Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
38

Hizkia’s ziekte en genezing

381

38:1-8
2 Kon. 20:1-11
2 Kron. 32:24-26
Omstreeks dezelfde tijd werd Hizkia dodelijk ziek. De profeet Jesaja, de zoon van Amos, kwam naar hem toe en zei: ‘Dit zegt de HEER: Maak je laatste wilsbeschikking op, want je sterft. Je zult niet meer beter worden.’ 2Hizkia draaide zijn gezicht naar de muur en bad tot de HEER: 3HEER, ik smeek u, neem toch in aanmerking dat ik me altijd oprecht en met heel mijn hart naar uw wil heb gericht en steeds heb gedaan wat goed is in uw ogen.’ Daarbij stortte hij bittere tranen. 4Toen richtte de HEER zich opnieuw tot Jesaja: 5‘Ga naar Hizkia toe en zeg tegen hem: “Dit zegt de HEER, de God van je voorvader David: Ik heb je gebed gehoord en je tranen gezien. Welnu, ik geef je nog vijftien jaar te leven, 6en ik zal jou en deze stad redden uit de handen van de koning van Assyrië. Ik zal deze stad beschermen.”’ 7Jesaja zei: ‘De HEER geeft u het volgende teken dat hij zijn belofte zal nakomen: 8ik laat de schaduw op de zonnewijzer van Achaz tien graden achteruitgaan in plaats van vooruit.’ En de schaduw ging tien graden achteruit.

9Een stil gebed38:9 Een stil gebed – Voorgestelde lezing. MT: ‘Een brief’. van koning Hizkia van Juda, toen hij ziek was en van zijn ziekte herstelde.

10Ik dacht: In de bloei van mijn leven moet ik gaan,

de tijd die mij rest verblijf ik in het dodenrijk.

11

38:11
Ps. 27:13
Ik dacht: Ik zal de HEER niet meer zien

in het land der levenden,

of ooit nog een mens aanschouwen

daar waar alles zijn einde vindt.

12Mijn woonplaats werd ontruimd en lag open,

zoals de tent van een herder;

ik rolde mijn leven op zoals een wever het tentdoek,

hij heeft mijn draad afgesneden.

Dag en nacht staat u mij naar het leven,

13

38:13
Job 10:16
weerloos lig ik tot het ochtendgloren,

als een leeuw breekt u al mijn botten.

Dag en nacht staat u mij naar het leven,

14

38:14
Ps. 69:4
ik piep als een gierzwaluw,38:14 als een gierzwaluw – Voorgestelde lezing. MT: ‘als een paard’.

ik klaag en kreun als een duif.

Met geloken ogen roep ik naar omhoog:

‘Ach Heer, sta in mijn nood voor mij in.’

15Wat zal ik nog zeggen?

Wat hij mij beloofd heeft, doet hij ook.

Ik zou mijn levensweg hebben vervolgd,

gebukt onder mijn bittere lot.

16

38:16
Ps. 103:3-4
Maar mijn Heer zei: ‘Tijd om te leven!’

Al die tijd zal mijn geest in leven blijven.

U geeft mij nieuwe kracht, u doet mij herleven.

17Zo heeft mijn bittere lot mij vrede gebracht.

U hebt mij behoed voor het zinloze graf,38:17 U hebt mij behoed voor het zinloze graf – Volgens de Vulgata. MT: ‘U hebt mij lief boven het zinloze graf’.

u hebt mijn zonden weggedaan.

18

38:18
Ps. 6:6
88:1-13
Sir. 17:27
Nee, het dodenrijk zal u niet loven,

de dood prijst u niet,

zij die in het graf zijn afgedaald

verlaten zich niet op uw trouw.

19Maar hij die leeft – leeft! – zal u loven,

zoals ik doe op deze dag.

Ouders laten hun kinderen weten

hoe trouw u bent.

20De HEER is mij te hulp gekomen.

Laten wij op de snaren spelen

in de tempel van de HEER,

alle dagen van ons leven.

21Jesaja beval de dienaren van de koning een plak gedroogde vijgen te nemen en de ontstoken plek ermee in te wrijven, waarop Hizkia nieuwe krachten kreeg. 22Hij vroeg: ‘Krijg ik van de HEER ook een teken dat ik weer naar de tempel zal kunnen gaan?’
39

391

39:1-8
2 Kon. 20:12-19
2 Kron. 32:27-31
In die tijd stuurde koning Merodach-Baladan van Babylonië, de zoon van Baladan, die had vernomen dat Hizkia ziek was geweest en weer hersteld was, gezanten met brieven en een geschenk naar hem toe. 2Hizkia ontving hen hartelijk en liet hun zijn schatkamers zien: het zilver, het goud, het reukwerk, de kostbare oliën, en ook zijn hele arsenaal en alles wat zich in zijn magazijnen bevond. Er was niets in zijn paleis of in zijn rijk dat Hizkia hun niet liet zien. 3Kort daarop ging de profeet Jesaja naar koning Hizkia toe en vroeg hem: ‘Wat hebben deze mannen tegen u gezegd? Waar kwamen ze vandaan?’ ‘Uit een ver land,’ antwoordde Hizkia, ‘uit Babylonië.’ 4‘Wat hebben ze in uw paleis te zien gekregen?’ vroeg Jesaja, en Hizkia antwoordde: ‘Ze hebben alles gezien wat zich in mijn paleis bevindt. Er is niets in mijn magazijnen dat ik hun niet heb laten zien.’ 5Hierop zei Jesaja tegen Hizkia: ‘Luister naar wat de HEER van de hemelse machten te zeggen heeft. 6Het duurt niet lang meer, of alles wat zich in uw paleis bevindt, alles wat uw voorouders tot nu toe hebben vergaard, zal naar Babel worden weggesleept. Er blijft niets van over – zegt de HEER. 7
39:7
2 Kon. 24:10-16
2 Kron. 36:10
Dan. 1:1-7
Ook een aantal van uw zonen, het nageslacht dat u hebt verwekt, zal worden weggevoerd om dienst te doen in het paleis van de koning van Babylonië.’ 8Hizkia antwoordde: ‘Het is goed, wat u namens de HEER tegen mij hebt gezegd.’ Want hij dacht bij zichzelf: Dat betekent dat er zolang ik leef, rust en vrede zal heersen.

40

Troost voor Jeruzalem

401

40:1-8
Jes. 52:7-12
Troost, troost mijn volk, zegt jullie God.

2Spreek Jeruzalem moed in, maak haar bekend

dat haar slavendienst voorbij is, dat haar schuld is voldaan,

omdat zij een dubbele straf voor haar zonden

uit de hand van de HEER heeft ontvangen.

3

40:3-5
Luc. 3:4-6
40:3
Mal. 3:1
Mat. 3:3
Marc. 1:3
Joh. 1:23
Hoor, een stem roept:

‘Baan voor de HEER een weg door de woestijn,

effen in de wildernis een pad voor onze God.

4

40:4
Bar. 5:7
Laat elke vallei verhoogd worden

en elke berg en heuvel verlaagd,

laat ruig land vlak worden

en rotsige hellingen rustige dalen.

5

40:5
Jes. 35:2
De luister van de HEER zal zich openbaren

voor het oog van al wat leeft.

De HEER heeft gesproken!’

6

40:6-8
Ps. 37:2
90:5
Jak. 1:10-11
1 Petr. 1:24-25
40:6
Job 14:2
Jes. 51:12
Hoor, een stem zegt: ‘Roep!’

En een stem antwoordt: ‘Wat zou ik roepen?

De mens is als gras, hij bloeit als een veldbloem.

7

40:7-8
Ps. 103:15
Het gras verdort en de bloem verwelkt

wanneer de adem van de HEER erover blaast.

Ja, als gras is dit volk.’

8

40:8
Ps. 119:89
Het gras verdort en de bloem verwelkt,

maar het woord van onze God houdt altijd stand.

9Beklim een hoge berg, vreugdebode Sion,

verhef je stem met kracht, vreugdebode Jeruzalem,

verhef je stem, vrees niet.

Zeg tegen de steden van Juda: ‘Ziehier jullie God!’

10

40:10
Jes. 62:11
Op. 22:12
Ziehier God, de HEER!

Hij komt met kracht, zijn arm zal heersen.

Zijn loon heeft hij bij zich, zijn beloning gaat voor hem uit.

11

40:11
Ps. 23:1
Ezech. 34:11-15
Joh. 10:11-16
Als een herder weidt hij zijn kudde:

zijn arm brengt de lammeren bijeen,

hij koestert ze, en zorgzaam leidt hij de ooien.

God is onvergelijkbaar

12

40:12
Job 38:4-5
Spr. 30:4
Wijsh. 11:20
Wie heeft de wateren met holle hand omvat,

de hemel gemeten met een ellenmaat?

Wie heeft het stof van de aarde met een maatlepel afgepast?

Wie heeft de bergen gewogen op een weegschaal,

de heuvels met balans en gewichten?

13

40:13-14
Job 21:22
36:22-23
40:13
Rom. 11:34
1 Kor. 2:16
Wie heeft de geest van de HEER gemeten?

Heeft iemand hem ooit raad gegeven?

14Wie raadpleegt hij, wie biedt hem inzicht?

Wie leidt hem op de paden van het recht?

Wie leidt hem naar de wijsheid?

Wie toont hem de weg van het inzicht?

15

40:15
Wijsh. 11:22
In zijn ogen zijn de volken

als een druppel in een emmer,

als een stofje op een weegschaal;

de eilanden weegt hij als zandkorrels.

16Zelfs de Libanon levert te weinig hout,

te weinig wild voor een brandoffer.

17

40:17
Ps. 62:10
Dan. 4:32
De volken betekenen niets in zijn ogen,

voor hem zijn ze minder dan niets.

18

40:18
Jes. 46:5
Met wie wil je God vergelijken,

hoe is hij uit te beelden?

19

40:19-20
Ps. 115:4-8
Jes. 41:6-7
Jer. 10:3-5
51:17-18
Wijsh. 13:11-19
Br.Jer. 7
40:19
Hand. 17:29
Met een godenbeeld misschien?

Dat is door een ambachtsman gemaakt,

door een edelsmid overtrokken

met goud en zilverbeslag.

20Met een beeld, opgericht op een bergtop?

Dat is maar een stuk hout dat niet vermolmt,

met zorg gekozen door een vakman,

die een godenbeeld wil maken dat niet omvalt.

21Weet je het niet? Heb je het niet gehoord?

Is het je niet van meet af aan verteld?

Is het niet al helder sinds de grondvesting van de wereld?

22

40:22
Ps. 104:2
Jes. 44:24
Hij troont boven de schijf van de aarde

– haar bewoners zijn als sprinkhanen –,

hij spreidt de hemel uit als een doek,

spant hem uit als een tent om in te wonen.

23

40:23
Job 34:18-19
Ps. 2:2-5
Hij maakt vorsten nietig,

de leiders van de aarde onbeduidend:

24

40:24
Jes. 17:13-14
nauwelijks zijn ze geplant, nauwelijks gezaaid,

nauwelijks hebben ze wortel geschoten,

of hij blaast over hen, en ze verdorren

en de stormwind neemt hen op als kaf.

25

40:25
Jes. 45:5
Met wie wil je mij vergelijken, zegt de Heilige,

aan wie ben ik gelijk te stellen?

26

40:26
Ps. 147:4
Bar. 3:34-35
Kijk omhoog: wie heeft dit alles geschapen?

Hij laat het leger sterren voltallig uitrukken,

hij roept ze bij hun naam, een voor een;

door zijn kracht en onmetelijke grootheid

ontbreekt er niet één.

27

40:27
Jes. 49:14-16
Jakob, waarom zeg je – Israël, waarom beweer je:

‘Mijn weg blijft voor de HEER verborgen,

mijn God heeft geen oog voor mijn recht’?

28Weet je het niet? Heb je het niet gehoord?

Een eeuwige God is de HEER,

schepper van de einden der aarde.

Hij wordt niet moe, hij raakt niet uitgeput,

zijn wijsheid is niet te doorgronden.

29Hij geeft de vermoeide kracht,

de machteloze geeft hij macht in overvloed.

30Jonge strijders worden moe en raken uitgeput,

zelfs sterke helden struikelen,

31

40:31
Ps. 103:5
maar wie hoopt op de HEER krijgt nieuwe kracht:

hij slaat zijn vleugels uit als een adelaar,

hij loopt, maar wordt niet moe,

hij rent, maar raakt niet uitgeput.