Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
8

Wie wind zaait zal storm oogsten

81

8:1
Hos. 6:7
Zet de ramshoorn aan je mond! Gieren cirkelen boven het volk van de HEER, want het heeft het verbond met mij geschonden en is in opstand gekomen tegen mijn wet. 2
8:2
Jer. 14:8-9
Hos. 6:1-3
Hoor ze roepen: ‘O God, u bent toch de onze? Wij zijn uw Israël!’ 3Maar de Israëlieten wijzen af wat goed is, en daarom zal de vijand hen achtervolgen.

4Ze hebben een koning aangesteld, maar buiten mij om, leiders gekozen zonder mij erin te kennen. Van hun zilver en goud hebben ze godenbeelden gemaakt, maar voor niets. 5

8:5
1 Kon. 12:28,32
Want je stierkalf wijst je af, Samaria! Ook ik ben woedend op je: zul je dan nooit tot zuiverheid in staat zijn? 6Dat kalf komt gewoon uit Israël, het is gemaakt door een ambachtsman, een god is het niet! Nee, het kalf van Samaria zal verpulverd worden. 7
8:7
Job 4:8
Spr. 22:8
Hos. 10:13
Gal. 6:7
Want wie wind zaait zal storm oogsten. Het zaad brengt geen koren voort, en als het al vrucht draagt dan geeft het geen meel, en als het al meel geeft dan wordt het door vreemden verslonden.

8Israël wordt verslonden; door de andere volken wordt het beschouwd als een gebroken kruik waar niemand meer naar omkijkt, 9omdat het zich vergooid heeft aan Assyrië. Een wilde ezel houdt zich afgezonderd, maar het volk van Efraïm loopt met zijn liefde te koop. 10Maar ook al zouden ze van de andere volken slechts liefde ontvangen, voor mij is nu de maat vol. Ze krimpen al ineen onder de druk van de machtige koning van Assyrië.

11Hoeveel altaren heeft Efraïm niet gebouwd – maar om te zondigen! Altaren die dienen om te zondigen! 12Al schrijf ik mijn wetten in tienduizendvoud, ze zijn voor hen als van een vreemde. 13

8:13
Deut. 28:68
Hos. 6:6
9:9
11:5
Ze brengen mij offers om zelf het vlees te eten; voor mij heeft dat geen waarde. Nu zal ik hun wandaden in rekening brengen en hun zonden bestraffen: ze gaan terug naar Egypte! 14
8:14
Deut. 32:15,18
Amos 2:5
Israël is zijn maker vergeten; Israël heeft paleizen gebouwd en Juda talrijke vestingsteden. Daarom zal ik hun steden in vlammen doen opgaan; vuur zal hun burchten verteren.

9

Terug naar Egypte

91Wees maar niet zo vrolijk, Israël, houd ermee op zo te jubelen als de andere volken: in overspel heb je je God verlaten; je was altijd uit op hoerenloon, overal waar graan werd gedorst. 2Dorsvloer en perskuip zullen hun niet langer gunstig gezind zijn, de wijnoogst zal hen teleurstellen. 3Ze blijven niet in het land van de HEER: Efraïm zal terugkeren naar Egypte, onrein voedsel eten in Assyrië. 4

9:4
Num. 19:11-13
Deut. 26:14
Het is als brood in een sterfhuis: wie het eet wordt onrein. Ze zullen de HEER geen wijnoffers brengen, hem met hun offers niet meer behagen. Het brood stilt alleen nog maar hun honger, het komt het huis van de HEER niet in. 5Wat moeten jullie dan nog op hoogtijdagen of op feestdagen ter ere van de HEER? 6En degenen die de ondergang ontlopen, vinden onderdak in Egypte: graven genoeg daar in Memfis, voor hen en hun kostbare zilver. Dorens en distels zullen hen en hun huizen overwoekeren.

7Het is tijd voor de afrekening, de tijd van de vergelding is daar, laat Israël dat beseffen! Jullie zeggen: ‘Die profeet is gek! Die ziener heeft zijn verstand verloren!’ Ja, dankzij al jullie zonden en vijandigheid. 8

9:8
Jer. 20:1-6
Amos 7:10-17
De profeet die in dienst van God waakt over Efraïm, vindt9:8 De profeet die in dienst van God waakt over Efraïm, vindt – Voorgestelde lezing. MT: ‘Efraïm waakt met mijn God; een profeet vindt’. op al zijn wegen hinderlagen en stuit tot in het huis van zijn God op vijandigheid. 9
9:9
Recht. 19:1-30
Hos. 8:13
10:9
Ze zijn diep gezonken, zoals destijds in Gibea. Nu zal de HEER hun wandaden in rekening brengen en hun zonden bestraffen.

Gods oordeel over Israëls ontrouw

10

9:10
Num. 25:1-5
Deut. 32:10
Als druiven in de woestijn, zo vond ik Israël,

jullie voorouders keurde ik als vroege vijgen,

eerstelingen van de vijgenboom.

Maar zij – zodra ze in Baäl-Peor waren

wijdden ze zich aan de god van de schande.

Ze werden even weerzinwekkend als het voorwerp van hun liefde.

11Efraïms luister vervliegt, verdwijnt als een vogel:

er wordt geen kind meer geboren,

er is geen zwangerschap meer, geen bevruchting.

12

9:12
Deut. 32:25
Ook al brengen zij hun kinderen groot,

kinderloos maak ik hen, niemand blijft over.

Groot onheil is hun deel wanneer ik van hen wijk.

13Efraïm, in mijn ogen ooit een jonge palm, geplant in een oase,

Efraïm moet nu zijn kinderen aan moordenaars toevertrouwen.

14– Ach HEER, geef hun toch ... ja, wat te geven? ...

geef hun een onvruchtbare schoot en verdroogde borsten. –

15

9:15
Hos. 1:6
4:15
In Gilgal bleek mij hun slechtheid, van toen af ging ik hen haten.

Om hun wangedrag verjaag ik hen uit mijn huis.

Ik geef hun mijn liefde niet meer: al hun leiders zijn verleiders.

16Geveld is Efraïm: zijn wortels verdroogd, een boom zonder vrucht.

Ook al brengen zij kinderen voort,

het kostbaarste uit hun schoot, ik breng het om.

17

9:17
Deut. 28:64-65
– Mijn God zal hen verwerpen

want zij hebben niet naar hem geluisterd.

Zij zullen dolen onder vreemde volken. –

10

101Israël was een weelderige wijnstok,

die volop vruchten voortbracht.

Maar hoe meer vrucht de wijnstok droeg,

hoe meer er op de altaren kwam;

en hoe rijker het land,

hoe rijker versierd de gewijde stenen.

2Zo bedrieglijk is dat volk! Nu zal het ervoor boeten:

de HEER breekt hun altaren af,

hun gewijde stenen verbrijzelt hij.

3Dan zullen ze zeggen: ‘Wij missen een koning!’

Maar wat zou een koning nog voor ons kunnen doen:

wij hadden toch nooit ontzag voor de HEER?

4

10:4
Amos 6:12
Koningen, ze spreken holle woorden,

zweren valse eden, sluiten slechte verdragen.

De rechtspraak woekert als onkruid,

als een gifplant in de voren van een akker.

5

10:5
Hos. 8:5
Het volk van Samaria verkeert in zorg,

is in de rouw om dat stierkalf in Betel,

en zijn priesters schreeuwen het uit

omdat zijn glorie vervliegt:

6het kalf wordt naar Assyrië gesleept

als geschenk voor koning Kemphaan.

Wat een schande is dat voor Efraïm,

wat een misrekening van Israël!

7Nu al wordt afgerekend met Samaria en zijn koning;

ze zijn als wrakhout op de golven.

8

10:8
2 Kon. 23:15
Jes. 2:10
Hos. 4:13
Luc. 23:30
Op. 6:16
De offerhoogten worden verwoest,

die plaatsen van verderf, tekens van Israëls zonde;

dorens en distels zullen hun altaren overwoekeren.

Dan roepen ze de bergen toe: ‘Bedek ons!’

en de heuvels: ‘Val op ons neer!’

9

10:9
Recht. 19:1-30
Hos. 9:9
Al in Gibea gaf jij je over aan zonden, Israël,

en sindsdien heb je daarin volhard.

Zou je dan nu in Gibea worden ontzien,

gespaard waar misdadigers worden gestraft?

10Ik heb besloten hen te straffen:

vreemde volken zullen tegen hen samenspannen

om hen vast te binden en hun bronnen leeg te drinken.

11

10:11
Jer. 2:20
5:5
Hos. 4:16
Efraïm was een afgerichte jonge koe, die gewillig dorste.

Toen ik haar fraaie hals zag, dacht ik:

Ik ga Efraïm inspannen, ik laat Juda ploegen, Jakob eggen.

12

10:12
Jer. 4:3
Zaai rechtvaardig! Oogst met liefde! Ontgin nieuw land!

Het is tijd om de HEER te smeken,

dat hij nadert met de regen van zijn goedheid.

13

10:13
Jes. 31:1
Maar jullie ploegden wetteloosheid

en oogstten onrechtvaardigheid;

jullie moesten de vrucht van leugens eten

omdat jullie op je eigen inspanning vertrouwden,

op de kracht van je vele soldaten.

14

10:14
Hos. 14:1
Daarom zal het krijgsgeweld tegen jullie losbreken,

al je vestingen zullen worden verwoest

zoals destijds Bet-Arbel werd verwoest door Salman:

moeders werden doodgeslagen, samen met hun kinderen.

15Dat heeft Betel jullie aangedaan

om jullie eigen diepe verdorvenheid.

Bij het aanbreken van de morgen

komt Israëls koning voorgoed ten val.

Door deze website verder te gebruiken ga je akkoord met plaatsing en gebruik van cookies door het NBG en derden conform onze privacyverklaring.[bericht verbergen]