Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
9

Judits gebed

91

9:1
Ex. 30:7-8
Ps. 141:2
Judit boog zich neer, wierp stof over haar hoofd en ontkleedde zich tot op het rouwkleed dat ze droeg. En op hetzelfde moment dat in Jeruzalem in het huis van God het reukoffer van die avond werd opgedragen, begon Judit met luide stem de Heer aan te roepen: 2
9:2
Gen. 34:1-31
‘Heer, God van mijn stamvader Simeon. Hem hebt u een zwaard in de hand gegeven om de vreemdelingen te straffen die de schoot van een maagd hadden geopend om haar te bezoedelen, haar dijen ontbloot om haar te onteren, haar schoot tot haar schande geschonden. Want ofschoon u gezegd had dat iets dergelijks niet mag, deden zij het toch. 3Daarom hebt u hun leiders prijsgegeven aan de dood, en het bed dat zich schaamde voor hun verleiding maar nu zelf werd misleid, met bloed laten besmeuren. Zowel de dienaren als hun vorsten hebt u verslagen, zowel de vorsten als hun heerschappij. 4Hun vrouwen hebt u laten buitmaken, hun dochters gevangen laten nemen, hun eigendommen laten verdelen onder uw geliefde kinderen, die met grote toewijding aan u en vol afkeer van de ontering van hun familie tot u om hulp riepen. God, mijn God, luister ook naar mij, een weduwe. 5
9:5
Ps. 115:3
135:6
Jes. 44:7
46:9-11
U bent het immers die al die dingen hebt teweeggebracht, met wat eraan voorafging en wat eruit voortkwam. Wat nu gebeurt en wat nog staat te gebeuren is allemaal door u bedacht. Wat u voor de geest staat, wordt werkelijkheid 6
9:6
Job 38:35
Bar. 3:35
en de dingen waartoe u besluit, dienen zich aan met de woorden: “Hier zijn we.” Want al uw wegen zijn gebaand en wat u beslist, hebt u al voorzien.

7

9:7
Ps. 33:16-17
46:10
76:4
Judit 5:23
6:2
16:2
2 Mak. 8:18
De Assyriërs hier hebben een geweldige legermacht; ze zijn trots op hun paarden en ruiters, gaan prat op de kracht van hun voetvolk, vertrouwen op hun schilden en lansen, hun bogen en slingers. Ze weten niet dat u de Heer bent die wapentuig in stukken breekt – 8uw naam is Heer! Breek dan hun sterkte met uw kracht en verbrijzel hun macht in uw woede. Want zij willen uw heiligdom ontwijden, de woonplaats van uw roemrijke naam ontheiligen en de horen van uw altaar met geweld afhouwen. 9Zie hun hoogmoed en stort uw woede over hen uit. Geef mij, weduwe, een vaste hand om uit te voeren wat ik heb bedacht. 10Versla door mijn misleidende woorden de dienaar met zijn heer, de heer met zijn gevolg. Vernietig hun hoge aanzien door toedoen van een vrouw. 11
9:11
Recht. 7:4-7
1 Sam. 14:6
Ps. 113:7
147:10-11
Want niet de macht van het getal bepaalt uw kracht, niet op geweldenaars steunt uw heerschappij. U bent juist de God van de vernederden, de helper van onaanzienlijken, de steun van zwakken, de beschermer van moedelozen, de redder van wanhopigen. 12God van mijn stamvader, God van uw Israël, Heer van hemel en aarde, schepper van de wateren, koning van heel uw schepping – hoor toch mijn gebed 13
9:13
Judit 10:4
11:20
16:6
en geef dat mijn misleidende woorden hén verwonden en striemen die gruwelijke dingen in de zin hebben tegen uw verbond en uw gewijde tempel, tegen de Sion en het huis dat uw kinderen toebehoort. 14
9:14
Jes. 37:20
44:8
Breng heel uw volk, ja alle volken, tot de erkenning dat u God bent, de God van alle kracht en macht, en dat alleen u het volk van Israël beschermt.’

10

Op weg naar Holofernes

101Nadat Judit was uitgesproken en haar gebed tot de God van Israël had beëindigd, 2

10:2
Judit 8:6
richtte ze zich op uit haar geknielde houding. Ze riep haar slavin en ging naar beneden, haar huis in, waar ze altijd de sabbat en de feestdagen doorbracht. 3Ze legde het rouwkleed af dat ze droeg, evenals haar weduwedracht. Daarna baadde ze zich en wreef zich in met kostbare mirre. Ze maakte haar haar op, deed een hoofdband om en trok haar mooiste kleren aan, die ze had gedragen toen haar man Manasse nog leefde. 4Verder deed ze sandalen aan en tooide zich met enkelringen, armbanden, ringen, oorhangers en andere sieraden. Ze maakte zich zo mooi op, dat ze verleidelijk was voor iedere man die haar zou zien. 5Ze gaf haar slavin een veldfles met wijn en een kruik olijfolie. In een reiszak deed ze wat meel, gedroogde vruchten en fijn brood. Nadat ze ook al haar vaatwerk had ingepakt, gaf ze haar slavin alles te dragen. 6Samen gingen ze op weg naar de stadspoort van Betulia, waar Ozias stond met de andere stadsoudsten, Chabris en Karmi.

7Toen zij zagen hoe volkomen anders Judit eruitzag, raakten ze diep onder de indruk van haar schoonheid. Ze zeiden tegen haar: 8‘Moge de God van onze voorouders u genadig zijn en uw plannen doen slagen, opdat Israël zegeviert en Jeruzalem in ere hersteld wordt.’ En ze aanbaden God. 9Daarna zei Judit tegen hen: ‘Laat nu de poort voor mij openmaken, dan ga ik de stad uit om dat te volbrengen.’ Op dit verzoek gaven zij de jongemannen opdracht de poort te openen, 10en vervolgens ging Judit de stad uit, samen met haar slavin. De mannen in de stad volgden haar met de ogen zoals ze daar ging, de berg af, het dal door, tot ze haar niet meer konden zien.

11Judit ging dwars door het dal, totdat een voorpost van de Assyriërs haar aanhield 12en gevangennam. Ze ondervroegen haar: ‘Tot welk volk behoort u, waar komt u vandaan en waar gaat u heen?’ Judit antwoordde: ‘Ik ben een Hebreeuwse, maar ik vlucht bij hen vandaan omdat zij ieder ogenblik aan u ten prooi kunnen vallen. 13Ik ben onderweg naar Holofernes, de opperbevelhebber van uw leger, om hem betrouwbare inlichtingen te verschaffen. Ik zal hem een weg wijzen waarlangs hij kan gaan, zodat hij het hele bergland in bezit kan nemen zonder dat ook maar een van zijn mannen het leven erbij inschiet.’ 14De mannen, die naar haar keken terwijl ze luisterden, waren onder de indruk van haar schoonheid, en zeiden tegen haar: 15‘Het is uw redding dat u zo snel naar onze heer bent gekomen. Ga nu naar zijn tent; een aantal van ons zal met u meegaan en u aan hem overdragen. 16Als u voor hem staat moet u niet bang zijn. Vertel hem wat u net hebt gezegd en hij zal u goed behandelen.’ 17Daarna kozen ze honderd mannen uit om haar en haar slavin te begeleiden. Zo werden ze naar de tent van Holofernes gebracht.

18Omdat het gerucht van haar komst alle tenten was rondgegaan, liep de hele legerplaats te hoop. Iedereen kwam om haar heen staan toen zij buiten Holofernes’ tent wachtte, terwijl men hem op de hoogte bracht. 19Hun bewondering voor haar schoonheid leidde tot bewondering voor de Israëlieten, en ze zeiden tegen elkaar: ‘Wie zou het volk minachten dat zulke vrouwen telt? Nee, het is niet goed om ook maar één van hun mannen in leven te laten, want als ze ontkomen, dan kunnen ze de hele wereld naar hun hand zetten.’ 20Toen kwamen de lijfwachten en de dienaren van Holofernes naar buiten en brachten haar de tent binnen.

Ontmoeting met Holofernes

21Holofernes lag te rusten op zijn bed, waar een purperen draperie omheen hing, met goud doorweven en versierd met smaragd en andere edelstenen. 22Nadat ze Judit hadden aangekondigd, kwam hij naar de voorste ruimte van de tent, terwijl men zilveren lampen voor hem uit droeg. 23Toen Judit voor hem en zijn gevolg verscheen, maakte haar schoonheid grote indruk. Ze boog zich ter aarde en bewees hem eer, waarna zijn dienaren haar oprichtten.

11

111‘Wees maar gerust,’ zei Holofernes tegen haar, ‘wees niet bang. Ik heb nog nooit een mens kwaad gedaan die zich vrijwillig heeft onderworpen aan Nebukadnessar, koning van de hele aarde. 2En als uw volk, dat in de bergen woont, mij niet zo had geminacht, zou ik de wapens niet tegen hen hebben opgenomen. Maar ze hebben het zichzelf aangedaan. 3Vertel me eens waarom u van hen bent weggevlucht en naar ons toe bent gekomen. Het is u zeker om redding te doen? Vertrouw me maar, u blijft in leven, vannacht en ook daarna, 4want niemand zal u iets doen. Integendeel, u zult goed behandeld worden, zoals ieder die mijn heer, koning Nebukadnessar, dient.’

5

11:5
Judit 10:13
Judit antwoordde hem: ‘Wees zo goed naar de woorden van uw dienares te luisteren. Sta mij toe tot u te spreken, dan zal ik mijn heer deze nacht inlichten zonder te liegen. 6Als u de raad van uw dienares opvolgt, zal wat God met u onderneemt volledig slagen en zal mijn heer niet in zijn opzet falen. 7
11:7
Jer. 27:6
Dan. 2:38
Bar. 3:16-17
Zo waar Nebukadnessar, koning van de hele aarde, leeft en bij de macht van hem, die u heeft gezonden om orde te scheppen onder al wat leeft: niet alleen mensen zijn door u aan hem onderworpen, ook de wilde en tamme dieren en de vogels zullen door uw kracht leven voor Nebukadnessar en heel zijn huis. 8Want wij hebben van uw wijsheid gehoord en u hebt naam gemaakt met uw daden. Overal op aarde wordt verkondigd dat er niemand in het hele koninkrijk zo bekwaam is als u, zo geniaal en zo indrukwekkend als strateeg.

9

11:9
Judit 5:5-22
Wij zijn op de hoogte van de dingen die Achior in uw vergadering heeft gezegd, want de mannen van Betulia hebben hem gespaard en hij heeft hun precies verteld wat hij toen gezegd heeft. 10Sla zijn raad niet in de wind, machtige heer, neem zijn woorden ter harte, want het is waar: ons volk is onkwetsbaar en het zwaard kan niets tegen hen uitrichten, tenzij ze zondigen tegen hun God.

11Welnu, mijn heer hoeft niet te vrezen voor een teleurstelling of mislukking, want ze zijn ten dode opgeschreven: de zonde heeft vat op hen gekregen en ze zullen de woede van hun God opwekken zodra ze doen wat verkeerd is. 12

11:12
Judit 7:14,17
Omdat hun voedsel op is en het water schaars is geworden, zijn ze van plan zich aan hun vee te vergrijpen en willen ze alles gaan eten waarvan God hun in zijn wetten geboden heeft zich te onthouden. 13
11:13
Deut. 14:22
De eerste opbrengst van de graanoogst en de tienden van de wijn en de olijfolie, die ze apart gehouden hebben en die bestemd zijn voor de priesters die in Jeruzalem dienstdoen voor onze God, willen ze gebruiken, hoewel het niemand van het volk geoorloofd is die offergaven zelfs maar aan te raken. 14Ze hebben mensen naar Jeruzalem gestuurd – want ook daar deed men zulke dingen – om van de raad van oudsten ontheffing te verkrijgen. 15Wanneer ze die hebben en ernaar handelen, zullen ze u diezelfde dag nog in handen vallen.

16Daarom ben ik, uw dienares, toen ik dit allemaal te weten kwam, van hen weggevlucht. God heeft mij gezonden om dingen met u te doen waarvan de hele wereld versteld zal staan. 17Want uw dienares is een vrome vrouw, die dag en nacht de God van de hemel is toegewijd. Laat mij bij u blijven, heer, dan zal ik ’s nachts naar het ravijn gaan om daar tot God te bidden. Hij zal mij zeggen wanneer zij gezondigd hebben 18en dan zal ik u verslag komen doen. Als u dan uitrukt met heel uw leger zult u geen enkele tegenstand ontmoeten. 19Ik voer u dwars door Judea naar Jeruzalem; midden in de stad zal ik uw troon plaatsen. Dan jaagt u hen op als schapen zonder herder, en geen hond zal zijn tanden tegen u ontbloten. Dat het zo zal gaan is mij tevoren onthuld, en ik ben gezonden om u te vertellen wat mij is verteld.’

20Deze woorden bevielen Holofernes en zijn gevolg, en ze waren onder de indruk van haar wijsheid. Ze zeiden: 21‘Er is op de hele wereld geen vrouw te vinden die zo mooi is en zo verstandig spreekt.’ 22Holofernes zei tegen haar: ‘Uw God heeft goed gehandeld door u uit uw volk naar ons toe te sturen om ons de macht in handen te geven, terwijl zij die mijn heer minachten ten val komen. 23U bent een bekoorlijke vrouw en u spreekt wijze woorden. Als u doet wat u gezegd hebt, zal uw God mijn God zijn. Dan zult u in het paleis van koning Nebukadnessar wonen en beroemd zijn over de hele wereld.’

Door deze website verder te gebruiken ga je akkoord met plaatsing en gebruik van cookies door het NBG en derden conform onze privacyverklaring.[bericht verbergen]