Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
24

De kookpot

241In het negende jaar, op de tiende dag van de tiende maand, richtte de HEER zich tot mij: 2

24:2
2 Kon. 25:1
Jer. 52:4
‘Mensenkind, schrijf op welke dag het is, de precieze datum, want vandaag is het de dag dat de koning van Babylonië het beleg voor Jeruzalem heeft geslagen. 3
24:3-14
Ezech. 11:3-12
Vertel dit opstandige volk een verhaal, zeg tegen hen: “Dit zegt God, de HEER: Zet de kookpot op en giet er water in. 4Vul de pot met vlees, met schenkel en schouderstuk, met de mooiste stukken en de beste bouten. 5Neem het vetste dier uit de kudde, stapel hout24:5 hout – Voorgestelde lezing. MT: ‘de bouten’. op onder de pot, laat het water koken en zieden, laat de bouten sudderen.

6Daarom – dit zegt God, de HEER: Wee de bloedstad! Een pot met aangekoekt vuil is zij, een pot waar het vuil niet vanaf gaat; haal de stukken vlees er een voor een uit – er is geen lot op de stad gevallen. 7Het bloed dat ze vergoten heeft, is nog niet verdwenen. Op een kale rots blijft het liggen, ze heeft het niet laten weglopen over de aarde, waar het in de grond kan verdwijnen. 8Opdat mijn toorn kan opkomen, opdat ik het bloed kan wreken, heb ik het op de kale rots laten liggen, waar het niet kan worden toegedekt.

9Daarom – dit zegt God, de HEER: Wee de bloedstad! Ikzelf zal een groot vuur aanleggen. 10Zorg voor veel brandhout, steek het vuur aan, laat het vlees verbranden, het vocht verkoken en de botten verkolen. 11Laat de pot leeg op het vuur staan, zodat hij heet wordt en het koper gaat gloeien, om alle onreinheid in de pot te laten wegsmelten en het vuil te laten verdwijnen. 12Maar al die moeite zal vergeefs zijn: het vele vuil wil er niet af, het wordt door het vuur niet weggebrand. 13Jouw onreinheid is je schande; omdat je niet rein bent geworden toen ik je wilde reinigen, zul je van je onreinheid niet meer worden gezuiverd voordat ik mijn woede op je heb gekoeld. 14Ik, de HEER, heb gesproken, en zo zal het gebeuren, zo zal ik het doen. Ik zal je niet ontzien, ik zal geen medelijden tonen, ik zal geen berouw krijgen. Naar je daden zul je worden beoordeeld. Zo spreekt God, de HEER.”’

Een plotselinge slag

15De HEER richtte zich tot mij: 16‘Door een plotselinge slag zal ik het liefste wat je hebt van je wegnemen. Je mag daar niet om rouwen of treuren, en je tranen niet laten vloeien. 17Klaag in stilte, rouw niet om de dode. Wikkel een tulband om en doe je sandalen aan; bedek je baard niet en eet niet van het brood dat de mensen je brengen.’

18Die ochtend sprak ik nog tegen het volk, en ’s avonds stierf mijn vrouw. De volgende morgen deed ik wat mij was opgedragen.

19Het volk vroeg mij: ‘Wilt u ons uitleggen waarom u zich zo gedraagt, en wat dat voor ons betekent?’ 20Ik antwoordde: ‘De HEER heeft zich tot mij gericht. Hij droeg me op 21

24:21
Klaagl. 2:7
tegen het volk van Israël te zeggen: “Dit zegt God, de HEER: Ik ga mijn heiligdom ontwijden, de plaats waaraan jullie je trots en kracht ontlenen, jullie liefste bezit, de plaats waarnaar jullie hart verlangt. De zonen en dochters die jullie daar achtergelaten hebben, zullen vallen door het zwaard. 22Jullie zullen doen wat ik heb moeten doen: Jullie mogen je baard niet bedekken, en niet eten van het brood dat de mensen jullie brengen. 23Wikkel een tulband om en doe je sandalen aan, rouw niet en treur niet. Jullie schuld wordt jullie ondergang, en jullie zullen bij elkaar je leed klagen. 24Zo zal Ezechiël voor jullie een teken zijn: zoals hij heeft gedaan, zo moeten jullie doen. Als het onheil komt, zullen jullie beseffen dat ik God, de HEER, ben.”’

25‘Mensenkind, op de dag dat ik hun vesting – hun stralende vreugde, hun liefste bezit, hun hartsverlangen – van hen wegneem, en ook hun zonen en dochters, 26op die dag zal er een overlevende bij je komen om je dat te berichten. 27

24:27
Ezech. 3:27
33:21
Op die dag zal je mond geopend worden, je zult weer kunnen spreken en niet langer stom zijn. Zo zul je voor het volk een teken zijn, en zij zullen weten dat ik de HEER ben.’

25

Profetie tegen de volken die Israël omringen

251

25:1-7
Jer. 49:1-6
Ezech. 21:33-37
Amos 1:13-15
De HEER richtte zich tot mij: 2‘Mensenkind, richt je blik op de Ammonieten en profeteer tegen hen. 3Zeg tegen de Ammonieten: “Luister naar de woorden van God, de HEER! Dit zegt God, de HEER: Jullie hebben je vrolijk gemaakt toen mijn heiligdom werd ontwijd, toen het land van Israël werd verwoest en het volk van Juda in ballingschap ging. 4Daarom zal ik jullie land in eigendom geven aan de stammen uit het oosten. Zij zullen er hun tenten opslaan en er hun woonplaats van maken; zij zullen jullie vruchten eten en je melk drinken. 5Van Rabba maak ik een weideplaats voor hun kamelen, en hun schapen zullen zich op je land te ruste leggen. Zo zullen jullie weten dat ik de HEER ben.

6

25:6
Ezech. 6:11
Ook dit zegt God, de HEER: Jullie hebben je handen op elkaar geslagen en met je voeten gestampt en vol minachting gelachen over het lot van Israël. 7Daarom zal ik mijn hand tegen jullie opheffen en je uitleveren aan vijandige volken. Ik zal jullie uit de kring van de volken verwijderen, jullie land zal niet langer bestaan. Ik zal jullie vernietigen; zo zullen jullie weten dat ik de HEER ben.”

8

25:8-11
Jes. 15:1-16:14
25:10-12
Jer. 48:1-47
Amos 2:1-3
Sef. 2:8-11
Dit zegt God, de HEER: Moab – en ook Seïr – heeft gezegd dat het volk van Juda niet anders is dan alle andere volken. 9Daarom zal ik de steden op de berghellingen van Moab verwoesten, alle steden, tot de laatste toe. Ook de allermooiste zullen ten onder gaan: Bet-Hajjesimot, Baäl-Meon en Kirjataïm. 10Net als Ammon zal ik Moab in eigendom geven aan de stammen uit het oosten. Geen volk zal zich de Ammonieten ooit nog herinneren. 11Zo zal ik ook Moab straffen; ze zullen weten dat ik de HEER ben.

12

25:12-14
Jes. 34:5-17
63:1-6
Jer. 49:7-22
Ezech. 35:1-15
Amos 1:11-12
Ob. 1-14
Mal. 1:2-5
25:12
Ps. 137:7
Dit zegt God, de HEER: Edom heeft zich op het volk van Juda gewroken en zo een zeer zware schuld op zich geladen. 13Daarom, zegt God, de HEER, zal ik mijn hand tegen Edom opheffen. Ik zal er mens en dier uitroeien, ik zal het land verwoesten; van Teman tot Dedan zullen allen door het zwaard worden geveld. 14Door Israël, mijn volk, zal ik mij op Edom wreken: Israël zal Edom treffen met mijn woede en mijn toorn, en zo zal Edom mijn wraak leren kennen – spreekt God, de HEER.

15

25:15-17
Jes. 14:29-31
Jer. 47:1-7
Joël 4:4-8
Amos 1:6-8
Sef. 2:4-7
Zach. 9:5-7
Dit zegt God, de HEER: De Filistijnen zijn wraakzuchtig geweest, ze hebben zich vol minachting gewroken; gedreven door een eeuwigdurende haat hebben ze verwoestingen aangericht. 16Daarom, zegt God, de HEER, zal ik mijn hand tegen de Filistijnen opheffen. Ik zal die Kretenzers uitroeien, en wie er van hen in de kustvlakte nog in leven is, richt ik te gronde. 17Ik zal mij meedogenloos op hen wreken, in mijn toorn zal ik hen straffen, en dan, als mijn wraak hen treft, zullen ze weten dat ik de HEER ben.’

26

Profetie tegen Tyrus

261

26:1-21
Jes. 23:1-18
Joël 4:4-8
Amos 1:9-10
Zach. 9:3-4
In het elfde jaar, op de eerste dag van de maand, richtte de HEER zich tot mij: 2
26:2
Ezech. 25:3
‘Mensenkind, Tyrus heeft zich vrolijk gemaakt over Jeruzalem, zij heeft uitgeroepen: “De Poort der volken is verwoest en is mij toegevallen. Nu de stad in puin ligt, zal ik mij vullen met haar schatten!” 3Daarom zegt God, de HEER: Ik zal je straffen, Tyrus, ik zal een vloed van volken op je afsturen, ze zullen op je aanstormen als de golven van de zee! 4De muren van Tyrus zullen ze verwoesten en haar torens neerhalen. Ik zal zelfs het stof uit Tyrus wegvegen, ik zal van haar een kale rots maken, 5een plaats waar je netten te drogen hangt, midden in zee. Ik heb gesproken – spreekt God, de HEER. Tyrus wordt een prooi voor andere volken, 6en haar dochtersteden op het land zullen door het zwaard worden geveld. Ze zullen weten dat ik de HEER ben.

7

26:7
Ezech. 29:17-21
Want dit zegt God, de HEER: Ik zal Nebukadnessar, de koning van Babylonië, de koning der koningen, naar jou, Tyrus, laten optrekken. Hij komt vanuit het noorden, met paarden, wagens en ruiters, met een groot en machtig leger. 8
26:8
Ezech. 4:1-3
Hij zal je dochters op het vasteland vellen met zijn zwaard en tegen jou zal hij een belegeringswal en een bestormingsdam opwerpen, terwijl zijn soldaten door schilden worden beschermd. 9Met zijn stormram zal hij op je muren beuken, je torens zal hij met houwelen neerhalen. 10Met zo veel paarden komt hij op je af dat stofwolken je zullen bedekken; als hij je poorten binnenkomt zullen je muren beven door het geraas van de ruiters, de wielen en de wagens, alsof de stad wordt opengereten. 11De hoeven van zijn paarden zullen je straten kapot trappen, hij zal je bevolking doden met zijn zwaard, je machtige zuilen zullen tegen de grond gaan. 12Je rijkdommen worden geroofd, je handelswaren geplunderd, je muren neergehaald en je kostbare huizen afgebroken. Alle stenen, al het houtwerk en alle puin verdwijnen in zee. 13
26:13
Jes. 24:8-9
Jer. 25:10
Op. 18:22
Je gezang zal ik doen verstommen, niemand zal de klank van je lieren nog horen. 14Ik maak een kale rots van je, een droogplaats voor netten, je zult nooit meer worden herbouwd. Ik, de HEER, heb gesproken – zo spreekt God, de HEER.

15Ook dit zegt God, de HEER, tegen Tyrus: De kusten en de eilanden zullen beven bij het geluid van je val, bij het gekerm van de gewonden, als er binnen je muren een slachting wordt aangericht. 16

26:16-17
Op. 18:9-10
26:16
Jona 3:6
Alle vorsten van de zee zullen van hun troon afdalen, hun mantels afleggen en hun kleurige gewaden uittrekken, gehuld in het kleed van de angst zullen ze op de grond gaan zitten, onophoudelijk bevend, verbijsterd over je val. 17Ze zullen dit klaaglied over je zingen:

“Ach, hoe ben je te gronde gegaan!

Jij, eens vanuit de zeeën bevolkt,

roemrijke stad, burcht in de zee,

jij en je bewoners zaaiden overal angst.

18Nu beven de kusten, op de dag van je val,

ontzet zijn de eilanden in de zee

over je ondergang.”

19Dit zegt God, de HEER: Wanneer ik jou tot een stad van ruïnes maak, een stad zonder bewoners, wanneer ik de oervloed op je af laat komen en de machtige wateren je overspoelen, 20

26:20
Ezech. 32:18-32
dan zal ik je doen afdalen naar hen die je zijn voorgegaan, naar het volk van weleer. Daar zul je wonen, in het land van de diepten, bij hen die zijn afgedaald in de afgrond, in de eeuwige ruïnes. Je zult niet langer in het land van de levenden wonen, daar zul je geen plek meer hebben. 21
26:21
Op. 18:21
Ik zal je tot een schrikbeeld maken, je zult er niet meer zijn. Je wordt gezocht, maar nooit meer word je gevonden – zo spreekt God, de HEER.’