Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
21

Het goddelijk zwaard

211Weer21:1-5 In sommige vertalingen zijn deze verzen genummerd als 20:45-49. richtte de HEER zich tot mij: 2‘Mensenkind, richt je blik naar het zuiden, klaag het aan en profeteer tegen het struikgewas daar. 3

21:3
Ps. 83:15
Jes. 9:18
10:17-19
Jer. 21:14
Ezech. 17:24
Zeg: “Luister naar de woorden van de HEER! Dit zegt God, de HEER: Ik steek je in brand, en het vuur zal al het levende en dorre hout verteren. De laaiende vlam zal niet doven, alle gezichten, in noord en zuid, zullen erdoor worden verschroeid, 4en alles wat leeft zal weten dat ik die vlam heb aangestoken. Het vuur zal niet doven!”’ 5Ik antwoordde: ‘Ach HEER, mijn God, zullen ze dan niet zeggen: “Hij spreekt in raadselen, die man!”’

6De21:6-37 In sommige vertalingen zijn deze verzen genummerd als 21:1-32. HEER richtte zich tot mij: 7‘Mensenkind, richt je blik op Jeruzalem en klaag de heiligdommen aan, profeteer tegen het land van Israël. 8Zeg: “Dit zegt de HEER: Ik keer me tegen je, ik trek mijn zwaard uit de schede en ik zal je inwoners uitroeien, de schuldigen en de onschuldigen. 9Van het zuiden tot het noorden roei ik iedereen uit, de schuldigen en de onschuldigen. Daarom laat ik mijn zwaard uit de schede komen, 10en alles wat leeft zal weten dat ik, de HEER, mijn zwaard getrokken heb! Het keert niet meer in de schede terug.” 11En jij, mensenkind, kerm! Kerm van verdriet waar zij bij zijn, kerm als een gebroken man. 12

21:12
Ezech. 7:17
Als ze je dan vragen: “Waarom kerm je zo?” zeg dan: “Er gaat een onheilsboodschap rond! De angst zal alle mensen om het hart slaan, hun armen zullen slap langs hun lichaam hangen, ze worden wanhopig, het water loopt hun langs de benen. Het komt, het zal gebeuren! – zo spreekt God, de HEER.”’

13De HEER richtte zich tot mij: 14‘Mensenkind, profeteer, zeg: “Dit zegt de Heer:

Er is een zwaard gewet, er is een zwaard geslepen,

15-16om te slachten is het gewet,

om te bliksemen is het gescherpt.

Moeten wij ons erover verheugen

dat de staf van mijn zoon al het hout veracht?

Het zwaard is gescherpt om te worden gegrepen.

Het is gewet, het is geslepen,

moordenaars grijpen het vast.”

17Schreeuw het uit, mensenkind,

en sla je op je heup,

want het zwaard treft mijn volk,

het verwondt Israëls vorsten,

mijn volk wordt door het zwaard geveld.

18Het volk wordt beproefd,

en wat als ook de staf die al het hout veracht er niet meer is?

– zo spreekt God, de HEER.

19Mensenkind, profeteer,

sla je handen op elkaar,

en laat het zwaard tweemaal,

driemaal zijn werk doen.

Het is een zwaard dat klieft,

dat velen doorboort,

dat diep in hen doordringt.

20De schrik slaat hun om het hart,

velen struikelen en vallen!

Het zwaard stuur ik af op hun steden,

verwoestend doet het zijn werk.

Ja, het is gemaakt om te bliksemen

het is gewet21:20 gewet – Voorgestelde lezing. MT (betekenis van het Hebreeuws onzeker): ‘omhuld’, of: ‘bedekt’. om te slachten.

21Doe een uitval naar rechts,

val aan naar links,

waarheen je maar gestuurd wordt!

22Ook ik sla mijn handen op elkaar,

ik zal mijn woede koelen.

Ik, de HEER, heb gesproken.’

23De HEER richtte zich opnieuw tot mij: 24‘Mensenkind, teken twee wegen waarlangs het zwaard van de koning van Babylonië kan gaan. Beide wegen komen uit hetzelfde land. Maak aan het begin van de twee wegen, die beide naar een stad leiden, een open plek. 25Langs de ene weg gaat het zwaard naar Rabba in Ammon, langs de andere naar het versterkte Jeruzalem in Juda. 26Op de splitsing van de weg, aan het begin van de twee wegen, staat de koning van Babylonië, en hij vraagt om een teken. Hij schudt de pijlen, hij raadpleegt zijn godenbeeldjes, hij bekijkt de lever. 27Rechts ligt het lot van Jeruzalem. Hij zal de stad met stormrammen aanvallen, hij zal zijn mond openen in een strijdkreet,21:27 in een strijdkreet – Volgens de Septuaginta. MT (betekenis van het Hebreeuws onzeker): ‘om te moorden’. hij zal zijn stem in krijgsgeschreeuw verheffen. Hij laat de stormrammen tegen de poorten beuken, hij maakt een bestormingsdam, hij werpt een belegeringswal op. 28De Judeeërs zullen denken dat dit een valse voorspelling is, ze hebben immers eden van trouw gezworen! Maar hun schuld komt aan het licht, ze zullen gegrepen worden. 29Dit zegt God, de HEER: Omdat jullie zelf mij aan je schuld hebben herinnerd, omdat jullie misdaden aan het licht zijn gekomen en al jullie zonden en wandaden zichtbaar zijn, omdat jullie zelf mij aan je gedrag hebben herinnerd – daarom zullen jullie in handen van de vijand vallen.

30En wat jou betreft, goddeloze, ontaarde vorst van Israël: voor jou is de dag van de afrekening gekomen. 31

21:31
Jes. 40:4
Mat. 23:12
Dit zegt God, de HEER: Weg met je tulband, zet af die kroon! Niets blijft hetzelfde, wat laag is wordt hoog, wat hoog is wordt laag. 32
21:32
Gen. 49:10
Puin, puin, niets dan puin blijft er over, maar eerst moet hij nog komen aan wie ik het oordeel toevertrouw.

33

21:33-34
Jer. 49:1-6
Ezech. 25:1-7
Amos 1:13-15
Sef. 2:8-11
Jij, mensenkind, moet profeteren. Zeg: “Dit zegt God, de HEER, over de Ammonieten en over hun schande,” zeg: “Zwaard, om te slachten ben je getrokken, om te verwoesten ben je geslepen, bliksemen zul je, zwaard! 34Ze zeggen dat je niets voorstelt en ze doen valse voorspellingen. Toch zul je die goddeloze en ontaarde mensen de hals doorsnijden. Voor hen is de dag van de afrekening gekomen.

35Terug in je schede! Daar waar je gemaakt bent, in het land waar je vandaan komt, zal ik je straffen. 36Mijn toorn zal ik over je uitstorten, het vuur van mijn woede zal ik over je heen blazen, en ik zal je aan barbaren overleveren, aan mannen die dood en verderf zaaien. 37Je zult aan het vuur ten prooi vallen, overal in het land zal bloed vloeien en je naam zal niet meer worden genoemd – ik, de HEER, heb gesproken.”’

22

Oordeel over Jeruzalem

221De HEER richtte zich tot mij: 2

22:2
Ezech. 20:4
23:36
‘Mensenkind, oordeel over de bloedstad, oordeel en laat haar al haar gruweldaden beseffen. 3Zeg: “Dit zegt God, de HEER: Je bent een stad van bloedvergieten, en daarom is je tijd gekomen! Je bent een stad vol afgodsbeelden en daardoor ben je onrein. 4
22:4
Ezech. 5:14
Je bent schuldig door al het bloed dat je hebt vergoten, je bent onrein door de afgodsbeelden die je hebt gemaakt. Daarom zijn je dagen geteld en is de grens van je jaren bereikt. Ik zal je uitleveren aan de hoon en spot van alle volken en landen. 5Dichtbij en ver weg zullen ze zich vrolijk over je maken, want je naam is bezoedeld, en groot is de verwarring binnen je muren. 6Israëls vorsten hebben er hun macht misbruikt en bloed vergoten, 7
22:7
Ex. 20:12
22:20-21
Lev. 19:3
Deut. 5:16
24:17
27:16
kinderen hebben er hun vader en moeder veracht, vreemdelingen zijn er uitgebuit en weduwen en wezen zijn er onrechtvaardig behandeld. 8
22:8
Lev. 19:30
26:2
Wat aan mij was gewijd, is door jou geminacht, en de sabbat heb je niet in ere gehouden. 9Door je bewoners werd kwaad gesproken, bloed vergoten en ontucht gepleegd, er werden offermaaltijden gehouden op de bergen. 10
22:10-11
Lev. 18:6-20
Mannen bezoedelden hun vaders bed en misbruikten onreine, menstruerende vrouwen. 11De een heeft met de vrouw van een ander geslapen, een tweede zijn schoondochter met ontucht bezoedeld, een volgende heeft zijn zuster, de dochter van zijn vader, verkracht. 12
22:12
Ex. 22:24
Lev. 25:36-37
Deut. 23:20
27:25
Voor geld heb je bloed vergoten, je hebt je vooraf rente laten betalen en toeslag achteraf, je hebt anderen schade berokkend en uitgebuit, en mij ben je vergeten – spreekt God, de HEER.

13

22:13
Ezech. 6:11
Ik sla mijn handen in woede op elkaar omdat je woekerwinsten maakt, en omdat er binnen je muren bloed vergoten wordt. 14Zal je hart het houden, zullen je handen sterk blijven wanneer ik tegen je optreed? Ik, de HEER, heb gesproken, en dit is wat ik zal doen: 15
22:15
Lev. 26:33
Ik zal je verdrijven naar verre landen en verspreiden onder vreemde volken; ik zal een einde maken aan je onreinheid. 16Alle volken zullen zien hoe je wordt ontwijd, en dan zul je beseffen dat ik de HEER ben.”’

17De HEER richtte zich tot mij: 18

22:18-22
Jer. 6:28-30
‘Mensenkind, het volk van Israël is mij niet meer waard dan de slakken die overblijven wanneer koper en tin, ijzer en lood samen in een oven worden gesmolten; niets dan schuim is ervan over. 19Daarom – dit zegt God, de HEER: Omdat jullie nu niet meer dan schuim zijn, breng ik jullie in Jeruzalem bijeen. 20
22:20
Mal. 3:2-3
Zilver, koper, ijzer, lood, tin: het gaat allemaal de oven in, en het vuur wordt aangeblazen om het te laten smelten. Net zo zal ik jullie in mijn hevige woede bijeenbrengen en jullie laten smelten in het vuur; 21ik zal jullie in Jeruzalem samenbrengen, ik zal het vuur van mijn woede over je heen blazen zodat jullie smelten. 22Zoals zilver wordt gesmolten in een oven, zo zullen jullie smelten in de stad, en jullie zullen weten dat ik, de HEER, mijn toorn over jullie heb uitgestort.’

23De HEER richtte zich tot mij: 24‘Mensenkind, zeg tegen Jeruzalem: “Je bent als een land dat niet is gereinigd; toen ik je vervloekte, bleef de regen uit. 25

22:25
Ex. 20:13,15
Sef. 3:3-4
De vorsten in de stad22:25 De vorsten in de stad – Volgens de Septuaginta. MT: ‘De samenzwering van haar profeten’. waren als leeuwen die grommend hun prooi verscheuren: ze verslonden mensen, ze roofden schatten en kostbaarheden, veel vrouwen maakten ze tot weduwen. 26
22:26
Ex. 20:8-11
Lev. 10:10
De priesters deden mijn wetten geweld aan, wat aan mij was gewijd ontheiligden ze, ze maakten geen onderscheid tussen wat heilig is en wat niet, ze leerden niemand het verschil tussen rein en onrein en de sabbat hielden ze niet in ere. Zo werd mijn naam door hen ontwijd. 27De leiders in de stad waren als wolven die hun prooi verscheuren. Door bloed te vergieten, door mensen te gronde te richten, joegen ze hun eigen gewin na. 28
22:28
Ezech. 13:10-16
De profeten pleisterden alles met hun witkalk dicht, hun visioenen waren bedrieglijk en hun voorspellingen vals, ze zeiden: ‘Dit zegt God, de HEER ...’ – terwijl de HEER niet had gesproken. 29Het volk gaf zich over aan uitbuiting en diefstal, het onderdrukte de machtelozen en de armen, het buitte de vreemdelingen uit en deed hun geen recht. 30
22:30
Jes. 59:15-16
Ik heb gezocht naar iemand die een muur om de stad kon bouwen, die voor het land in de bres wilde springen opdat het niet zou worden vernietigd – maar zo iemand heb ik niet gevonden. 31Dus vervloekte ik hen, met het vuur van mijn toorn vernietigde ik hen, ik liet hun daden op hun eigen hoofd neerkomen – zo spreekt God, de HEER.”’

23

Ohola en Oholiba

231De HEER richtte zich tot mij: 2-4

23:2-4
Ezech. 20:7-8
‘Mensenkind, er waren eens twee vrouwen, dochters van dezelfde moeder. De oudste heette Ohola, haar zuster Oholiba. Al toen ze jong waren, waren ze ontrouw, in Egypte. Daar werden hun borsten betast en lieten ze zich, terwijl ze nog maagd waren, in hun tepels knijpen. Daarna werden ze de mijne, en ze baarden zonen en dochters. (Wat hun namen betreft: Ohola is Samaria en Oholiba is Jeruzalem.)

5Maar Ohola was mij ontrouw, ze hunkerde naar haar minnaars, de Assyriërs – strijders die 6zich kleedden in purper, ruiters te paard, gouverneurs en stadhouders, allemaal aantrekkelijke jongemannen. 7Ze pleegde overspel met heel de Assyrische elite, in haar verlangen naar hen maakte ze zich onrein met al hun afgoden. 8En ook haar overspel met de Egyptenaren zette ze weer voort. Die hadden immers in haar jeugd met haar geslapen, haar toen ze nog maagd was in haar tepels geknepen en haar als hoer gebruikt. 9Daarom leverde ik haar uit aan haar minnaars, de Assyriërs naar wie zij had verlangd, 10en die scheurden haar de kleren van het lijf, die voerden haar zonen en dochters weg en doodden haarzelf met het zwaard. Haar straf werd een waarschuwing voor alle vrouwen.

11Haar zuster Oholiba zag dit alles en ging in haar wellust zelfs nog verder, ze dreef haar overspel nog verder dan haar zuster. 12Ook zij verlangde naar de Assyriërs, naar hun gouverneurs en stadhouders, hun schitterende krijgers, hun ruiters te paard, naar al die aantrekkelijke jongemannen. 13Ik zag hoe ook zij zich onrein maakte; de beide zusters gingen dezelfde weg. 14En Oholiba liet het niet bij dit overspel. Toen ze op een muur mannen getekend zag, in rode kleuren, Chaldeeën 15met een lendendoek om hun heupen en een wapperende tulband rond hun hoofd, mannen die er allemaal uitzagen als officieren, Babyloniërs uit Chaldea, hun geboorteland – 16toen werd haar verlangen naar hen zo groot dat ze boden naar Chaldea zond. 17De Babyloniërs kwamen met haar de liefde bedrijven, en maakten haar onrein door haar als hoer te gebruiken. Zo werd ze onrein, en ze kreeg een afkeer van hen. 18Toen ze zich openlijk als een hoer gedroeg en zich naakt liet zien, kreeg ik een afkeer van haar, zoals ik ook van haar zuster een afkeer had gekregen. 19Ze dacht terug aan de dagen van haar jeugd, toen ze ontrouw was in Egypte, en bedreef nog meer overspel. 20Ze verlangde terug naar haar minnaars daar, die zo zwaargeschapen zijn als ezels en hun zaad lozen als hengsten.

21Jij, Oholiba, verviel weer in de schanddaden van je jeugd, toen ze in Egypte in je tepels knepen omdat je jonge borsten had. 22Daarom – dit zegt God, de HEER: Ik zet je minnaars, van wie je een afkeer hebt gekregen, tegen je op; ik laat ze overal vandaan naar je optrekken: 23de Babyloniërs en heel Chaldea, Pekod, Soa en Koa, en alle Assyriërs, al die aantrekkelijke jongemannen, gouverneurs en stadhouders, officieren en manschappen, al die mannen te paard. 24Ze komen uit alle volken, ze trekken tegen je op met hun strijdwagens, met hun grote en kleine schilden en hun helmen, ze vallen je van alle kanten aan. Ik zal hen een oordeel over je laten vellen; overeenkomstig hun recht zullen zij je vonnissen. 25Ik zal je mijn toorn laten voelen: zij zullen zich woedend op je storten en je neus en je oren afsnijden, en wat er van je over is valt ten prooi aan het zwaard. Ze zullen je zonen en dochters wegvoeren, en wat er dan nog van je over is wordt door het vuur verteerd. 26Ze zullen je de kleren van het lijf scheuren en je je prachtige sieraden afnemen. 27Dan zal ik een einde maken aan je schanddaden, en aan je ontrouw in Egypte, en je zult je minnaars niet meer naar de ogen zien en aan Egypte niet meer denken.

28Nu dan – zegt God, de HEER –, ik lever je uit aan de mannen die je haat en van wie je een afkeer hebt gekregen. 29Zij zullen jou haten, je alles afnemen wat je hebt vergaard en je helemaal naakt achterlaten; je schaamteloze naaktheid, je overspel en je schandelijk gedrag zullen voor iedereen zichtbaar zijn. 30Dit alles zal met je gebeuren omdat je met alle volken overspel bedreef, en je onrein hebt gemaakt met hun afgoden. 31Je bent de weg van je zuster gegaan; haar beker zal ik ook jou te drinken geven. 32

23:32
Jer. 25:15-18
Dit zegt God, de HEER:

De beker van je zuster zul je drinken,

de diepe en wijde beker;

een beker vol spot en hoon,

tot de rand gevuld.

33Dronkenschap en droefheid zul je drinken,

een beker van ontzetting en verbijstering –

dat is de beker van je zuster Samaria.

34Je zult hem drinken en leegslurpen,

je zult op zijn scherven bijten

en er je borsten mee openhalen.

Want zo heb ik gesproken – spreekt God, de HEER.

35Daarom – dit zegt God, de HEER –, omdat je mij vergeten bent en mij de rug hebt toegekeerd, daarom zul je nu de schande van je overspel dragen.’

36

23:36
Ezech. 20:4
22:2
De HEER zei tegen mij: ‘Mensenkind, ga een oordeel vellen over Ohola en Oholiba! Laat hen beseffen welke gruweldaden ze hebben begaan. 37
23:37
Ezech. 16:20-21
Ze hebben overspel gepleegd en er kleeft bloed aan hun handen. Ze pleegden overspel met hun afgoden, ze hebben zelfs de kinderen die ze mij hadden gebaard, als voedsel aan hen aangeboden. 38Ze hebben daarmee mijn heiligdom verontreinigd, en ze hebben de sabbat niet in ere gehouden. 39
23:39
Lev. 19:30
Op de dag dat ze hun kinderen slachtten voor hun afgoden, zijn ze mijn heiligdom binnengegaan en hebben het ontwijd. Zo hebben ze zich gedragen, midden in mijn tempel. 40Ook hebben ze boden gezonden naar mannen in verre landen. En ze zijn gekomen, de mannen voor wie je je gebaad hebt, voor wie je je ogen hebt opgemaakt en voor wie je je met sieraden hebt behangen. 41Je bent gaan zitten op een prachtig bed, met een gedekte tafel ervoor waarop mijn wierook en mijn olie stonden. 42Eromheen was het geluid te horen van een zorgeloze menigte: er waren Sabeeërs uit de woestijn en mannen van allerlei slag; jij en je zuster kregen armbanden om en een prachtige kroon op het hoofd. 43En ik dacht over deze door ontucht getekende vrouw: Nu plegen ze overspel met haar, en zij met hen. 44Ze bezochten haar zoals je een hoer bezoekt – zo gingen ze om met Ohola en ook met Oholiba, schaamteloze vrouwen. 45
23:45
Lev. 20:10
Deut. 22:21-22
Maar rechtvaardige mannen zullen hen vonnissen volgens het recht dat geldt voor echtbreeksters en vrouwen die bloed vergieten, want echtbreeksters zijn het, en er kleeft bloed aan hun handen.

46Dit zegt God, de HEER: Laat een menigte tegen hen optrekken, laat angst hen overweldigen en plundering hun deel worden. 47Die menigte zal hen stenigen, hen neerhakken met hun zwaarden, hun zonen en dochters doden en hun huizen in brand steken. 48Dan zal ik een einde maken aan de schande in het land, en alle vrouwen zullen gewaarschuwd zijn en jullie schandelijke gedrag niet navolgen. 49Jullie zullen boeten voor je schanddaden en voor je zondige afgodendienst, en dan zullen jullie beseffen dat ik God, de HEER, ben.’