Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
2

Jezus en zijn broeders en zusters

21Daarom moeten wij al onze aandacht richten op wat we gehoord hebben, dan zullen we niet uit de koers raken. 2Want als het door engelen gesproken woord al zo veel rechtskracht bezat dat op elke overtreding en ongehoorzaamheid een rechtmatige straf volgde, 3hoe zullen wij dan aan die straf ontkomen wanneer we geen acht slaan op de zoveel meer omvattende redding die begonnen is met de woorden van de Heer, en die voor ons bevestigd werd door hen die deze woorden hebben gehoord? 4Ook God zelf getuigde daarvan, door tekenen en wonderen en allerlei grote daden te verrichten, en door de gaven van de heilige Geest overeenkomstig zijn wil te verdelen. 5Welnu, de komende wereld, waarover wij hier spreken, heeft hij niet onder het gezag van engelen gesteld. 6

2:6-8
Ps. 8:5-7
Veeleer geldt dit getuigenis, ooit door iemand afgelegd:

‘Wat is de mens dat u aan hem denkt,

het mensenkind dat u naar hem omziet?

7U hebt hem voor korte tijd lager dan de engelen geplaatst;

u hebt hem met eer en luister gekroond,2:7 hem met eer en luister gekroond – Andere handschriften lezen: ‘hem met eer en luister gekroond, en u hebt hem aangesteld over het werk van uw handen’.

8

2:8
1 Kor. 15:27
alles hebt u aan hem onderworpen.’

Doordat hij alles aan hem onderworpen heeft, rest er niets dat niet onder zijn gezag is gesteld. Dat alles aan hem onderworpen is, zien wij echter nu nog niet; 9wel zien we dat Jezus – die voor korte tijd lager dan de engelen geplaatst was opdat zijn dood door Gods genade iedereen ten goede zou komen – vanwege zijn lijden en dood nu met eer en luister gekroond is. 10Want om vele kinderen in zijn luister te laten delen achtte God, voor wie en door wie alles bestaat, het passend de bereider van hun redding door het lijden naar de uiteindelijke volmaaktheid te voeren. 11Hij die heiligt en zij die geheiligd worden hebben een en dezelfde oorsprong, en daarom schaamt hij zich er niet voor hen zijn broeders en zusters te noemen 12
2:12
Ps. 22:23
wanneer hij zegt: ‘Ik zal uw naam bekendmaken aan mijn broeders en zusters, u loven in de kring van mijn volk.’ 13
2:13
Jes. 8:17-18
Zo zegt hij ook: ‘Ik zal steeds op hem vertrouwen,’ en verder: ‘Hier sta ik met de kinderen die God mij gegeven heeft.’

14

2:14-15
2 Tim. 1:10
Omdat die kinderen mensen zijn van vlees en bloed, is de Zoon een mens geworden als zij om door zijn dood definitief af te rekenen met de heerser over de dood, de duivel, 15en zo allen te bevrijden die slaaf waren van hun levenslange angst voor de dood. 16Het moge duidelijk zijn: hij is niet begaan met het lot van engelen, hij is begaan met het lot van de nakomelingen van Abraham. 17Daarom moest hij in alles gelijk worden aan zijn broeders en zusters; alleen dan zou hij in aangelegenheden tussen God en zijn volk een barmhartige en betrouwbare hogepriester zijn, die verzoening bewerkt voor hun zonden. 18
2:18
Mat. 4:1-11
Hebr. 4:15
Juist omdat hij zelf op de proef werd gesteld en het lijden volbracht heeft, kan hij ieder die beproefd wordt bijstaan.

3

Luisteren naar zijn stem

31

3:1
Hebr. 4:14
10:23
U allen, heilige broeders en zusters, die deel hebt aan de hemelse roeping, richt uw aandacht op Jezus, de apostel en hogepriester van het geloof dat wij belijden, 2
3:2
Num. 12:7
die trouw is aan wie hem heeft aangesteld, zoals Mozes in heel Gods huis zijn taak trouw vervulde. 3Jezus echter werd groter eer waardig geacht dan Mozes, zoals de bouwer van een huis meer eer krijgt dan het huis zelf. 4Elk huis heeft zijn bouwer, maar God is de bouwer van alles. 5Mozes vervulde trouw zijn taak in heel Gods huis, als dienaar die getuigde van de komende openbaringen, 6Christus echter is trouw als Zoon die over dat huis is aangesteld. Wij vormen dat huis, mits we trots en zonder schroom vasthouden aan datgene waarop wij hopen. 7
3:7-11
Ps. 95:7-11
De heilige Geest zegt immers:

‘Horen jullie vandaag zijn stem,

8wees dan niet koppig, als tijdens de opstand,

toen jullie mij beproefden in de woestijn,

9waar jullie voorouders mij op de proef stelden en tartten,

hoewel ze mijn daden hadden gezien, 10veertig jaar lang.

Daarom werd die generatie door mijn woede getroffen, ik zei:

“Altijd weer dwaalt hun hart,

mijn wegen kennen ze niet.”

11

3:11
Num. 14:21-23
En in mijn toorn heb ik gezworen:

“Nooit zullen ze binnengaan in mijn rust.”’

12Zie er dus op toe, broeders en zusters, dat niemand van u door een kwaadwillig, ongelovig hart afvallig wordt van de levende God, 13maar wijs elkaar terecht, elke dag dat dit ‘vandaag’ nog geldt, opdat niemand van u halsstarrig wordt omdat hij door zonde verleid werd. 14Want alleen als we tot het einde toe resoluut vasthouden aan ons aanvankelijk vertrouwen, blijven we deelgenoten van Christus. 15Wanneer er gezegd wordt ‘Horen jullie vandaag zijn stem, wees dan niet koppig, als tijdens de opstand’ – 16
3:16
Num. 32:10-13
wie waren het dan die zijn stem hoorden en toch opstandig werden? Waren dat niet degenen die onder Mozes’ leiding uit Egypte waren weggetrokken? 17
3:17
Num. 14:26-35
1 Kor. 10:5
Judas 5
Wie werden veertig jaar lang door zijn woede getroffen? Waren dat niet degenen die gezondigd hadden en van wie de lijken neervielen in de woestijn? 18En aan wie zwoer hij dat ze niet zouden binnengaan in zijn rust – toch zeker aan hen die ongehoorzaam waren? 19
3:19
Deut. 1:32-35
9:23-24
Zo zien we dat zij er niet konden binnengaan vanwege hun ongeloof.
4

41Aangezien de belofte om binnen te gaan in Gods rust nog steeds van kracht is, moeten we ervoor waken dat iemand van u ook maar de schijn wekt deze gelegenheid aan zich voorbij te laten gaan. 2Want aan ons is het goede nieuws verkondigd, net als indertijd aan hen; maar anders dan voor wie het in geloof aannemen, was het verkondigde woord voor hen niet heilzaam. 3

4:3
Ps. 95:11
Omdat wij echter geloven, gaan we binnen in de rust waarvan eerder sprake was: ‘In mijn toorn heb ik gezworen: “Nooit zullen ze binnengaan in mijn rust,”’ – en dat terwijl zijn werk toch al met de grondvesting van de wereld voltooid werd! 4
4:4
Gen. 2:2
Ex. 20:11
Over de zevende dag wordt immers ergens gezegd: ‘En op de zevende dag rustte God van al zijn werk,’ 5terwijl hier wordt gezegd: ‘Nooit zullen ze binnengaan in mijn rust.’ 6Het staat dus vast dat er wel mensen in kúnnen binnengaan. En omdat zij aan wie vroeger het goede nieuws verkondigd is, er vanwege hun ongehoorzaamheid niet zijn binnengegaan, 7
4:7
Ps. 95:7-8
legt God nu opnieuw een dag vast, een ‘vandaag’, waarover hij, zoals eerder is opgemerkt, lange tijd later David heeft laten zeggen: ‘Horen jullie vandaag zijn stem, wees dan niet koppig.’ 8
4:8
Deut. 31:7
Was de rust hun al door Jozua gegeven, dan zou God daarna niet meer over een andere dag hebben gesproken. 9Er wacht het volk van God dus nog steeds een sabbatsrust. 10En wie is binnengegaan in zijn rust, vindt rust na zijn werk zoals God na het zijne. 11Laten we dus alles op alles zetten om te kunnen binnengaan in die rust, en zo voorkomen dat ook maar iemand dit voorbeeld van ongehoorzaamheid volgt en te gronde gaat. 12
4:12
Jes. 49:2
Ef. 6:17
1 Tes. 2:13
1 Petr. 1:23
Op. 1:16
Want levend en krachtig is het woord van God, en scherper dan een tweesnijdend zwaard: het dringt diep door tot waar ziel en geest, been en merg elkaar raken, en het is in staat de opvattingen en gedachten van het hart te ontleden. 13
4:13
Job 34:21-22
Niets van wat geschapen is blijft voor hem verborgen, alles is onverhuld en volkomen zichtbaar voor de ogen van hem aan wie wij rekenschap moeten afleggen.

Trouw blijven aan de belijdenis

14

4:14
Hebr. 3:1
9:11
10:23
Nu wij een hooggeplaatste hogepriester hebben die de hemel is doorgegaan, Jezus, de Zoon van God, moeten we vasthouden aan het geloof dat we belijden. 15
4:15
Mat. 4:1-11
Hebr. 2:18
Want de hogepriester die wij hebben is er een die met onze zwakheden kan meevoelen, juist omdat hij, net als wij, in elk opzicht op de proef is gesteld, met dit verschil dat hij niet vervallen is tot zonde. 16Laten we dus zonder schroom naderen tot de troon van de Genadige, waar we telkens als we hulp nodig hebben barmhartigheid en genade vinden.