Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
6

Jesaja geroepen

61

6:1
2 Kron. 26:22-23
Jes. 14:28
20:1
Op. 4:2
In het sterfjaar van koning Uzzia zag ik de Heer, gezeten op een hoogverheven troon. De zoom van zijn mantel vulde de hele tempel. 2
6:2
Ezech. 1:11
Boven hem stonden serafs. Elk van hen had zes vleugels, twee om het gezicht en twee om het onderlichaam te bedekken, en twee om mee te vliegen. 3
6:3
Num. 14:21
Op. 4:8
Zij riepen elkaar toe: ‘Heilig, heilig, heilig is de HEER van de hemelse machten. Heel de aarde is vervuld van zijn majesteit.’ 4
6:4
1 Kon. 8:10-11
Op. 15:8
Door het luide roepen schudden de deurpinnen in de dorpels, en de tempel vulde zich met rook. 5
6:5
Ex. 33:20
Ik schreeuwde het uit: ‘Wee mij! Ik moet zwijgen, want ik ben een mens met onreine lippen, en ik leef te midden van een volk dat onreine lippen heeft. En nu heb ik met eigen ogen de koning, de HEER van de hemelse machten, gezien.’ 6Toen nam een van de serafs met een tang een gloeiende kool van het altaar en vloog daarmee op mij af. 7Hij raakte mijn mond ermee aan en zei: ‘Nu zijn je lippen gereinigd. Je schuld is geweken, je zonden zijn tenietgedaan.’ 8Daarop hoorde ik de stem van de Heer zeggen: ‘Wie zal ik sturen? Wie kan namens ons gaan?’ Ik antwoordde: ‘Hier ben ik, stuur mij.’ 9
6:9-10
Mat. 13:14-15
Hand. 28:26-27
Toen zei hij: ‘Ga en profeteer het volgende tegen dit volk: “Luister goed, maar begrijpen zul je het niet; kijk goed, maar inzien zul je het niet.” 10
6:10
Jer. 5:21
Ezech. 12:2
Marc. 4:12
Joh. 12:40
Maak het hart van het volk ongevoelig, stop hun oren toe, smeer hun ogen dicht. Dan kunnen ze met hun ogen niet zien, met hun oren niet luisteren, en tot hun hart zal het niet doordringen. Ze zullen niet naar mij terugkeren en geen herstel vinden.’ 11Ik vroeg: ‘Hoe lang, Heer?’ Hij antwoordde: ‘Totdat de steden en huizen geheel verlaten zijn en er geen mens meer woont, tot heel het land verwoest is, één grote woestenij. 12Totdat de HEER de mensen heeft weggevoerd en er totale verlatenheid heerst in het land. 13En als er nog een tiende deel achterblijft, dan gaat ook dat in vlammen op, zoals een eik of een terebint wordt geveld voor een vuur. Er blijft slechts een stronk over, en het zaad in die stronk is heilig.’

7

Het teken van Immanuel

71

7:1
2 Kon. 16:5
2 Kron. 28:5-6
In de tijd dat Achaz, de zoon van Jotam, de zoon van Uzzia, regeerde over Juda, trok koning Resin van Aram samen met koning Pekach van Israël, de zoon van Remaljahu, op naar Jeruzalem. Hij belegerde de stad, maar slaagde er niet in haar in te nemen. 2Toen het koningshuis van David het bericht kreeg dat Aram en Efraïm de krachten gebundeld hadden, sloeg de koning en zijn volk de schrik om het hart, en zij beefden als bomen in de storm. 3Toen zei de HEER tegen Jesaja: ‘Ga samen met je zoon Sear-Jasub7:3 Sear-Jasub – Sear-Jasub kan worden vertaald als ‘een rest zal terugkeren’. op weg om Achaz te ontmoeten, op de straat van het bleekveld, waar de watertoevoer in het bovenste waterbekken uitkomt. 4Zeg tegen hem: “Houd het hoofd koel, laat u geen schrik aanjagen door die twee smeulende stukken hout, Resin van Aram en de zoon van Remaljahu, hoe hoog hun woede ook oplaait. 5Aram mag dan kwaad tegen u in de zin hebben, net als Efraïm met die zoon van Remaljahu, en zeggen: 6‘Laten we tegen Juda ten strijde trekken, het verscheuren en overmeesteren, en dan stellen we de zoon van Tabeal aan als koning’ – 7maar dit zegt God, de HEER: Het zal niet gebeuren, het zal niet zo gaan. 8Immers, het hoofd van Aram is Damascus, en het hoofd van Damascus is die Resin. – Nog vijfenzestig jaar en het volk van Efraïm bestaat niet meer. – 9
7:9
Jes. 30:15
Het hoofd van Efraïm is Samaria, en het hoofd van Samaria is die zoon van Remaljahu. Alleen als jullie vertrouwen hebben, houden jullie stand.”’

10De HEER liet verder tegen Achaz zeggen: 11‘Vraag om een teken van de HEER, uw God, hetzij uit de diepte van het dodenrijk7:11 het dodenrijk – Volgens de Septuaginta en de Vulgata. MT: ‘vraag het’. hetzij uit de hoge hemel.’ 12Maar Achaz antwoordde: ‘Nee, ik zal geen teken vragen, ik zal de HEER niet op de proef stellen.’ 13Toen antwoordde Jesaja: ‘Luister, huis van David. Is het niet genoeg de mensen te tergen? Moet u nu ook mijn God tergen? 14

7:14
Jes. 9:5
Micha 5:2
Mat. 1:23
Daarom zal de Heer zelf u een teken geven: de jonge vrouw is zwanger, zij zal spoedig een zoon baren en hem Immanuel7:14 Immanuel – Immanuel kan worden vertaald als ‘God met ons’. noemen. 15
7:15
Jes. 7:22
Boter en honing zal hij eten, totdat hij in staat is om het kwade te verwerpen en het goede te kiezen. 16
7:16
Jes. 8:4
Want voordat de jongen in staat is om het kwade te verwerpen en het goede te kiezen, zal het land van de beide koningen die u zo veel angst inboezemen, ontvolkt zijn. 17En voor u, uw volk en uw koningshuis zal de HEER een tijd laten aanbreken zoals men niet meer heeft meegemaakt sinds Efraïm zich van Juda afscheidde: de heerschappij van Assyrië.’

18Op die dag zal de HEER de vliegen van de verste waterstromen van Egypte bijeenfluiten, en uit Assyrië een zwerm bijen. 19Ze zullen allemaal komen en neerstrijken in steile rivierdalen en in rotsspleten, bij iedere drinkplaats en op elke doornstruik. 20Op die dag zal de Heer met een aan de overkant van de Eufraat gehuurd scheermes – de koning van Assyrië – alle haren van hoofd en baard en zelfs het schaamhaar afscheren. 21Op die dag zal men een jonge koe houden, een geit en een schaap. 22Door de overvloed aan melk die ze geven, heeft iedereen ruimschoots boter te eten. Boter en honing is er voor wie in het land zijn achtergebleven. 23Op die dag zal elk stuk grond waar duizend wijnstokken staan ter waarde van duizend sjekel zilver, door dorens en distels overwoekerd worden. 24Alleen met pijl en boog dringt men er door; dorens en distels versperren de weg. 25Hellingen die met de hak zijn bewerkt, zullen onbereikbaar worden door vervaarlijke dorens en distels. Men kan er slechts de runderen heen drijven, het door de schapen laten vertrappen.

8

Onheil over een volk zonder vertrouwen

81De HEER zei tegen mij: ‘Neem een groot schrijftablet en noteer daarop in leesbaar schrift: haastige roof, spoedige buit.’ 2

8:2
2 Kon. 16:10-16
18:2
Als betrouwbare getuigen koos ik de priester Uria en Zecharja, de zoon van Jeberechjahu. 3Ik had gemeenschap met de profetes; zij werd zwanger en baarde een zoon. De HEER zei tegen mij: ‘Geef hem de naam “Haastige roof, spoedige buit”. 4
8:4
Jes. 7:16
Want nog voordat de jongen vader en moeder kan zeggen, zullen de rijkdommen van Damascus en de schatten van Samaria door de koning van Assyrië worden buitgemaakt.’

5De HEER zei verder nog tegen mij: 6‘Omdat dit volk geen vertrouwen meer heeft in het kabbelende water van Siloach en zijn geluk zoekt bij Resin en de zoon van Remaljahu, 7zal de Heer de koning van Assyrië en zijn geweldige legermacht over hen uitstorten als de grote watermassa’s van de Eufraat: ze zullen buiten hun oevers treden en over alles heen stromen. 8Ze zullen Juda binnendringen en het overspoelen, zodat het water ieder tot de lippen stijgt. Ze zullen je land over de volle breedte overvleugelen, Immanuel.’

9Roep op tot de strijd, volken, beef van angst. Luister, volken van de verste hoeken van de aarde. Gord je wapens aan en beef van angst, ja, gord je wapens aan en beef van angst. 10Smeed een plan – het zal verijdeld worden; sluit een verbond – het zal nergens toe leiden. Want God is met ons.

11Toen greep de HEER mij bij de hand en hield me voor dat ik me anders moest gedragen dan dit volk. Hij zei: 12

8:12-13
1 Petr. 3:14
‘Noem niet alles een samenzwering wat zij een samenzwering noemen. Wees niet bang voor wat hun angst aanjaagt, heb er geen ontzag voor. 13Alleen de HEER van de hemelse machten is heilig, voor hem zijn angst en ontzag op hun plaats. 14
8:14
Rom. 9:33
1 Petr. 2:8
Hij zal een heiligdom zijn, maar ook de steen waaraan men zich stoot, de rots waarover de twee koningshuizen van Israël struikelen, de valstrik en het net waarin de inwoners van Jeruzalem verstrikt raken. 15
8:15
Jes. 28:13
Velen zullen struikelen, ze komen ten val en worden vermorzeld, raken verstrikt en worden gevangen. 16Bewaar mijn getuigenis zorgvuldig, verzegel dit onderricht in mijn leerlingen.’

17

8:17
Hebr. 2:13
Ik stel mijn vertrouwen in de HEER, hoewel hij zich voor het volk van Jakob verborgen houdt; ik heb mijn hoop op hem gevestigd. 18Ik ben, met de kinderen die de HEER mij heeft gegeven, een teken voor Israël, een zinnebeeld van de HEER van de hemelse machten, die op de Sion woont.

19

8:19
Lev. 19:31
Wanneer men jullie vraagt om de geesten van doden te raadplegen en naar fluisterende en mompelende waarzeggers te luisteren – elk volk raadpleegt toch zijn goden en vraagt de doden toch om raad voor de levenden? –, 20ga dan alleen af op dit onderricht, op mijn getuigenis. Spreek uitsluitend volgens deze woorden, waartegen geen bezwering bestand is.

21Moedeloos en hongerig zullen de mensen door het land zwerven. Ze zullen honger lijden en in hun woede de koning en hun God vervloeken. Ze kijken omhoog 22of staren naar de grond, maar overal heerst verstikkende duisternis; donker en somber is het, nacht overal. 23En wie daardoor omsloten wordt, zal niet ontkomen.

Licht in de duisternis

Zoals het land van Zebulon en Naftali

in het verleden smadelijk bejegend is,

zo wordt weldra eer bewezen aan de kuststreek,

het Overjordaanse en het domein van andere volken.