Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
17

Onheil over Aram en Israël

171

17:1-3
Jer. 49:23-27
Amos 1:3-6
Zach. 9:1
Profetie over Damascus.

De stad Damascus zal niet meer bestaan,

het zal een bouwval, een ruïne worden.

2De steden van Aroër liggen verlaten,

ze zijn het domein van weidend vee

en niemand die de kudden verstoort.

3Efraïm heeft zijn vesting verloren

en Damascus zijn koninkrijk;

Arams luister zal vergaan als die van Israël

– spreekt de HEER van de hemelse machten.

4Op die dag gaat Jakobs luister teloor,

het vet van zijn lichaam slinkt weg.

5Het is of men de rijpe oogst binnenhaalt

en met de hand de aren afsnijdt,

het is als aren lezen in het dal van Refaïm:

6slechts een laatste rest blijft er over,

zoals bij het oogsten van olijven:

twee, drie rijpe vruchten boven in de top,

vier, vijf nog aan de takken van de boom

– spreekt de HEER, de God van Israël.

7Op die dag zal ieder de blik op zijn maker richten,

naar de Heilige van Israël de ogen opslaan.

8Men zal zich niet meer wenden

tot zelfgemaakte goden en hun altaren,

geen oog meer hebben voor zulk mensenwerk,

voor Asjerapalen en wierookaltaren.

9Op die dag zijn hun vestingsteden doods en uitgestorven –

de stilte van een uitgestrekt bos.

Een woestenij zal het er zijn, verlaten,

zoals destijds de steden bij de nadering van Israël.

10

17:10
Deut. 32:18
Jes. 44:8
Want je bent de God van je redding vergeten,

de rots waarop je steunde, heb je veronachtzaamd.

Je hebt fraaie tuinen aangelegd

en stekken geplant voor vreemde goden.

11Op de dag dat je plant, zie je ze opkomen,

op de morgen dat je zaait, zie je ze bloeien.

Maar heel je oogst gaat verloren,

op die dag van rampspoed en ondraaglijke pijn.

12Wee! Vele volken bulderen

zoals woeste zeeën bulderen,

talrijke naties razen

zoals kolkende watermassa’s razen;

13de volken razen woest, zoals het wildste water raast.

Maar als God zijn stem verheft, vluchten ze ver weg.

Ze stuiven uiteen, als kaf op de wind in de bergen,

als dwarrelende bladeren in een storm.

14Wanneer de avond valt, komt de verschrikking,

vóór de morgen aanbreekt zijn ze weggevaagd.

Dat is het lot van hen die ons beroven,

dat is het deel van onze plunderaars.

18

Profetie over Nubië

181

18:1-7
Sef. 2:12
Wee het land van de sjirpende krekels,

voorbij de rivieren van Nubië,

2dat boden over de zee zendt,

papyrusschepen over de wateren.

Ga, snelle gezanten,

naar het rijzige volk met glanzende huid,

naar het alom gevreesde volk,

een volk van tirannen en geweldenaars,

in een land van rivieren doorsneden.

3Laat alle bewoners van de aarde weten:

je zult op de bergen het opgestoken vaandel zien,

het schallen van de ramshoorn zul je horen.

4Want dit heeft de HEER mij gezegd:

‘Vanuit mijn woonplaats kijk ik roerloos toe,

als de verzengende hitte op het middaguur

of als nevel in de hitte van de oogsttijd.

5Na de bloeitijd, maar voor de oogst,

wanneer de bloesem tot rijpende druif wordt,

worden de ranken met snoeimessen afgesneden,

worden de loten gekapt en verwijderd.

6Tezamen vallen ze ten prooi

aan de gieren in de bergen

en aan de dieren in het wild.

’s Zomers leven de gieren van hun lijken,

in de winter voeden wilde dieren zich ermee.’

7

18:7
Sef. 3:10
In die tijd worden geschenken gebracht

aan de HEER van de hemelse machten

door het rijzige volk met glanzende huid,

door het alom gevreesde volk,

een volk van tirannen en geweldenaars,

uit een land van rivieren doorsneden.

Zij komen naar de Sion, waar de naam woont

van de HEER van de hemelse machten.

19

De val van Egypte en zijn herstel

191

19:1-25
Jer. 46:2-26
Ezech. 29:1-32:32
19:1
Ps. 68:5
Profetie over Egypte.

Rijdend op een lichte wolk

spoedt de HEER zich naar Egypte.

De goden van Egypte zullen voor hem beven,

Egyptes hart smelt in zijn binnenste.

2Ik zal de Egyptenaren tegen elkaar ophitsen:

ze raken onderling in gevecht,

man tegen man, vriend tegen vriend,

stad tegen stad, rijk tegen rijk.

3Egypte verliest zijn hoofd, raakt buiten zinnen.

Ik zal al zijn plannen verijdelen.

Dan wenden zij zich tot hun goden en bezweerders,

ze raadplegen geesten van doden en waarzeggers.

4Ik lever Egypte uit aan een harde meester,

meedogenloos zal hij over hen heersen

– spreekt God, de HEER van de hemelse machten.

5Het water van de zee zal verdampen,

de Nijl loopt leeg en valt droog.

6De rivierarmen beginnen te stinken,

de stromen van Egypte slinken en drogen op,

riet en biezen verwelken.

7De rietkraag langs oevers en monding verdort,

het akkerland aan de Nijl droogt uit;

alles verwaait, niets blijft ervan over.

8De vissers zullen zuchten en steunen;

ieder die in de Nijl zijn haken uitwerpt

of zijn netten uitgooit in het water, kwijnt weg.

9Wanhoop overvalt de vlasarbeiders,

hekelaars en spinners trekken wit weg.19:9 trekken wit weg – Volgens een Qumran-handschrift. Betekenis MT onzeker.

10De wevers worden radeloos,

de dagloners verliezen de moed.

11De vorsten van Soan tonen louter onverstand,

farao’s wijste raadsheren geven dwaze raad.

Hoe kun je tegen de farao zeggen:

‘Een kind van wijzen ben ik,

een kind van de koningen van weleer’?

12

19:12
1 Kor. 1:20
Waar zijn ze dan, jullie wijzen?

Laten zij het jullie bekendmaken,

onthullen wat hij over Egypte besloten heeft,

de HEER van de hemelse machten.

13De vorsten van Soan zijn verdwaasd,

de vorsten van Memfis laten zich bedriegen.

Zij die Egypte moesten leiden

brachten zijn stammen op een dwaalspoor.

14

19:14
Jes. 29:10
De HEER heeft hun geest in verwarring gebracht.

Zo komt Egypte ten val, wat het ook onderneemt,

als een dronkaard die in zijn eigen braaksel valt.

15

19:15
Jes. 9:13
Kop of staart, palmtak of riet,

in Egypte brengt niemand nog iets tot stand.

16

19:16
Jer. 51:30
Nah. 3:13
Op die dag zullen de Egyptenaren op vrouwen lijken: ze sidderen van angst voor de dreigende hand die de HEER van de hemelse machten tegen hen opheft. 17Telkens als Juda ter sprake komt, zal Egypte door schrik worden bevangen; wat de HEER van de hemelse machten over Egypte besloten heeft, vervult hen met angst.

18Op die dag zullen er in Egypte vijf steden zijn waar men de taal van Kanaän spreekt en de HEER van de hemelse machten erkent; een ervan zal ‘Stad van de zon’19:18 Stad van de zon – Volgens twee Qumran-handschriften, sommige andere Hebreeuwse handschriften en de oudste vertalingen. MT: ‘Stad van verwoesting’. genoemd worden. 19Op die dag zal er midden in Egypte een altaar voor de HEER staan en aan de grens een aan hem gewijde steen, 20die als teken zullen dienen om de HEER van de hemelse machten aan Egypte te herinneren. Wanneer de Egyptenaren de HEER aanroepen omdat ze onderdrukt worden, zal hij hun een bevrijder sturen, die voor hen opkomt en hen zal bevrijden. 21Zo zal de HEER zich aan Egypte laten kennen. Op die dag zullen de Egyptenaren de HEER erkennen, hem dienen met vredeoffers en graanoffers, hem geloften doen en die inlossen. 22De HEER zal hen slaan en hen helen; zij zullen naar hem terugkeren, hij zal hun gebeden verhoren en hen genezen.

23Op die dag zal er een weg lopen van Egypte naar Assyrië. Dan zullen de Assyriërs naar Egypte komen en de Egyptenaren naar Assyrië, en samen zullen zij de HEER dienen. 24Op die dag zal Israël zich als derde bij Egypte en Assyrië voegen, tot zegen voor de hele wereld. 25Want de HEER van de hemelse machten zal hen zegenen met de woorden: ‘Gezegend is Egypte, mijn volk, en Assyrië, werk van mijn handen, en Israël, mijn bezit.’