Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
29

Profetie tegen Egypte

291

29:1-21
Jes. 19:1-25
Jer. 46:1-26
Op de twaalfde dag van de tiende maand in het tiende jaar richtte de HEER zich tot mij: 2‘Mensenkind, richt je blik op de farao, de koning van Egypte, en profeteer tegen hem en tegen heel Egypte. 3
29:3
Job 40:25-41:26
Zeg: “Dit zegt God, de HEER:

Farao, ik keer me tegen je,

jij, koning van Egypte,

jij, grote krokodil die daar ligt

in de waterstromen van de Nijl,

jij die zegt: ‘De Nijl is van mij,

ik heb hem voor mijzelf gemaakt.’

4

29:4
Ezech. 38:4
Ik zal haken door je kaak slaan

en de vissen van de Nijl aan je schubben laten kleven.

Ik haal je omhoog uit je waterstromen,

en alle vissen van de Nijl zullen aan je schubben kleven.

5Dan zal ik je neersmijten in de woestijn,

met alle vissen uit je waterstromen

val je in het zand,

onaangeroerd en onbegraven.

Ik geef je als voedsel

aan de dieren van het land

en aan de vogels van de hemel.

6

29:6
2 Kon. 18:21
Jes. 36:6
Alle inwoners van Egypte zullen weten

dat ik de HEER ben.

Want voor het volk van Israël

was jij, Egypte, als een rieten stok.

7Als zij je met hun hand vastgrepen, knakte je

en sneed je hun hele schouder open.

Als zij op je leunden, brak je

en raakten hun lendenen verlamd.

8Daarom, zegt God, de HEER: Ik stuur een zwaard op je af dat mens en dier zal uitroeien. 9Egypte zal een woestenij vol puin worden. Ze zullen weten dat ik de HEER ben, omdat hun koning heeft gezegd: ‘Van mij is de Nijl, ik heb hem gemaakt.’ 10Daarom keer ik me tegen jou en je waterstromen, en maak ik van Egypte een land van ruïnes, een dorre woestenij, van Migdol tot Syene, tot aan de grens met Nubië. 11Geen mens of dier zal er nog een voet zetten, en het land zal veertig jaar onbewoond blijven. 12Ik zal van Egypte een woestenij maken te midden van verwoeste landen, en ook de steden zullen er verlaten bij liggen, te midden van een woestenij van steden, veertig jaar lang. En ik zal de Egyptenaren verdrijven naar verre landen en hen verspreiden onder vreemde volken.

13Maar ook zegt God, de HEER: Als die veertig jaar voorbij zijn, zal ik de Egyptenaren weer samenbrengen vanuit de landen waarheen ze verdreven zijn. 14Ik zal hun lot ten goede keren en hen terugbrengen naar Patros, het land van hun oorsprong. Daar zullen ze een onbeduidend koninkrijk vormen. 15Het zal het minste van alle koninkrijken zijn en zich nooit meer boven de andere volken verheffen; ik zal een klein volk van hen maken dat niet meer over andere volken heersen zal. 16Het volk van Israël zal niet langer vertrouwen in hen stellen, het zal niet opnieuw schuld op zich laden door zich op hen te verlaten – en ze zullen weten dat ik God, de HEER, ben.”’

17Op de eerste dag van de eerste maand in het zevenentwintigste jaar richtte de HEER zich tot mij: 18‘Mensenkind, Nebukadnessar, de koning van Babylonië, heeft zijn leger afgebeuld in de strijd tegen Tyrus. De hoofden van zijn mannen zijn kaalgeschuurd en hun schouders zijn ontveld. Maar al die strijd tegen Tyrus heeft hem en zijn leger niets goeds gebracht.

19

29:19
Ezech. 30:10,24
32:11
Daarom – zegt God, de HEER: Ik zal Nebukadnessar Egypte geven. Hij zal de bevolking wegvoeren, hij zal buit behalen en het land plunderen; zo zal zijn leger worden beloond. 20
29:20
Jer. 43:10
44:30
Als loon voor zijn moeite zal ik hem Egypte geven, als beloning voor wat hij en zijn leger voor mij gedaan hebben – zo spreekt God, de HEER. 21Op die dag zal ik Israël nieuwe kracht geven, en jij zult weer met de Israëlieten kunnen spreken. Dan zullen zij beseffen dat ik de HEER ben.’

30

301De HEER richtte zich tot mij: 2‘Mensenkind, profeteer, zeg: “Dit zegt God, de HEER:

Barst uit in gejammer!

O, angstwekkende dag!

3Nabij is de dag,

nabij is de dag van de HEER!

Een dag van wolken zal het zijn,

de dag van het oordeel over de volken.

4In Egypte zal een zwaard rondwaren,

Nubië siddert van angst

wanneer in Egypte de doden vallen.

Het volk wordt weggesleept,

de muren worden neergehaald.

5

30:5
Jer. 46:9
Nubiërs, Libiërs en Lydiërs,

huurlingen en Kubieten,

mannen uit een land van bondgenoten:

zij allen worden door het zwaard geveld.

6
30:6
Ezech. 29:10
Dit zegt de HEER: Wie Egypte steunt zal vallen, en de kracht waarop dat land zich beroemt zal verschrompelen: van Migdol tot Syene vallen er doden door het zwaard – spreekt God, de HEER. 7Egypte wordt een woestenij te midden van verwoeste landen, en zijn steden zullen tot ruïnes vervallen, als zoveel andere steden. 8Wanneer ik Egypte in vlammen doe opgaan en al zijn bondgenoten vernietig, zullen ze weten dat ik de HEER ben. 9Op die dag zal ik boden per schip naar het onbezorgde Nubië sturen en het doen beven; sidderen zal het op de dag dat Egypte getroffen wordt – en die dag komt!

10Dit zegt God, de HEER: Ik zal de bevolking van Egypte laten uitroeien door koning Nebukadnessar van Babylonië. 11Hij en zijn krijgsvolk, het wreedste ter wereld, laat ik komen om het land te verwoesten. Zij zullen ten strijde trekken tegen Egypte en het land zal met lijken bezaaid zijn. 12De Nijl leg ik droog en het land lever ik over aan barbaren; het land met al zijn rijkdom laat ik door vreemde volken verwoesten – ik, de HEER, heb gesproken.

13Dit zegt God, de HEER: Alle afgoden zal ik vernietigen, de nietswaardige goden van Memfis laat ik verdwijnen, Egypte zal zonder vorst zijn. Er zal angst heersen in het hele land. 14Patros zal ik verwoesten, Soan aan de vlammen prijsgeven en Thebe straffen. 15Over Pelusium, de vesting die de grens van Egypte beschermt, zal ik mijn toorn uitstorten, en de bevolking van Thebe roei ik uit. 16Ik zal Egypte aan de vlammen prijsgeven, Pelusium zal sidderen van angst, Thebe zal worden opengereten en Memfis wordt op klaarlichte dag door de vijand ingenomen. 17De jonge mannen van Heliopolis30:17 Heliopolis – Volgens de Septuaginta. MT: ‘verderf’. en Bubastis zullen vallen door het zwaard, en de bevolking zal in ballingschap worden weggevoerd. 18In Dafne wordt het niet meer licht, want daar breek ik het juk van Egypte, daar komt een einde aan zijn trotse kracht. Wolken zullen het land bedekken, en de bevolking zal in ballingschap gaan. 19Ik zal Egypte straffen, het zal weten dat ik de HEER ben.”’

20Op de zevende dag van de eerste maand in het elfde jaar richtte de HEER zich tot mij. Hij zei: 21‘Mensenkind, ik zal de arm van de farao, de koning van Egypte, breken. Niemand zal die arm verbinden om hem te laten genezen, niemand legt om die arm een verband waardoor hij weer sterk genoeg wordt om het zwaard te hanteren. 22Daarom, zegt God, de HEER: Ik zal optreden tegen de farao, de koning van Egypte; ik zal zijn armen breken, de gezonde en de gebroken arm, en ik zal hem het zwaard uit handen slaan. 23Ik zal de Egyptenaren verdrijven naar verre landen en hen verspreiden onder vreemde volken. 24Ik zal de armen van de koning van Babylonië sterk maken en hem mijn zwaard in handen geven, ik zal de armen van de farao breken en hij zal voor de ogen van de koning kermen als een dodelijk gewonde man. 25De armen van de koning van Babylonië zal ik sterk maken, en de armen van de farao zullen slap langs zijn lichaam hangen. Als ik mijn zwaard in de hand van de koning van Babylonië leg en hij het daarna uitstrekt tegen Egypte, zal iedereen weten dat ik de HEER ben. 26Ik zal de Egyptenaren naar verre landen verdrijven en hen onder vreemde volken verspreiden – ze zullen weten dat ik de HEER ben.’

31

311Op de eerste dag van de derde maand in het elfde jaar richtte de HEER zich tot mij: 2‘Mensenkind, zeg tegen de farao, de koning van Egypte, en tegen zijn volk: “Wie is er zo groot als jij?

3Ooit was er een cipres, een ceder van de Libanon,31:3 Ooit was er een cipres, een ceder van de Libanon – Ook mogelijk is de vertaling: ‘Ooit was Assyrië een ceder van de Libanon’.

met mooie takken, als een woud dat schaduw geeft,

duizelingwekkend hoog, zijn kruin raakte de wolken.

4Water deed hem groeien, de oervloed maakte hem groot:

rivieren stroomden waar de ceder was geplant,

vanuit de oervloed vloeide het water naar alle bomen van de aarde.

5Zo werd hij de hoogste van alle bomen,

zo kreeg hij brede takken en lange twijgen,

door al het water uit de diepte.

6

31:6
Ezech. 17:23
In zijn takken nestelden de vogels van de hemel,

onder zijn twijgen wierpen de wilde dieren hun jongen,

en in zijn schaduw woonden vele volken.

7Groot was hij en mooi, met zijn lange takken,

want hij had zijn wortels in veel water.

8

31:8
Gen. 2:9
Zelfs in de tuin van God was er geen ceder als hij,

geen cipres met zulke takken,

geen plataan met zulke twijgen,

in de tuin van God was er geen boom zo mooi als hij.

9Ik had hem zo mooi gemaakt met zijn brede takken,

en alle bomen van Eden benijdden hem,

alle bomen in de tuin van God.

10Daarom, zegt God, de HEER: Omdat hij zo hoog geworden was dat zijn kruin de wolken raakte en omdat hij zich hooghartig verhief, 11leverde ik hem uit aan de machtigste heerser van de wereld, die hem voor zijn goddeloosheid liet boeten. Ik verstootte hem. 12Vreemde volken, de wreedste ter wereld, hakten hem om en smeten hem neer op de bergen, zijn takken vielen in de dalen, zijn twijgen werden gebroken en vulden de beddingen van de rivieren. Alle volken van de aarde trokken weg uit zijn schaduw en lieten hem liggen. 13De vogels van de hemel streken neer op zijn gevallen stam, en in zijn takken huisden de dieren van het veld. 14Geen boom, al heeft hij zijn wortels in het water, zal ooit nog zo hoog worden, geen kruin zal ooit nog de wolken raken. Geen boom zal zich meer boven de andere verheffen. Ze worden allemaal aan de dood prijsgegeven, ze verdwijnen in de onderwereld, waar ook de mensen zijn die in het graf zijn afgedaald.

15Dit zegt God, de HEER: Op de dag dat hij in het dodenrijk afdaalde bedekte ik de oervloed met een rouwkleed, ik hield de rivieren tegen en het vele water hield op te stromen. Om hem verduisterde ik de Libanon, om hem versmachtten alle bomen op aarde van dorst. 16

31:16-18
Jes. 14:15
Ezech. 32:18-31
Toen ik hem in het dodenrijk liet afdalen naar hen die zich al in het graf bevinden, beefden alle volken bij het geluid van zijn val. Maar in de onderwereld voelden de bomen van Eden zich getroost, de mooiste van de Libanon, alle waterdrinkers. 17Ook zij waren naar het dodenrijk afgedaald, naar hen die door het zwaard waren geveld: zijn bondgenoten, alle volken die in zijn schaduw hadden gewoond.

18Wie is er aan jou gelijk, wie van de bomen in Eden is zo mooi en zo groot als jij? En toch word jij geveld, net als de bomen van Eden, en naar de onderwereld gebracht; daar zul je liggen te midden van de onbesnedenen, naast hen die door het zwaard zijn gevallen. Zo zal het de farao en heel zijn volk vergaan – spreekt God, de HEER.”’