Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
25

Profetie tegen de volken die Israël omringen

251

25:1-7
Jer. 49:1-6
Ezech. 21:33-37
Amos 1:13-15
De HEER richtte zich tot mij: 2‘Mensenkind, richt je blik op de Ammonieten en profeteer tegen hen. 3Zeg tegen de Ammonieten: “Luister naar de woorden van God, de HEER! Dit zegt God, de HEER: Jullie hebben je vrolijk gemaakt toen mijn heiligdom werd ontwijd, toen het land van Israël werd verwoest en het volk van Juda in ballingschap ging. 4Daarom zal ik jullie land in eigendom geven aan de stammen uit het oosten. Zij zullen er hun tenten opslaan en er hun woonplaats van maken; zij zullen jullie vruchten eten en je melk drinken. 5Van Rabba maak ik een weideplaats voor hun kamelen, en hun schapen zullen zich op je land te ruste leggen. Zo zullen jullie weten dat ik de HEER ben.

6

25:6
Ezech. 6:11
Ook dit zegt God, de HEER: Jullie hebben je handen op elkaar geslagen en met je voeten gestampt en vol minachting gelachen over het lot van Israël. 7Daarom zal ik mijn hand tegen jullie opheffen en je uitleveren aan vijandige volken. Ik zal jullie uit de kring van de volken verwijderen, jullie land zal niet langer bestaan. Ik zal jullie vernietigen; zo zullen jullie weten dat ik de HEER ben.”

8

25:8-11
Jes. 15:1-16:14
25:10-12
Jer. 48:1-47
Amos 2:1-3
Sef. 2:8-11
Dit zegt God, de HEER: Moab – en ook Seïr – heeft gezegd dat het volk van Juda niet anders is dan alle andere volken. 9Daarom zal ik de steden op de berghellingen van Moab verwoesten, alle steden, tot de laatste toe. Ook de allermooiste zullen ten onder gaan: Bet-Hajjesimot, Baäl-Meon en Kirjataïm. 10Net als Ammon zal ik Moab in eigendom geven aan de stammen uit het oosten. Geen volk zal zich de Ammonieten ooit nog herinneren. 11Zo zal ik ook Moab straffen; ze zullen weten dat ik de HEER ben.

12

25:12-14
Jes. 34:5-17
63:1-6
Jer. 49:7-22
Ezech. 35:1-15
Amos 1:11-12
Ob. 1-14
Mal. 1:2-5
25:12
Ps. 137:7
Dit zegt God, de HEER: Edom heeft zich op het volk van Juda gewroken en zo een zeer zware schuld op zich geladen. 13Daarom, zegt God, de HEER, zal ik mijn hand tegen Edom opheffen. Ik zal er mens en dier uitroeien, ik zal het land verwoesten; van Teman tot Dedan zullen allen door het zwaard worden geveld. 14Door Israël, mijn volk, zal ik mij op Edom wreken: Israël zal Edom treffen met mijn woede en mijn toorn, en zo zal Edom mijn wraak leren kennen – spreekt God, de HEER.

15

25:15-17
Jes. 14:29-31
Jer. 47:1-7
Joël 4:4-8
Amos 1:6-8
Sef. 2:4-7
Zach. 9:5-7
Dit zegt God, de HEER: De Filistijnen zijn wraakzuchtig geweest, ze hebben zich vol minachting gewroken; gedreven door een eeuwigdurende haat hebben ze verwoestingen aangericht. 16Daarom, zegt God, de HEER, zal ik mijn hand tegen de Filistijnen opheffen. Ik zal die Kretenzers uitroeien, en wie er van hen in de kustvlakte nog in leven is, richt ik te gronde. 17Ik zal mij meedogenloos op hen wreken, in mijn toorn zal ik hen straffen, en dan, als mijn wraak hen treft, zullen ze weten dat ik de HEER ben.’

26

Profetie tegen Tyrus

261

26:1-21
Jes. 23:1-18
Joël 4:4-8
Amos 1:9-10
Zach. 9:3-4
In het elfde jaar, op de eerste dag van de maand, richtte de HEER zich tot mij: 2
26:2
Ezech. 25:3
‘Mensenkind, Tyrus heeft zich vrolijk gemaakt over Jeruzalem, zij heeft uitgeroepen: “De Poort der volken is verwoest en is mij toegevallen. Nu de stad in puin ligt, zal ik mij vullen met haar schatten!” 3Daarom zegt God, de HEER: Ik zal je straffen, Tyrus, ik zal een vloed van volken op je afsturen, ze zullen op je aanstormen als de golven van de zee! 4De muren van Tyrus zullen ze verwoesten en haar torens neerhalen. Ik zal zelfs het stof uit Tyrus wegvegen, ik zal van haar een kale rots maken, 5een plaats waar je netten te drogen hangt, midden in zee. Ik heb gesproken – spreekt God, de HEER. Tyrus wordt een prooi voor andere volken, 6en haar dochtersteden op het land zullen door het zwaard worden geveld. Ze zullen weten dat ik de HEER ben.

7

26:7
Ezech. 29:17-21
Want dit zegt God, de HEER: Ik zal Nebukadnessar, de koning van Babylonië, de koning der koningen, naar jou, Tyrus, laten optrekken. Hij komt vanuit het noorden, met paarden, wagens en ruiters, met een groot en machtig leger. 8
26:8
Ezech. 4:1-3
Hij zal je dochters op het vasteland vellen met zijn zwaard en tegen jou zal hij een belegeringswal en een bestormingsdam opwerpen, terwijl zijn soldaten door schilden worden beschermd. 9Met zijn stormram zal hij op je muren beuken, je torens zal hij met houwelen neerhalen. 10Met zo veel paarden komt hij op je af dat stofwolken je zullen bedekken; als hij je poorten binnenkomt zullen je muren beven door het geraas van de ruiters, de wielen en de wagens, alsof de stad wordt opengereten. 11De hoeven van zijn paarden zullen je straten kapot trappen, hij zal je bevolking doden met zijn zwaard, je machtige zuilen zullen tegen de grond gaan. 12Je rijkdommen worden geroofd, je handelswaren geplunderd, je muren neergehaald en je kostbare huizen afgebroken. Alle stenen, al het houtwerk en alle puin verdwijnen in zee. 13
26:13
Jes. 24:8-9
Jer. 25:10
Op. 18:22
Je gezang zal ik doen verstommen, niemand zal de klank van je lieren nog horen. 14Ik maak een kale rots van je, een droogplaats voor netten, je zult nooit meer worden herbouwd. Ik, de HEER, heb gesproken – zo spreekt God, de HEER.

15Ook dit zegt God, de HEER, tegen Tyrus: De kusten en de eilanden zullen beven bij het geluid van je val, bij het gekerm van de gewonden, als er binnen je muren een slachting wordt aangericht. 16

26:16-17
Op. 18:9-10
26:16
Jona 3:6
Alle vorsten van de zee zullen van hun troon afdalen, hun mantels afleggen en hun kleurige gewaden uittrekken, gehuld in het kleed van de angst zullen ze op de grond gaan zitten, onophoudelijk bevend, verbijsterd over je val. 17Ze zullen dit klaaglied over je zingen:

“Ach, hoe ben je te gronde gegaan!

Jij, eens vanuit de zeeën bevolkt,

roemrijke stad, burcht in de zee,

jij en je bewoners zaaiden overal angst.

18Nu beven de kusten, op de dag van je val,

ontzet zijn de eilanden in de zee

over je ondergang.”

19Dit zegt God, de HEER: Wanneer ik jou tot een stad van ruïnes maak, een stad zonder bewoners, wanneer ik de oervloed op je af laat komen en de machtige wateren je overspoelen, 20

26:20
Ezech. 32:18-32
dan zal ik je doen afdalen naar hen die je zijn voorgegaan, naar het volk van weleer. Daar zul je wonen, in het land van de diepten, bij hen die zijn afgedaald in de afgrond, in de eeuwige ruïnes. Je zult niet langer in het land van de levenden wonen, daar zul je geen plek meer hebben. 21
26:21
Op. 18:21
Ik zal je tot een schrikbeeld maken, je zult er niet meer zijn. Je wordt gezocht, maar nooit meer word je gevonden – zo spreekt God, de HEER.’

27

271De HEER richtte zich tot mij: 2‘Zing, mensenkind, een klaaglied over Tyrus. 3Zeg tegen Tyrus, de stad die met haar havens de toegang tot de zee beheerst, de stad die handeldrijft met verre volken en landen overzee: “Dit zegt God, de HEER:

Jij, Tyrus, noemde je schoonheid volmaakt.

4Je land lag in het hart van de zee,

in volmaakte schoonheid was je gebouwd.

5Van Senircipressen waren je boorden,

een Libanonceder was je mast.

6Van eiken uit Basan waren je riemen,

je dek was van ivoor, ingelegd in dennenhout

van de eilanden waar de Kittiërs wonen.

7Van bont Egyptisch linnen waren de zeilen

waaraan je van verre te herkennen was,

het blauwpurper en roodpurper van Alasia’s kusten

werd de stof van je dekkleden.

8De vorsten van Sidon en Arwad waren je roeiers,

jouw wijzen, Tyrus, hielden het roer,

9de oudsten en wijzen van Gebal voeren als timmerlui mee.

Alle schepen van de zee kwamen langszij,

hun zeelui dreven handel met je.

10

27:10
Jer. 46:9
Soldaten uit Perzië, Lydië en Libië vochten voor je,

hun schilden en helmen hingen ze aan je muren –

zo zetten ze je luister bij.

11Arwadieten en Chelechieten bewaakten je muren,

Gammadieten hielden op je torens de wacht,

hun pijlkokers hingen ze overal aan je muren –

zo werd je schoonheid volmaakt.

12Tarsis handelde met je vanwege je vele rijkdommen; het betaalde je goederen met zilver en ijzer, met tin en lood. 13De kooplieden van Griekenland, Tubal en Mesech gaven je voor je handelswaar slaven en bronzen voorwerpen. 14Bet-Togarma leverde werkpaarden, rijpaarden en muildieren voor je goederen. 15Ook met de kooplieden uit Rhodos27:15 Rhodos – Volgens de Septuaginta. MT: ‘Dedan’. en vele andere eilanden dreef je handel; ze betaalden je met ivoor en ebbenhout. 16Edom27:16 Edom – Volgens sommige Hebreeuwse handschriften en oude vertalingen. MT: ‘Aram’. dreef handel met je voor allerlei producten; het betaalde je goederen met granaatstenen, met roodpurperen en bonte wol, met fijn linnen, koraal en robijnen. 17De kooplieden van Juda en Israël gaven voor je handelswaar rijst, fijn meel, honing, olijfolie en balsem. 18-19Damascus handelde met je vanwege je vele rijkdommen, het kocht allerlei producten; het betaalde je goederen – bewerkt ijzer, kaneel, kalmoes en andere handelswaar – met wijn uit Chelbon en wol uit Sachar en met kruiken wijn uit Izalla.27:18-19 en met kruiken wijn uit Izalla – Voorgestelde lezing. MT (betekenis van het Hebreeuws onzeker): ‘en Dan en Jawan uit Uzzal’. 20Van de kooplieden uit Dedan betrok je je zadelkleden; 21de Arabieren en de vorsten van Kedar handelden met je in lammeren, rammen en bokken. 22De kooplieden van Seba en Rama leverden je de beste soort balsem voor je goederen, en allerlei edelstenen en goud. 23-24Ook de kooplieden van Charan, Kanne en Eden, en die van Seba, Assur en Kilmad handelden met je en verkochten je schitterende gewaden en mantels van blauwpurperen en bonte wol, kleden van tweekleurig weefsel en stevig gevlochten touwen. 25Met schepen uit Tarsis werd je handelswaar vervoerd.

Zo lag je volgeladen en zwaar

in het hart van de zeeën.

26Je roeiers brachten je in diepe wateren,

en daar, in het hart van de zeeën,

werd je door de oostenwind gebroken.

27Al je bezit en al je goederen,

je handelswaar en je matrozen,

je stuurlui en je scheepstimmerlieden,

allen die handel met je dreven,

je soldaten en al je inwoners –

alles zal met je ten onder gaan,

in het hart van de zeeën,

op de dag dat jij vergaat.

28De golven raken in beroering door de kreten van je stuurlui,

29de roeiers verlaten hun schepen,

matrozen, stuurlui, allen gaan aan land.

30

27:30-36
Op. 18:11-19
Ze verheffen hun stem en beklagen je bitter.

Ze zullen stof over hun hoofd werpen

en zich wentelen in het vuil,

31ze zullen zich kaalscheren om jou,

zich met een rouwkleed omgorden

en bitter over je wenen, in een bittere rouwklacht.

32Dan zingen en klagen ze over je:

‘Wie was aan Tyrus, daar midden in zee, gelijk?’

33Met de aanvoer van goederen over de zeeën

heb je vele volken welvarend gemaakt;

met al je schatten en handelswaar

heb je de koningen van de aarde rijkdom gebracht.

34Nu ben je door de zeeën gebroken,

door de waterdiepten verzwolgen.

Je handelswaar en je bewoners zijn met je vergaan.

35Verbijsterd zijn de kustbewoners,

hun koningen rijzen de haren te berge,

hun gezicht is van angst verwrongen.

36De handeldrijvende volken sissen van afschuw!

Een schrikbeeld ben je geworden, voor altijd vergaan.”’