Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
10

Op weg naar Holofernes

101Nadat Judit was uitgesproken en haar gebed tot de God van Israël had beëindigd, 2

10:2
Judit 8:6
richtte ze zich op uit haar geknielde houding. Ze riep haar slavin en ging naar beneden, haar huis in, waar ze altijd de sabbat en de feestdagen doorbracht. 3Ze legde het rouwkleed af dat ze droeg, evenals haar weduwedracht. Daarna baadde ze zich en wreef zich in met kostbare mirre. Ze maakte haar haar op, deed een hoofdband om en trok haar mooiste kleren aan, die ze had gedragen toen haar man Manasse nog leefde. 4Verder deed ze sandalen aan en tooide zich met enkelringen, armbanden, ringen, oorhangers en andere sieraden. Ze maakte zich zo mooi op, dat ze verleidelijk was voor iedere man die haar zou zien. 5Ze gaf haar slavin een veldfles met wijn en een kruik olijfolie. In een reiszak deed ze wat meel, gedroogde vruchten en fijn brood. Nadat ze ook al haar vaatwerk had ingepakt, gaf ze haar slavin alles te dragen. 6Samen gingen ze op weg naar de stadspoort van Betulia, waar Ozias stond met de andere stadsoudsten, Chabris en Karmi.

7Toen zij zagen hoe volkomen anders Judit eruitzag, raakten ze diep onder de indruk van haar schoonheid. Ze zeiden tegen haar: 8‘Moge de God van onze voorouders u genadig zijn en uw plannen doen slagen, opdat Israël zegeviert en Jeruzalem in ere hersteld wordt.’ En ze aanbaden God. 9Daarna zei Judit tegen hen: ‘Laat nu de poort voor mij openmaken, dan ga ik de stad uit om dat te volbrengen.’ Op dit verzoek gaven zij de jongemannen opdracht de poort te openen, 10en vervolgens ging Judit de stad uit, samen met haar slavin. De mannen in de stad volgden haar met de ogen zoals ze daar ging, de berg af, het dal door, tot ze haar niet meer konden zien.

11Judit ging dwars door het dal, totdat een voorpost van de Assyriërs haar aanhield 12en gevangennam. Ze ondervroegen haar: ‘Tot welk volk behoort u, waar komt u vandaan en waar gaat u heen?’ Judit antwoordde: ‘Ik ben een Hebreeuwse, maar ik vlucht bij hen vandaan omdat zij ieder ogenblik aan u ten prooi kunnen vallen. 13Ik ben onderweg naar Holofernes, de opperbevelhebber van uw leger, om hem betrouwbare inlichtingen te verschaffen. Ik zal hem een weg wijzen waarlangs hij kan gaan, zodat hij het hele bergland in bezit kan nemen zonder dat ook maar een van zijn mannen het leven erbij inschiet.’ 14De mannen, die naar haar keken terwijl ze luisterden, waren onder de indruk van haar schoonheid, en zeiden tegen haar: 15‘Het is uw redding dat u zo snel naar onze heer bent gekomen. Ga nu naar zijn tent; een aantal van ons zal met u meegaan en u aan hem overdragen. 16Als u voor hem staat moet u niet bang zijn. Vertel hem wat u net hebt gezegd en hij zal u goed behandelen.’ 17Daarna kozen ze honderd mannen uit om haar en haar slavin te begeleiden. Zo werden ze naar de tent van Holofernes gebracht.

18Omdat het gerucht van haar komst alle tenten was rondgegaan, liep de hele legerplaats te hoop. Iedereen kwam om haar heen staan toen zij buiten Holofernes’ tent wachtte, terwijl men hem op de hoogte bracht. 19Hun bewondering voor haar schoonheid leidde tot bewondering voor de Israëlieten, en ze zeiden tegen elkaar: ‘Wie zou het volk minachten dat zulke vrouwen telt? Nee, het is niet goed om ook maar één van hun mannen in leven te laten, want als ze ontkomen, dan kunnen ze de hele wereld naar hun hand zetten.’ 20Toen kwamen de lijfwachten en de dienaren van Holofernes naar buiten en brachten haar de tent binnen.

Ontmoeting met Holofernes

21Holofernes lag te rusten op zijn bed, waar een purperen draperie omheen hing, met goud doorweven en versierd met smaragd en andere edelstenen. 22Nadat ze Judit hadden aangekondigd, kwam hij naar de voorste ruimte van de tent, terwijl men zilveren lampen voor hem uit droeg. 23Toen Judit voor hem en zijn gevolg verscheen, maakte haar schoonheid grote indruk. Ze boog zich ter aarde en bewees hem eer, waarna zijn dienaren haar oprichtten.

11

111‘Wees maar gerust,’ zei Holofernes tegen haar, ‘wees niet bang. Ik heb nog nooit een mens kwaad gedaan die zich vrijwillig heeft onderworpen aan Nebukadnessar, koning van de hele aarde. 2En als uw volk, dat in de bergen woont, mij niet zo had geminacht, zou ik de wapens niet tegen hen hebben opgenomen. Maar ze hebben het zichzelf aangedaan. 3Vertel me eens waarom u van hen bent weggevlucht en naar ons toe bent gekomen. Het is u zeker om redding te doen? Vertrouw me maar, u blijft in leven, vannacht en ook daarna, 4want niemand zal u iets doen. Integendeel, u zult goed behandeld worden, zoals ieder die mijn heer, koning Nebukadnessar, dient.’

5

11:5
Judit 10:13
Judit antwoordde hem: ‘Wees zo goed naar de woorden van uw dienares te luisteren. Sta mij toe tot u te spreken, dan zal ik mijn heer deze nacht inlichten zonder te liegen. 6Als u de raad van uw dienares opvolgt, zal wat God met u onderneemt volledig slagen en zal mijn heer niet in zijn opzet falen. 7
11:7
Jer. 27:6
Dan. 2:38
Bar. 3:16-17
Zo waar Nebukadnessar, koning van de hele aarde, leeft en bij de macht van hem, die u heeft gezonden om orde te scheppen onder al wat leeft: niet alleen mensen zijn door u aan hem onderworpen, ook de wilde en tamme dieren en de vogels zullen door uw kracht leven voor Nebukadnessar en heel zijn huis. 8Want wij hebben van uw wijsheid gehoord en u hebt naam gemaakt met uw daden. Overal op aarde wordt verkondigd dat er niemand in het hele koninkrijk zo bekwaam is als u, zo geniaal en zo indrukwekkend als strateeg.

9

11:9
Judit 5:5-22
Wij zijn op de hoogte van de dingen die Achior in uw vergadering heeft gezegd, want de mannen van Betulia hebben hem gespaard en hij heeft hun precies verteld wat hij toen gezegd heeft. 10Sla zijn raad niet in de wind, machtige heer, neem zijn woorden ter harte, want het is waar: ons volk is onkwetsbaar en het zwaard kan niets tegen hen uitrichten, tenzij ze zondigen tegen hun God.

11Welnu, mijn heer hoeft niet te vrezen voor een teleurstelling of mislukking, want ze zijn ten dode opgeschreven: de zonde heeft vat op hen gekregen en ze zullen de woede van hun God opwekken zodra ze doen wat verkeerd is. 12

11:12
Judit 7:14,17
Omdat hun voedsel op is en het water schaars is geworden, zijn ze van plan zich aan hun vee te vergrijpen en willen ze alles gaan eten waarvan God hun in zijn wetten geboden heeft zich te onthouden. 13
11:13
Deut. 14:22
De eerste opbrengst van de graanoogst en de tienden van de wijn en de olijfolie, die ze apart gehouden hebben en die bestemd zijn voor de priesters die in Jeruzalem dienstdoen voor onze God, willen ze gebruiken, hoewel het niemand van het volk geoorloofd is die offergaven zelfs maar aan te raken. 14Ze hebben mensen naar Jeruzalem gestuurd – want ook daar deed men zulke dingen – om van de raad van oudsten ontheffing te verkrijgen. 15Wanneer ze die hebben en ernaar handelen, zullen ze u diezelfde dag nog in handen vallen.

16Daarom ben ik, uw dienares, toen ik dit allemaal te weten kwam, van hen weggevlucht. God heeft mij gezonden om dingen met u te doen waarvan de hele wereld versteld zal staan. 17Want uw dienares is een vrome vrouw, die dag en nacht de God van de hemel is toegewijd. Laat mij bij u blijven, heer, dan zal ik ’s nachts naar het ravijn gaan om daar tot God te bidden. Hij zal mij zeggen wanneer zij gezondigd hebben 18en dan zal ik u verslag komen doen. Als u dan uitrukt met heel uw leger zult u geen enkele tegenstand ontmoeten. 19Ik voer u dwars door Judea naar Jeruzalem; midden in de stad zal ik uw troon plaatsen. Dan jaagt u hen op als schapen zonder herder, en geen hond zal zijn tanden tegen u ontbloten. Dat het zo zal gaan is mij tevoren onthuld, en ik ben gezonden om u te vertellen wat mij is verteld.’

20Deze woorden bevielen Holofernes en zijn gevolg, en ze waren onder de indruk van haar wijsheid. Ze zeiden: 21‘Er is op de hele wereld geen vrouw te vinden die zo mooi is en zo verstandig spreekt.’ 22Holofernes zei tegen haar: ‘Uw God heeft goed gehandeld door u uit uw volk naar ons toe te sturen om ons de macht in handen te geven, terwijl zij die mijn heer minachten ten val komen. 23U bent een bekoorlijke vrouw en u spreekt wijze woorden. Als u doet wat u gezegd hebt, zal uw God mijn God zijn. Dan zult u in het paleis van koning Nebukadnessar wonen en beroemd zijn over de hele wereld.’

12

121Daarna gaf hij bevel haar naar het vertrek te brengen waar zijn tafelzilver lag, en haar te vergasten op de uitgelezen gerechten en de wijn die voor hem bestemd waren. 2

12:2
Dan. 1:8
Maar Judit zei: ‘Nee, ik eet daar niet van, want dat brengt ongeluk. Alleen wat we zelf hebben meegenomen mag mij worden voorgezet.’ 3Holofernes antwoordde: ‘Maar als dat op is, waar moeten wij dan zulk voedsel voor u vandaan halen? Want we hebben hier niemand van uw volk.’ 4Toen zei Judit tegen hem: ‘Zo waar mijn heer leeft, ik zal niet opmaken wat ik bij me heb voordat de Heer door mijn toedoen ten uitvoer brengt wat hij heeft besloten.’

5Nadat Holofernes’ gevolg haar naar haar tent had gebracht, sliep ze tot middernacht. Tegen de morgenwake stond ze op 6en liet Holofernes vragen haar toestemming te verlenen om buiten het kamp te gaan bidden. 7Holofernes gaf zijn lijfwachten bevel haar niets in de weg te leggen. Zo verbleef ze drie dagen in de legerplaats. ’s Nachts ging ze naar het ravijn van Betulia en baadde zich bij de waterbron in het kamp daar. 8Daarna smeekte ze dan de Heer, de God van Israël, om haar te leiden, zodat haar volk in ere hersteld zou worden. 9En nadat ze gereinigd was teruggekeerd, bleef ze in haar tent totdat tegen de avond haar eten werd gebracht.

Afrekening met Holofernes

10Op de vierde dag gaf Holofernes een feestmaal, waarvoor hij alleen zijn dienaren uitnodigde en geen enkele bevelhebber. 11Tegen Bagoas, de eunuch die de zorg had voor zijn persoonlijke bezittingen, zei hij: ‘Probeer jij eens die Hebreeuwse vrouw die bij jou is zover te krijgen dat ze hierheen komt en samen met ons eet en drinkt. 12Want het zou toch een schande zijn als we zo’n vrouw laten schieten zonder van haar gezelschap te hebben genoten. Als we haar niet aan onze tafel kunnen begroeten, zal ze ons gewoonweg uitlachen.’ 13Bagoas ging van Holofernes naar Judit en zei tegen haar: ‘Aarzel toch niet naar mijn heer te gaan, schoonheid, en wees zijn eregast. Kom vrolijk wijn met ons drinken en wees vandaag net als zo’n Assyrische vrouw die Nebukadnessar in zijn paleis ter beschikking staat.’ 14Judit antwoordde: ‘Wie ben ik dat ik tegen de wil van mijn heer in zou gaan? Zou ik mij niet haasten om alles te doen wat hem behaagt? Dat zal mij een vreugde zijn tot de dag dat ik sterf.’ 15En dadelijk begon ze zich om te kleden en mooi te maken met allerlei vrouwelijke opschik.

Haar slavin ging Holofernes’ tent binnen en legde tegenover Holofernes de vachten op de grond die Judit van Bagoas had gekregen om erop aan te liggen bij haar dagelijkse maaltijd. 16Daarna kwam Judit zelf binnen en ging aanliggen. Holofernes’ hart sloeg over toen hij haar zag en hij raakte buiten zinnen van verlangen naar haar. (Sinds de dag dat hij haar voor het eerst zag had hij al naar een goede gelegenheid gezocht om haar te verleiden.) 17Hij zei tegen haar: ‘Kom, drink met ons en wees vrolijk.’ 18Judit antwoordde: ‘Dat zal ik zeker doen, heer, want voor mij is dit de heerlijkste dag van mijn leven.’ 19En voor zijn ogen at en dronk ze wat haar slavin voor haar had klaargemaakt. 20Holofernes was verrukt van haar en dronk heel veel wijn, meer dan hij ooit in zijn leven op één dag gedronken had.