Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
16

161Bied de koning van ons land een geschenk aan,

stuur hem een ram, door de woestijn,

vanuit Sela naar de Sion.

2Dan zullen de vrouwen van Moab vluchten

naar waar men de Arnon oversteekt,

opgejaagd als vogels, verdreven van hun nest.

3‘Neem een besluit! Grijp in!

Bescherm ons op het heetst van de dag

met de schaduw van uw nacht.

Verberg de vluchteling,

lever de ontheemde niet uit.

4Verleen Moabs vluchtelingen onderdak,

wees onze toevlucht tegen de verwoester.’

Is de verdrukking ten einde gekomen

en de verwoesting tot staan gebracht,

is de tiran uit dit land verdreven,

5

16:5
Jes. 9:5-6
11:1-5
32:1-2
dan wordt in Davids huis een troon geplaatst,

gegrondvest op liefde en trouw.

Daar zetelt een rechter die recht zoekt,

die ijvert voor gerechtigheid.

6Wij weten hoe hoogmoedig Moab is –

wat is het hooghartig.

Wij kennen zijn zelfgenoegzaamheid,

zijn eigendunk, zijn grenzeloze eigenwaan.

Maar Moabs grootspraak stoelt op niets.

7Daarom is Moab nu vol zelfbeklag,

zijn gejammer klinkt in het hele land.

Het treurt in grote verslagenheid

om de rozijnenkoeken van Kir-Chareset.

8De wijngaarden van Chesbon verkommeren,

de wijnstokken van Sibma kwijnen weg;

vreemde heersers hebben hun edele druiven vertrapt.

Ooit reikten hun ranken tot Jazer,

ze verdwaalden zelfs in de woestijn;

woekerend reikten de ranken tot voorbij de Dode Zee.

9Dus zal ik luid huilen om Jazer,

weeklagen om de wijnstokken van Sibma.

En jullie, Chesbon en Elale,

zal ik met mijn tranen doordrenken:

voorbij zijn de vreugdekreten

om je zomervruchten en je oogst.

10Dan zal de vreugdezang in de boomgaard verstommen,

in de wijngaard wordt niet meer gejubeld of gejuicht,

in de kuipen worden geen druiven meer getreden.

Ik maak een einde aan alle vreugdekreten.

11Als een lier klaagt mijn hart om Moab,

mijn binnenste weent om Kir-Cheres.

12Hoezeer Moab zich ook aftobt op zijn offerhoogten,

hoe vaak het ook bijeenkomt om te bidden bij het heiligdom –

het is alles tevergeefs.

13Zo heeft de HEER destijds over Moab gesproken, 14en nu spreekt hij als volgt: In drie jaar tijd, gerekend naar de jaren van een dagloner, zal Moab ontluisterd worden, al zijn machtsvertoon ten spijt. Wat ervan overblijft zal pover en onbeduidend zijn.

17

Onheil over Aram en Israël

171

17:1-3
Jer. 49:23-27
Amos 1:3-6
Zach. 9:1
Profetie over Damascus.

De stad Damascus zal niet meer bestaan,

het zal een bouwval, een ruïne worden.

2De steden van Aroër liggen verlaten,

ze zijn het domein van weidend vee

en niemand die de kudden verstoort.

3Efraïm heeft zijn vesting verloren

en Damascus zijn koninkrijk;

Arams luister zal vergaan als die van Israël

– spreekt de HEER van de hemelse machten.

4Op die dag gaat Jakobs luister teloor,

het vet van zijn lichaam slinkt weg.

5Het is of men de rijpe oogst binnenhaalt

en met de hand de aren afsnijdt,

het is als aren lezen in het dal van Refaïm:

6slechts een laatste rest blijft er over,

zoals bij het oogsten van olijven:

twee, drie rijpe vruchten boven in de top,

vier, vijf nog aan de takken van de boom

– spreekt de HEER, de God van Israël.

7Op die dag zal ieder de blik op zijn maker richten,

naar de Heilige van Israël de ogen opslaan.

8Men zal zich niet meer wenden

tot zelfgemaakte goden en hun altaren,

geen oog meer hebben voor zulk mensenwerk,

voor Asjerapalen en wierookaltaren.

9Op die dag zijn hun vestingsteden doods en uitgestorven –

de stilte van een uitgestrekt bos.

Een woestenij zal het er zijn, verlaten,

zoals destijds de steden bij de nadering van Israël.

10

17:10
Deut. 32:18
Jes. 44:8
Want je bent de God van je redding vergeten,

de rots waarop je steunde, heb je veronachtzaamd.

Je hebt fraaie tuinen aangelegd

en stekken geplant voor vreemde goden.

11Op de dag dat je plant, zie je ze opkomen,

op de morgen dat je zaait, zie je ze bloeien.

Maar heel je oogst gaat verloren,

op die dag van rampspoed en ondraaglijke pijn.

12Wee! Vele volken bulderen

zoals woeste zeeën bulderen,

talrijke naties razen

zoals kolkende watermassa’s razen;

13de volken razen woest, zoals het wildste water raast.

Maar als God zijn stem verheft, vluchten ze ver weg.

Ze stuiven uiteen, als kaf op de wind in de bergen,

als dwarrelende bladeren in een storm.

14Wanneer de avond valt, komt de verschrikking,

vóór de morgen aanbreekt zijn ze weggevaagd.

Dat is het lot van hen die ons beroven,

dat is het deel van onze plunderaars.

18

Profetie over Nubië

181

18:1-7
Sef. 2:12
Wee het land van de sjirpende krekels,

voorbij de rivieren van Nubië,

2dat boden over de zee zendt,

papyrusschepen over de wateren.

Ga, snelle gezanten,

naar het rijzige volk met glanzende huid,

naar het alom gevreesde volk,

een volk van tirannen en geweldenaars,

in een land van rivieren doorsneden.

3Laat alle bewoners van de aarde weten:

je zult op de bergen het opgestoken vaandel zien,

het schallen van de ramshoorn zul je horen.

4Want dit heeft de HEER mij gezegd:

‘Vanuit mijn woonplaats kijk ik roerloos toe,

als de verzengende hitte op het middaguur

of als nevel in de hitte van de oogsttijd.

5Na de bloeitijd, maar voor de oogst,

wanneer de bloesem tot rijpende druif wordt,

worden de ranken met snoeimessen afgesneden,

worden de loten gekapt en verwijderd.

6Tezamen vallen ze ten prooi

aan de gieren in de bergen

en aan de dieren in het wild.

’s Zomers leven de gieren van hun lijken,

in de winter voeden wilde dieren zich ermee.’

7

18:7
Sef. 3:10
In die tijd worden geschenken gebracht

aan de HEER van de hemelse machten

door het rijzige volk met glanzende huid,

door het alom gevreesde volk,

een volk van tirannen en geweldenaars,

uit een land van rivieren doorsneden.

Zij komen naar de Sion, waar de naam woont

van de HEER van de hemelse machten.