Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
4

Aanklacht tegen volk en priesters

41

4:1-2
Jes. 3:13-15
Micha 6:1-2
Luister naar de woorden van de HEER, Israëlieten! De HEER voert een geding tegen de inwoners van dit land, want ze kennen geen eerlijkheid meer en geen liefde, en met God zijn ze niet meer vertrouwd. 2
4:2
Jer. 7:9
Het is een en al meineed en bedrog, niets dan moord, diefstal en overspel; het ene bloedbad volgt op het andere. 3
4:3
Jer. 4:28
Sef. 1:3
Daarom is het land in rouw gedompeld en bezwijken al zijn inwoners, mét de dieren van het veld en alles wat vliegt; zelfs de vissen in zee sterven uit.

4Maar laat niemand een aanklacht indienen en roep elkaar niet ter verantwoording. Tegen jou, priester, richt ik mijn aanklacht!4:4 Tegen jou, priester, richt ik mijn aanklacht – Voorgestelde lezing. MT: ‘Jouw volk is als degenen die een priester aanklagen’. 5Op klaarlichte dag zul je struikelen, en ’s nachts sleep je een profeet mee in je val. En je moeder zal ik laten omkomen. 6

4:6
Jer. 5:4
Mal. 2:1-9
Mijn volk komt om doordat het met mij niet vertrouwd is. Jij wilde het niet met mij vertrouwd maken, daarom wil ik niets meer met jou te maken hebben: je zult mij niet meer als priester dienen. Jij hebt de wet van je God verwaarloosd, daarom zal ik jouw kinderen verwaarlozen. 7Hoe talrijker de priesters werden, des te meer zondigden ze tegen mij. Maar ik zal hun aanzien verruilen voor schande. 8Ze teren op de zonden van mijn volk en hongeren naar nog meer. 9Ik zal volk en priesters over één kam scheren: ik zal hun wangedrag bestraffen, hun misdaden zal ik vergelden. 10-11
4:10-11
Micha 6:14
Ze zullen eten maar niet verzadigd raken, overspel plegen maar zich niet voortplanten. Want ze hebben de HEER verlaten en vereren nu ontucht en wijn, waardoor het verstand beneveld raakt.

12

4:12
Jer. 2:27
Hos. 1:2
Mijn volk raadpleegt een stuk hout, uit stokjes lezen ze de toekomst af. Ze zijn bezeten van ontucht en keren zich af van hun God. 13Ze brengen offers op de bergtoppen en branden wierook op de heuvels en onder eik, populier en terebint, want in hun schaduw is het aangenaam. Vandaar dat jullie dochters overspel plegen en jullie schoondochters ontrouw zijn! 14Maar jullie dochters zal ik hun overspel niet aanrekenen, jullie schoondochters zal ik niet straffen voor hun ontrouw, want zelf gaan jullie met hoeren mee en brengen offers in gezelschap van tempelhoeren. Zo komt een volk zonder verstand ten val.

15Als jij zo trouweloos bent, Israël, maak dan Juda tenminste niet medeschuldig. Kom niet naar Gilgal, trek niet naar het goddeloze Betel, en zweer daar niet: ‘Zo waar de HEER leeft!’ 16

4:16
Jer. 31:18
Israël verzet zich als een onwillige koe. Zou de HEER het dan willen weiden, als een lam in het vrije veld? 17
4:17
Hos. 14:9
Het volk van Efraïm heeft zich vergooid aan afgodsbeelden – laat het maar! 18
4:18
Amos 6:4-6
Ze zijn hun kater nog niet kwijt of ze haasten zich al naar de hoeren. Zie hun hartstocht branden, hun vorsten zijn dol op schande. 19
4:19
Jer. 4:11-13
Amos 1:14
Maar een wervelstorm zal hen meesleuren. Met al dat offeren zullen ze bedrogen uitkomen.

5

Oordeel over de leiders

51Luister, priesters! Hoor toe, oudsten van Israël! Leden van het hof, luister aandachtig! De rechtspraak is toch aan jullie toevertrouwd? Maar in Mispa hebben jullie mijn volk in de val gelokt, op de Tabor je netten voor hen uitgespreid; 2een diepe kuil van ontrouw hebben jullie gegraven.5:2 een diepe kuil van ontrouw hebben jullie gegraven – Voorgestelde lezing. MT (betekenis van het Hebreeuws onzeker): ‘de ontrouwen hebben het slachten diep gemaakt’. Maar ik zal jullie leren, allemaal! 3Ik kende Efraïm,5:3 Efraïm – Efraïm is een andere naam voor het tienstammenrijk Israël. Israël lag mij na aan het hart; maar nu is Efraïm overspelig geworden, Israël heeft zich besmeurd. 4

5:4
Hos. 1:2
Hun daden verhinderen hen terug te keren naar hun God: ze zijn bezeten van ontucht, waardoor de HEER een vreemde voor hen geworden is. 5
5:5
Hos. 14:2
Amos 6:8
Israëls hoogmoed zal tegen hemzelf getuigen, Efraïm komt door zijn wandaden ten val; zelfs Juda wordt in zijn val meegesleept. 6
5:6
Spr. 1:28
Amos 8:11-12
Als ze dan met hun schapen, geiten en runderen op weg gaan om de HEER te zoeken, zullen ze hem niet vinden: hij zal zich voor hen verborgen houden. 7
5:7
Hos. 2:6
Ze zijn de HEER ontrouw geweest en hebben bastaardkinderen voortgebracht. Maar vóór nieuwemaan worden ze met hun akkers verslonden.

8

5:8
Joël 2:1
Blaas de ramshoorn in Gibea, steek de trompet in Rama, sla alarm in Betel: ‘Te wapen, Benjamin!’ 9Efraïm zal een schrikbeeld worden als de dag van de vergelding komt; wat ik over de stammen van Israël afkondig is onafwendbaar. 10Nu al stillen de Judese bevelhebbers hun landhonger. Maar ik stort mijn woede als een vloed over hen uit. 11Efraïm wordt verdrukt en het recht wordt verkracht, omdat het volk onverstoorbaar achter machten van niets aan liep.5:11 achter machten van niets aan liep – Volgens sommige oude vertalingen. MT: ‘achter een gebod aan liep’. 12Als een etterwond ben ik voor Efraïm, voor het volk van Juda als beenrot. 13
5:13
2 Kon. 15:19
16:7-9
Hos. 7:11
8:9
12:2
Toen Efraïm merkte hoe ziek het was, en Juda zijn zwerende wonden zag, wendde Efraïm zich tot Assyrië om hulp te zoeken bij koning Kemphaan. Maar die kan geen genezing brengen, die heeft geen middel tegen hun kwalen. 14
5:14
Jes. 5:29
Hos. 2:12
13:7
Amos 3:12
Want ik ben het die Efraïm aanvalt als een leeuw, als een sterke leeuw keer ik mij tegen het volk van Juda: ikzelf zal hen verscheuren, ik zal hen wegslepen, en niemand die hen redden kan. 15
5:15
Jer. 29:13
Ik ga terug naar de plaats waar ik woon, totdat ze voor hun daden geboet hebben en mij weer gaan zoeken. Door de nood gedreven zullen ze weer naar mij vragen.

6

Israëls boetelied en Gods antwoord

61‘Kom, laten wij teruggaan naar de HEER!

Hij heeft ons verscheurd, hij zal ons genezen;

de hand die sloeg, zal ons verbinden.

2Hij redt ons na twee dagen van de dood,

de derde dag doet hij ons opstaan:

in zijn nabijheid zullen wij leven.

3

6:3
Deut. 11:14
Ps. 72:6
Dan zullen wij hem kennen,

ernaar jagen om de HEER te kennen.

Even zeker als de dageraad zal hij komen,

hij komt naar ons als milde regen,

als de lenteregen die de aarde drenkt.’

4

6:4
Hos. 13:3
Wat moet ik met je beginnen, Efraïm? Wat moet ik met je beginnen, Juda? Want jullie liefde is als een ochtendnevel, als dauw die ’s morgens vroeg verdwijnt. 5
6:5
Jer. 1:10
5:14
Hos. 12:11
Daarom heb ik jullie gedood met de woorden die ik sprak, jullie neergehouwen door mijn profeten; zo brak het volle licht van mijn recht door.6:5 zo brak het volle licht van mijn recht door – Volgens sommige oude vertalingen. MT: ‘uw recht, licht komt tevoorschijn’. 6
6:6
Mat. 9:13
12:7
Marc. 12:33
Want liefde wil ik, geen offers; met God vertrouwd zijn is meer waard dan enig offer. 7
6:7
Hos. 8:1
Maar zij hebben het verbond met mij geschonden, zoals eens in de stad Adam:6:7 zoals eens in de stad Adam – Ook mogelijk is de vertaling: ‘zoals eens Adam’. daar waren ze mij al ontrouw. 8Gilead is een broeinest van misdadigers, een stad vol bloedsporen. 9De priesters liggen als een bende rovers op de loer, plegen moorden op de weg naar Sichem. Gruwelijk is het wat ze doen! 10Bij het volk van Israël heb ik afschuwelijke dingen gezien: Efraïm is overspelig geworden, Israël heeft zich besmeurd. 11Ook jij, Juda, zult oogsten wat je hebt gezaaid.

Steeds wanneer ik het lot van mijn volk ten goede keer,

Door deze website verder te gebruiken ga je akkoord met plaatsing en gebruik van cookies door het NBG en derden conform onze privacyverklaring.[bericht verbergen]