Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
8

Visioen in de tempel van Jeruzalem

81

8:1
Ezech. 14:1
20:1
In het zesde jaar, op de vijfde dag van de zesde maand, toen ik in mijn huis zat met de oudsten van Juda tegenover me, werd ik opnieuw gegrepen door de hand van God, de HEER. 2
8:2
Ezech. 1:27
Dit is wat ik zag: een gedaante als van vuur. Vanaf wat zijn lendenen leken te zijn naar beneden toe zag ik vuur, en naar boven toe een schittering, glanzend als wit goud. 3
8:3
Ezech. 7:20
Toev.Dan. 3:36
Hij strekte iets uit dat de vorm had van een hand en pakte me bij mijn haren beet. In dit goddelijk visioen tilde de geest me op, tussen hemel en aarde, en bracht me naar Jeruzalem, naar de ingang van de noordelijke binnenpoort, waar het afschuwelijke godenbeeld staat dat de woede van de HEER wekt. 4
8:4
Ezech. 1:28
Daar zag ik de stralende verschijning van de God van Israël, zoals ik die ook in het dal had gezien. 5Hij zei tegen mij: ‘Mensenkind, kijk nu naar het noorden.’ Ik keek naar het noorden en zag daar buiten de poort een altaar staan; het godenbeeld dat de woede van de HEER wekt stond in de toegang.8:5 en zag daar buiten de poort een altaar staan; het godenbeeld dat de woede van de HEER wekt stond in de toegang – Voorgestelde lezing. MT: ‘en zag daar buiten de altaarpoort bij de toegang het godenbeeld staan dat de woede van de HEER wekt’. 6‘Mensenkind, zie je wat ze doen? Zie je hoe vreselijk het volk van Israël zich hier misdraagt en mij uit mijn eigen heiligdom verdrijft? En je zult nog meer gruwelijks zien.’

7Hij bracht me naar de ingang van de tempelhof. In de muur was een gat. 8Hij zei tegen me: ‘Mensenkind, kruip daar doorheen.’ Dat deed ik, en aan de andere kant kwam ik bij een deur. 9‘Ga naar binnen om te kijken naar de verschrikkelijke dingen die ze daar doen,’ zei hij. 10Toen ik binnen was en rondkeek, zag ik op de muren om me heen allerlei afbeeldingen van de afgoden van het volk van Israël, van kruipende beesten en andere dieren, stuk voor stuk onrein. 11Zeventig oudsten van het volk van Israël, met in hun midden Jaäzanja, de zoon van Safan, stonden ervoor, ieder met zijn wierookschaal in de hand, en er steeg een wolk van wierook op. 12

8:12
Ps. 10:11
Jes. 29:15
Ezech. 9:9
Hij vroeg me: ‘Heb je gezien, mensenkind, wat de oudsten van het volk van Israël doen, daar in het duister, in die zaal vol afbeeldingen? De HEER ziet ons niet, denken ze, de HEER heeft het land verlaten.’

13‘Ik zal je nog meer van hun gruwelijke daden laten zien,’ zei hij, 14en hij bracht me naar de ingang van de noordelijke poort van de tempel van de HEER. Daar zaten vrouwen die rouwden om de god Tammuz. 15‘Heb je het gezien, mensenkind?’ vroeg hij mij. ‘En nog gruwelijker dingen zal ik je laten zien!’

16Hij bracht me naar de binnenhof van de tempel van de HEER. Bij de ingang, tussen de voorhal en het altaar, stonden ongeveer vijfentwintig mannen. Ze stonden met hun rug naar de tempel, met hun gezicht naar het oosten, en ze bogen zich in aanbidding neer voor de zon. 17‘Heb je het gezien, mensenkind?’ vroeg hij mij. ‘En al deze afgodendienst waaraan het volk van Juda zich overgeeft is blijkbaar nog niet genoeg: ze vullen het land met geweld, ze beledigen mij steeds opnieuw, zie hoe schaamteloos ze mij bespotten! 18Ik zal mijn woede op hen koelen: ik zal geen medelijden tonen, ik zal geen medelijden kennen, en al roepen ze nog zo hard om mij, ik zal niet naar hen luisteren.’

9

91Toen hoorde ik hem luid roepen: ‘Kom tevoorschijn, jullie die de stad gaan straffen, en neem je vernietigingswapens mee.’ 2En ik zag hoe zes mannen uit de richting van de noordelijke bovenpoort kwamen, alle zes met een dodelijk wapen in hun hand. Er was ook nog een man bij hen in linnen kleren, die een schrijverskoker aan zijn gordel droeg. De mannen gingen naast het bronzen altaar staan.

3De stralende verschijning van de God van Israël bewoog zich van de cherubs waarboven hij troonde naar de ingang van de tempel, en hij riep de in linnen geklede man met de schrijverskoker bij zich. 4

9:4
Op. 7:3
9:4
14:1
De HEER zei tegen hem: ‘Maak een ronde door Jeruzalem, en zet een merkteken op het voorhoofd van iedereen die jammert en klaagt om de gruwelijke dingen die er in de stad gebeuren.’ 5
9:5
Ex. 32:27
Tegen de zes anderen hoorde ik hem zeggen: ‘Ga achter hem aan, trek ook door de stad en dood iedereen. Jullie moeten geen medelijden tonen, jullie mogen geen medelijden kennen. 6Oude mensen, jonge mannen en vrouwen, moeders en kinderen – jullie moeten ze allemaal ombrengen, behalve de mensen die het merkteken dragen. Begin bij mijn heiligdom.’ En ze begonnen bij de zeventig oudsten, die voor de tempel stonden. 7Hij zei tegen de mannen: ‘Dood alle mensen in de voorhoven zodat de tempel onrein wordt, en ga dan naar buiten!’ Ze gingen naar buiten en trokken moordend door de stad. 8Terwijl zij moordend rondtrokken bleef ik achter, en ik wierp me voorover op de grond en schreeuwde: ‘Ach HEER, mijn God, gaat u, nu uw woede Jeruzalem treft, alle Israëlieten vernietigen die er nog zijn?’ 9
9:9
Ps. 10:11
Ezech. 8:12
24:9
Hij antwoordde: ‘De schuld die het volk van Israël en Juda op zich heeft geladen is onmetelijk groot. Het land is vol bloed, de stad vol onrecht, want ze denken bij zichzelf: De HEER heeft het land verlaten, de HEER ziet ons niet. 10Ik zal dan ook geen medelijden tonen, ik zal geen medelijden kennen; ik zal hen voor hun daden laten boeten.’ 11De in linnen geklede man met de schrijverskoker aan zijn gordel kwam terug en bracht verslag uit: ‘Ik heb gedaan wat u mij hebt bevolen.’

10

101

10:1-21
Ezech. 1:5-21
10:1
Op. 4:2
Daarna zag ik dit: boven de koepel boven de cherubs was iets te zien dat leek op een troon van saffier. 2
10:2
Op. 8:5
De HEER zei tegen de in linnen geklede man: ‘Ga het raderwerk waarop de cherubs rusten binnen en vul er je handen met gloeiende kolen; die moet je uitstrooien over de stad.’ Ik zag hoe de man naar binnen ging. 3De cherubs stonden op dat moment aan de zuidkant van de tempel, en een wolk vulde de binnenhof. 4
10:4
Ex. 40:34-35
Ezech. 1:28
43:2-5
Toen de stralende verschijning van de HEER zich verplaatste van de cherubs naar de tempelingang, vulde die wolk de tempel, en de hele hof was vol van de gloed van de verschijning van de HEER. 5
10:5
Ex. 19:19
Ps. 29:3
Tot in de buitenhof was het geluid te horen van de vleugels van de cherubs; het was een geluid als wanneer God, de Ontzagwekkende, spreekt. 6Toen beval hij de man met de linnen kleren: ‘Haal nu wat vuur weg uit het raderwerk onder de cherubs.’ De man ging verder naar binnen en ging naast een wiel staan. 7Een van de cherubs strekte zijn hand uit naar het vuur dat zich tussen hen in bevond en legde daar wat van in de handen van de in linnen geklede man, die ermee naar buiten ging. 8Onder de vleugels van de cherubs was iets zichtbaar dat de vorm had van een mensenhand.

9Ook zag ik vier wielen naast de cherubs staan, naast elke cherub één. De wielen glansden als turkoois 10en hadden alle vier dezelfde vorm: ze leken op een wiel midden in een ander wiel. 11Als ze bewogen, konden ze zonder te draaien alle vier de kanten op gaan; zonder om te draaien volgden ze het voorste wiel in de richting waarheen dat zich wendde. 12

10:12
Op. 4:8
De lichamen van de cherubs, hun rug, handen en vleugels, en ook de wielen, waren helemaal bezet met ogen; dit gold voor de vier cherubs en voor de wielen. 13Het waren de wielen die ik eerder ‘het raderwerk’ had horen noemen. 14
10:14
Op. 4:7
Iedere cherub had vier gezichten: bij de eerste was het gezicht van een cherub te zien en bij de tweede dat van een mens, bij de derde de muil van een leeuw en bij de vierde de bek van een adelaar. 15De cherubs stegen op; het waren de wezens die ik bij het Kebarkanaal al had gezien. 16Als de cherubs zich bewogen, gingen de wielen met hen mee, en ook als ze hun vleugels uitspreidden om van de grond op te stijgen, bleven de wielen bij hen. 17Als de cherubs stilstonden, stonden ook de wielen stil, en als ze opstegen bleven de wielen bij hen, want een en dezelfde geest leidde de wezens en de wielen.

18Toen ging de stralende verschijning van de HEER weg bij de tempelingang en kwam tot stilstand boven de cherubs. 19Ik zag dat ze hun vleugels spreidden, in beweging kwamen en van de grond opstegen met de wielen naast zich. Ze gingen bij de oostelijke poort van de tempel van de HEER staan, en de stralende verschijning van de God van Israël rustte op hen. 20Dit waren de wezens die ik al bij het Kebarkanaal had gezien, de wezens waar de God van Israël ook toen op rustte, en nu begreep ik dat het cherubs waren. 21Ze hadden elk vier gezichten en vier vleugels, en onder die vleugels was iets zichtbaar dat de vorm had van een mensenhand. 22Ook hun gezichten leken op de gezichten die ik bij het Kebarkanaal had gezien: ze zagen er net zo uit, het waren dezelfde wezens. Ze bewogen zich steeds recht vooruit.

Door deze website verder te gebruiken ga je akkoord met plaatsing en gebruik van cookies door het NBG en derden conform onze privacyverklaring.[bericht verbergen]