Daarna greep ieder zijn wapens en in legereenheden trokken ze de stad uit naar de bergpassen. 12Toen de Assyriërs hen opmerkten, waarschuwden ze hun aanvoerders, die zich op hun beurt meldden bij hun veldheren en bevelhebbers over duizend man, bij alle leden van de staf. 13Bij Holofernes’ tent aangekomen zeiden ze tegen degene die zijn persoonlijke zaken behartigde: ‘Maak onze heer wakker, want die slaven wagen het hierheen af te dalen om tegen ons te strijden en zich totaal te laten verpletteren.’ 14Bagoas ging de tent binnen en sloeg tegen het gordijn, want hij meende dat Holofernes samen met Judit lag te slapen. 15Maar toen er geen reactie kwam, schoof hij het gordijn open en ging het slaapvertrek binnen. Zo vond hij zijn heer, liggend bij de ingang, dood, en zonder hoofd. 16Hij begon luidkeels te roepen en te kermen en te schreeuwen: één grote jammerklacht, en hij scheurde zijn kleren. 17Hij ging de tent binnen waarin Judit was ondergebracht, maar hij vond haar niet. Daarop rende hij naar buiten, naar de anderen, en tierde: 18

14:18
Recht. 9:54
Judit 13:15
16:5-9
‘Ze hebben ons in de val laten lopen, die slaven! Een Hebreeuwse vrouw heeft het huis van koning Nebukadnessar van zijn eer beroofd! Kijk dan, Holofernes ligt daar op de grond en zijn hoofd is eraf!’ 19Toen ze dat hoorden, de leiders van het Assyrische leger, scheurden ze hun kleren. Ze raakten helemaal in paniek en in het legerkamp weerklonk hun luide gejammer en geschreeuw.

15

151Toen de manschappen in hun tenten hoorden wat er was gebeurd, waren ook zij totaal ontredderd. 2Angst en ontzetting maakten zich van hen meester, en geen van hen bleef nog langer waar hij was. Als één man haastten ze zich het kamp uit en ze vluchtten over alle mogelijke wegen door de vlakte en het bergland. 3Ook degenen die gelegerd waren op de bergen rondom Betulia sloegen op de vlucht. Toen wierpen alle weerbare Israëlitische mannen zich op hen.

4Ozias had herauten naar Betomestaïm, Choba, Kola, naar alle gebieden van Israël gestuurd, met het bericht over de gebeurtenissen en met de oproep aan iedereen om zich op de vijand te storten en hem te vernietigen. 5Toen de Israëlieten de boodschap hoorden, vielen ze als één man op de vijand aan en maakten korte metten met hen, tot aan Choba toe. Ook de inwoners van Jeruzalem mengden zich in de strijd, evenals de bewoners van het hele berggebied (want ook zij hadden bericht gekregen over wat er in het vijandelijke legerkamp was gebeurd). De inwoners van Gilead en die van Galilea vielen de vijand genadeloos in de flank aan en dreven hen tot voorbij Damascus en het bijbehorende gebied. 6

15:6-7
Est. 9:5,16-17
De overigen, de inwoners van Betulia, drongen het Assyrische legerkamp binnen, plunderden het en maakten grote rijkdommen buit. 7De rest viel in handen van de Israëlieten na hun terugkeer uit de slag. Ook de dorpen en nederzettingen in het berggebied en in de vlakte bemachtigden een grote buit, want er was geweldig veel.

De overwinning bezongen

8

15:8
Judit 4:6
De hogepriester Jojakim en de raad van oudsten van de Israëlieten kwamen vanuit hun woonplaats Jeruzalem om met eigen ogen de weldaden te zien die de Heer aan Israël had bewezen en om Judit met een bezoek te vereren. 9Ze gingen bij Judit naar binnen en prezen haar eensgezind. Ze zeiden tegen haar: ‘In u is Jeruzalems eer hersteld, in u zegeviert Israël, in u verwerft ons volk zich grote roem. 10Door uw toedoen is dit alles verricht. U hebt Israël deze weldaden bewezen en God heeft er zijn goedkeuring aan gehecht. Moge de zegen van de almachtige Heer op u rusten tot in eeuwigheid.’ En heel het volk zei: ‘Amen!’

11Dertig dagen lang haalde heel het volk buit weg uit de legerplaats. Aan Judit gaven ze de tent van Holofernes met al het tafelzilver, de bedden, de schalen en al het verdere toebehoren. Ze nam alles in ontvangst en laadde het op haar muilezel. Ze liet haar wagens inspannen en laadde ook die vol. 12

15:12
Ex. 15:20
Recht. 11:34
1 Sam. 18:6
Jer. 31:4,13
Alle vrouwen van Israël liepen uit om haar te zien. Ze bejubelden haar en er werd ter ere van haar gedanst. Judit had met loof versierde stokken bij zich en deelde die uit aan de vrouwen om haar heen. 13Ook zetten zij en alle anderen in haar gezelschap olijfkransen op hun hoofd. Voor heel het volk uit leidde Judit al de vrouwen in de reidans, en alle mannen van Israël volgden zingend, getooid met hun wapens en met kransen.

14Zo klonk het danklied dat Judit te midden van het volk van Israël aanhief, en de lofzang waarmee heel het volk luid instemde.

Door deze website verder te gebruiken ga je akkoord met plaatsing en gebruik van cookies door het NBG en derden conform onze privacyverklaring.[bericht verbergen]