Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
45

Verdeling van de grond

451

45:1-8
Ezech. 48:8-20
Wanneer jullie het land door loting verdelen, moet je een stuk van het land als heilige gave aan de HEER afstaan, van 25.000 bij 20.00045:1 20.000 – Volgens de Septuaginta. MT: ‘10.000’. el. Dat hele stuk zal heilig zijn. 2-3
45:2-3
Ezech. 42:15-20
Van dat afgemeten terrein moet je een stuk van 25.000 bij 10.000 afmeten. Daar moet het allerheiligste heiligdom komen. Een vierkant stuk, van 500 bij 500 met 50 el weidegrond eromheen, is daarvoor bestemd. 4Dit is een heilig stuk van het land; het is bestemd voor de priesters, die dienstdoen in het heiligdom en die in de nabijheid van de HEER mogen komen om hem te dienen. Het is de plaats voor hun huizen en de heilige plaats voor het heiligdom. 5Een ander terrein van 25.000 bij 10.000 el is voor de Levieten, die dienstdoen in de tempel; het is hun eigen grond, bestemd voor hun woonplaatsen.45:5 voor hun woonplaatsen – Volgens de Septuaginta. MT: ‘twintig zijhallen’. 6Als eigen grond van de stad moeten jullie een terrein aanwijzen van 5000 bij 25.000, naast het heilige domein; dat is bestemd voor het hele volk van Israël. 7De vorst krijgt grond aan weerskanten van het heilige domein en van de eigen grond van de stad. Het is grond die grenst aan zowel het heilige domein als aan de eigen grond van de stad, aan de westkant verder richting het westen en aan de oostkant naar het oosten; het moet net zo lang zijn als een stamgebied, van de westgrens tot de oostgrens. 8Dat is zijn land, dat is zijn grondgebied in Israël. Nooit zullen mijn vorsten mijn volk meer uitbuiten; ze zullen het land aan de stammen van het volk van Israël geven.

9Dit zegt God, de HEER: Zo is het genoeg, vorsten van Israël, stop met onderdrukking en geweld, wees goed en rechtvaardig en verdrijf mijn volk niet langer van zijn grond – spreekt God, de HEER.

Belastingen

10

45:10
Lev. 19:35-36
Deut. 25:13-16
Spr. 20:10
Gebruik een zuivere weegschaal, een zuivere efa en een zuivere bat. 11De efa en de bat moeten een en dezelfde inhoud hebben: een bat bevat een tiende ezelslast, net als een efa. De ezelslast is de standaardmaat. 12Een sjekel is twintig gera, en de mine is twintig sjekel plus vijfentwintig sjekel plus vijftien sjekel.

13Jullie moeten de volgende heffingen afdragen: een zesde efa over een ezelslast tarwe en een zesde efa over een ezelslast gerst; 14wat betreft de olie, gemeten in bat: een tiende bat over een kor olie – een ezelslast bevat tien bat, dus tien bat is een ezelslast; 15één dier uit een kudde van tweehonderd uit de waterrijke gebieden van Israël, als graanoffer, brandoffer en vredeoffer, waarmee voor de bevolking verzoening wordt bewerkt – spreekt God, de HEER. 16De voltallige bevolking van het land moet deze heffing aan de vorst van Israël afdragen. 17Vervolgens is het aan de vorst om brandoffers, graanoffers en wijnoffers te brengen op de feesten, op sabbat en op nieuwemaan, op alle hoogtijdagen van het volk van Israël. Het is de vorst die het reinigingsoffer moet brengen, het graanoffer, het brandoffer en het vredeoffer, om verzoening te bewerken voor het volk van Israël.

Feesten en offers

18

45:18-25
Ex. 12:1-20
Dit zegt God, de HEER: Neem op de eerste dag van de eerste maand een jonge stier zonder enig gebrek, en reinig daarmee het heiligdom van zonde. 19De priester moet wat bloed van het offerdier aan de deurpost van de tempel strijken, aan de vier hoeken van de grote omgang van het altaar en aan de deurpost van de poort naar de binnenhof. 20Doe hetzelfde op de zevende dag van de maand, voor wie onopzettelijk of uit onwetendheid zondigt, om verzoening te bewerken voor de tempel.

21

45:21
Num. 28:16-25
Op de veertiende dag van de eerste maand moeten jullie Pesach vieren, het feest waarop er zeven45:21 zeven – Volgens sommige Hebreeuwse handschriften en de oudste vertalingen. MT: ‘weken’. dagen lang ongedesemd brood gegeten wordt. 22Op die dag moet de vorst een stier als reinigingsoffer brengen, voor zichzelf en voor de hele bevolking van het land. 23En op alle zeven dagen van het feest moet hij een brandoffer aan de HEER brengen, elke dag zeven stieren en zeven rammen zonder enig gebrek, zeven dagen lang, en elke dag een bok als reinigingsoffer. 24Als graanoffer moet hij bij elke stier en bij elke ram een efa graan doen, en bij elke efa graan een hin olie.

25

45:25
Lev. 23:33-36
Num. 29:12-38
Vanaf de vijftiende dag van de zevende maand, op het feest, moet hij hetzelfde doen: zeven dagen lang moet hij dezelfde reinigingsoffers, brandoffers, graanoffers en olieoffers brengen.

46

461

46:1
Ezech. 45:17
Dit zegt God, de HEER: De oostpoort van de binnenhof moet gedurende de zes werkdagen gesloten blijven, maar op sabbat en op nieuwemaansdag moet hij geopend worden. 2Dan komt de vorst van buiten door de voorhal de poort binnen en stelt zich op bij de deurpost van de poort, en de priesters brengen zijn brandoffer en zijn vredeoffer. Dan moet hij zich neerbuigen op de drempel van de poort en weer naar buiten gaan. De poort mag tot de avond niet gesloten worden. 3De bevolking van het land moet zich op sabbat en op nieuwemaan bij de toegang van die poort neerbuigen voor de HEER.

4Het brandoffer dat de vorst op sabbat aan de HEER aanbiedt, bestaat uit zes jonge rammen en een volwassen ram, zonder enig gebrek, 5en als graanoffer bij de volwassen ram een efa graan, als graanoffer bij de jonge rammen zo veel hij missen kan, en bij elke efa graan een hin olie. 6Op nieuwemaansdag bestaat het brandoffer uit een jonge stier zonder enig gebrek, zes jonge rammen en een volwassen ram zonder enig gebrek, 7en als graanoffer moet de vorst bij elke stier en bij elke volwassen ram een efa graan doen, bij de jonge rammen wat hij zich kan veroorloven, en bij elke efa graan een hin olie.

8De vorst moet door de voorhal van de poort binnenkomen, en langs dezelfde weg weer naar buiten gaan.

9Maar als de bevolking van het land op de hoogtijdagen naar de HEER komt om zich neer te buigen, moet wie door de noordpoort binnenkomt door de zuidpoort naar buiten gaan, en wie door de zuidpoort binnenkomt door de noordpoort naar buiten gaan. Niemand mag teruggaan door de poort waardoor hij binnenkwam, iedereen moet door de tegenoverliggende poort naar buiten gaan. 10De vorst moet tegelijk met hen binnenkomen en tegelijk met hen weer naar buiten gaan.

11Ook op de feesten en hoogtijdagen moet het graanoffer bestaan uit een efa graan bij elke stier en bij elke volwassen ram, en bij de jonge rammen zo veel als de vorst missen kan, en bij elke efa graan een hin olie.

12Wanneer de vorst als vrijwillige gave een brandoffer of vredeoffer wil brengen, als vrijwillige gave aan de HEER, dan moet de oostpoort voor hem worden geopend en kan hij zijn brandoffer en vredeoffer op dezelfde manier brengen als op sabbat. Daarna gaat hij weer naar buiten, en de poort wordt gesloten zodra hij buiten is.

13

46:13
Ex. 29:38-39
Breng dagelijks een eenjarige ram zonder enig gebrek als brandoffer aan de HEER, elke morgen weer. 14En breng daarbij elke morgen een graanoffer van een zesde efa graan en een derde hin olie om door de tarwebloem te mengen, als graanoffer voor de HEER. Deze bepalingen blijven voor altijd van kracht. 15Elke morgen moeten de priesters een jonge ram, een graanoffer en olie offeren, als een dagelijks brandoffer.

Grondbezit van de vorst

16Dit zegt God, de HEER: Wanneer de vorst aan een van zijn zonen een geschenk geeft, dan wordt dat diens grondbezit; zijn zonen zullen het erven. 17Maar wanneer hij een deel van zijn grondbezit aan een van zijn slaven geeft, dan mag die het houden tot het jaar van zijn vrijlating. Daarna vervalt het weer aan de vorst. Het blijft zijn grondbezit: zijn zonen krijgen het. 18De vorst mag niets van het grondbezit van het volk onteigenen. Alleen uit zijn eigen bezit mag hij zijn zonen laten erven, opdat niemand van mijn volk het bezit wordt ontnomen.”’

De offerkeukens

19

46:19
Ezech. 42:1-9
Toen bracht de man mij door de ingang naast de poort naar de heilige zijhallen voor de priesters, die uitkeken op het noorden. Bij de achtermuur, aan de westkant, was een ruimte. 20
46:20
Ezech. 44:19
Hij zei tegen mij: ‘Dit is de ruimte waar de priesters de hersteloffers en de reinigingsoffers bereiden en waar ze de graanoffers klaarmaken. Zo hoeven ze die niet naar de buitenhof te brengen, waardoor ze het volk heilig zouden maken.’

21Toen nam hij me mee naar de buitenhof en voerde me langs de vier hoeken ervan. In elke hoek was nog een kleinere hof. 22Dit waren besloten hoven van 40 bij 30 el; ze hadden alle vier dezelfde afmetingen. 23Elk van de vier hoven was omgeven door een muurtje, en onder aan die muurtjes waren kookplaatsen. 24Hij zei tegen mij: ‘Dit zijn de keukens waar degenen die in de tempel dienstdoen de vredeoffers van het volk klaarmaken.’

47

De rivier uit de tempel

471

47:1
Joël 4:18
Zach. 14:8
Toen bracht de man mij terug naar de ingang van de tempel. Daar zag ik water onder de drempel van de tempel vandaan komen. Het stroomde naar het oosten, want de voorkant van de tempel lag op het oosten. Het water liep van onder de rechter buitenmuur van de tempel, ten zuiden van het altaar, naar beneden. 2Hij nam mij door de noordpoort mee naar buiten en we liepen buitenom naar de oostelijke buitenpoort. Daar zag ik het water aan de rechterkant eruit sijpelen. 3Met een meetlint in zijn hand ging de man naar het oosten, en hij mat 1000 el. Daar liet hij mij door het water waden: het water kwam tot mijn enkels. 4Hij mat nog eens 1000 el en liet me weer door het water waden: het water kwam tot mijn knieën. Hij mat nog eens 1000 el en liet me er weer door waden: het water kwam tot mijn heupen. 5Hij mat nog eens 1000 el en toen was het water een rivier waar ik niet doorheen kon waden. Het water was zo hoog dat je er alleen in zwemmen kon, het was een ondoorwaadbare rivier. 6De man zei tegen mij: ‘Zie je dat, mensenkind?’ en hij liet mij terugkomen op de oever van de rivier. 7Toen ik weer terug was, zag ik op de oevers van de rivier aan weerskanten heel veel bomen.

8Hij zei tegen mij: ‘Dit water stroomt door de oostelijke landstreek, dan naar beneden de Jordaanvallei in, en mondt uit in de Dode Zee. Wanneer het de zee in stroomt wordt het water daar zoet. 9Het zal er wemelen van levende wezens, overal waar de rivier stroomt komt leven, er zal vis zijn in overvloed.47:9 overal waar de rivier stroomt komt leven, er zal vis zijn in overvloed – Volgens de oudste vertalingen. MT: ‘overal waar de dubbelrivier stroomt komt leven, er zal vis zijn in overvloed’. Als dit water in de Dode Zee aankomt wordt het water daar zoet; overal waar de rivier stroomt komt leven. 10Van Engedi tot En-Eglaïm zullen er vissers staan, en er zullen droogplaatsen voor netten zijn. Er zullen net zo veel soorten vis zijn als in de Grote Zee. 11Alleen de moerassen en de poelen worden niet zoet, die blijven vol staan met zout water. 12

47:12
Ps. 1:3
Jes. 44:4
Jer. 17:8
Op. 22:2
Aan de oevers van de rivier zullen allerlei vruchtbomen opkomen, waarvan de bladeren niet zullen verwelken en de vruchten niet zullen opraken; elke maand zullen ze vrucht dragen. Het water stroomt immers uit het heiligdom. De vruchten zullen eetbaar zijn en de bladeren geneeskrachtig.’

De grenzen van het land

13

47:13-20
Num. 34:1-12
Dit zegt God, de HEER: Dit is de grens waarbinnen jullie het land als erfelijk bezit mogen verdelen onder de twaalf stammen van Israël – Jozef krijgt meer dan één gebied. 14Jullie zullen het in bezit krijgen, ieder evenveel, het land dat ik onder ede aan je voorouders beloofd heb. Dit land zal jullie als bezit ten deel vallen.

15Dit zijn de grenzen van het land. Aan de noordkant: van de Grote Zee, over de weg naar Chetlon tot men komt bij Sedad, 16langs Hamat, Berota en Sibraïm, dat tussen de gebieden van Damascus en Hamat ligt, naar Chaser-Hattichon, aan de grens van Hauran. 17De grens loopt dus van de zee naar Chasar-Enon, op de grens met Damascus; ten noorden ligt het gebied van Hamat. Dat is de noordgrens.

18Aan de oostkant loopt de grens tussen Hauran en Damascus, tussen Gilead en het land Israël, langs de Jordaan tot aan de Oostelijke Zee, en verder tot Tamar.47:18 en verder tot Tamar – Volgens de Septuaginta en de Pesjitta. MT: ‘jullie moeten afmeten’. Dat is de oostgrens.

19

47:19
Joz. 15:1-4
Aan de zuidkant loopt de grens van Tamar tot aan het water bij Meribat-Kades, en dan langs de wadi47:19 en dan langs de wadi – Voorgestelde lezing. MT: ‘grondbezit’. naar de Grote Zee. Dat is de zuidgrens.

20En aan de westkant wordt de grens gevormd door de Grote Zee, vanaf de zuidgrens tot het punt ter hoogte van Lebo-Hamat. Dat is de westkant.

De verdeling van het land

21Dit land moeten jullie onder elkaar, onder de stammen van Israël, verdelen. 22Verdeel het door loting onder elkaar en onder de vreemdelingen die bij jullie wonen en kinderen verwekt hebben. Die gelden als geboren Israëlieten, en net als jullie zullen ook zij bij de stammen van Israël bezit krijgen. 23Een vreemdeling moeten jullie zijn bezit geven bij de stam waar hij woont – spreekt God, de HEER.

Door deze website verder te gebruiken ga je akkoord met plaatsing en gebruik van cookies door het NBG en derden conform onze privacyverklaring.[bericht verbergen]