Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
18

Wie rechtvaardig handelt, zal leven

181De HEER richtte zich tot mij: 2

18:2
Jer. 31:29
‘Waarom gebruiken jullie in Israël toch het spreekwoord: Als de ouders onrijpe druiven eten, krijgen de kinderen stroeve tanden? 3Zo waar ik leef – spreekt God, de HEER –, nooit meer mag iemand bij jullie in Israël dit spreekwoord in de mond nemen! 4
18:4
Deut. 24:16
Ezech. 18:20
Weet dat alle mensenlevens mij toebehoren: zowel het leven van de ouders als dat van hun kinderen ligt in mijn hand, en alleen wie zondigt zal sterven.

5

18:5-9
Ps. 15:2-5
Stel, iemand is rechtvaardig. Hij is mij trouw en doet het goede. 6Aan de offermaaltijden op de bergen neemt hij niet deel en hij vereert de afgoden van het volk van Israël niet; hij onteert de vrouw van een ander niet, hij maakt haar niet onrein, en met een vrouw die ongesteld is heeft hij geen gemeenschap; 7hij buit niemand uit, geeft de schuldenaar zijn onderpand terug en besteelt niemand. Hij deelt zijn brood met al wie honger heeft, wie naakt is geeft hij kleren; 8
18:8
Lev. 25:35-37
hij vraagt geen rente wanneer hij geld uitleent of toeslag wanneer hij het terugkrijgt; hij begaat geen onrecht en geeft een eerlijk oordeel bij onderlinge geschillen; 9
18:9
Lev. 18:5
hij houdt zich aan mijn geboden en leeft werkelijk naar mijn voorschriften. Zo iemand is rechtvaardig en zal zeker in leven blijven – spreekt God, de HEER.

10Maar stel, hij krijgt een gewelddadige zoon, een moordenaar, die alles doet 11wat zijn vader nooit heeft gedaan. Hij neemt wel deel aan de offermaaltijden op de bergen en maakt de vrouw van een ander onrein; 12wie misdeeld en arm is buit hij uit, hij steelt en geeft wat hij als onderpand heeft gekregen niet terug; hij vereert de afgoden, misdraagt zich gruwelijk, 13vraagt rente vooraf en toeslag achteraf – moet zo iemand in leven blijven? Nee, hij zal niet in leven blijven: na zo veel wandaden zal hij zeker sterven, hij heeft zelf de dood over zich afgeroepen.

14En ook hij krijgt weer een zoon, en deze zoon ziet alle misstappen die zijn vader begaan heeft. Hij ziet ze allemaal, maar volgt ze niet. 15Aan de offermaaltijden op de bergen neemt hij niet deel, de afgoden van de Israëlieten vereert hij niet en ook maakt hij de vrouw van een ander niet onrein; 16hij buit niemand uit, hij vraagt geen onderpand wanneer hij iets uitleent en hij besteelt niemand. Hij deelt zijn voedsel met al wie honger heeft, wie naakt is geeft hij kleren, 17wie misdeeld is doet hij geen kwaad, hij vraagt vooraf geen rente, of toeslag achteraf. Hij leeft naar mijn voorschriften en houdt zich aan mijn geboden. Zo iemand zal zeker in leven blijven, en niet sterven vanwege de schuld van zijn vader. 18Maar zijn vader – die een uitbuiter is geweest, die anderen bestolen heeft en zijn eigen familie heeft benadeeld –, zijn vader zal sterven, door zijn eigen schuld. 19“Maar,” vragen jullie, “waarom hoeft de zoon niet te boeten voor de schuld van zijn vader?” Die zoon is mij trouw geweest en heeft het goede gedaan, hij heeft zich aan al mijn geboden gehouden en ze nageleefd, dus zal hij zeker in leven blijven! 20

18:20
Deut. 24:16
Ezech. 18:4
Iemand die zondigt zal sterven, maar een zoon hoeft niet te boeten voor de schuld van zijn vader, en een vader hoeft niet te boeten voor de schuld van zijn zoon; wie rechtvaardig is wordt als een rechtvaardige behandeld, en een slecht mens wordt voor zijn slechte daden gestraft.

21

18:21-30
Ezech. 33:10-20
Wie goddeloos leeft, maar zich afkeert van de zonden die hij heeft begaan, zich houdt aan al mijn geboden, mij trouw is en het goede doet, zal zeker in leven blijven en niet sterven. 22
18:22
Ezech. 33:16
De misdaden die hij heeft begaan zullen hem niet worden aangerekend; door zijn rechtvaardige daden zal hij in leven blijven. 23
18:23
Ezech. 33:11
Wijsh. 1:13
11:26
Luc. 15:7,10
2 Petr. 3:9
Denken jullie dat ik het toejuich als een slecht mens sterven moet? – spreekt God, de HEER. Nee, ik wil dat hij tot inkeer komt en in leven blijft.

24

18:24
Ezech. 3:20
En wie goed heeft geleefd, maar niet langer rechtvaardig is, onrecht doet en alle wandaden begaat van een slecht mens – moet die in leven blijven? Al zijn goede daden zullen niet langer tellen; omdat hij mij ontrouw is geworden en zonden heeft begaan, zal hij sterven.

25Nu zeggen jullie: “De wegen van de Heer zijn onrechtvaardig!” Maar luister, Israëlieten! Ben ik het die onrechtvaardig is? Gaan júllie niet eerder onrechtvaardige wegen? 26Iemand die rechtvaardig was maar dat niet langer is en onrecht begaat, sterft omdat hij onrecht heeft begaan. 27Iemand die goddeloos leefde maar dat niet langer doet, mij trouw is en het goede doet, zal in leven blijven. 28Als hij tot inzicht en inkeer is gekomen en niet langer misdaden begaat, zal hij zeker blijven leven en niet hoeven sterven. 29

18:29
Ezech. 33:20
De Israëlieten zeggen: “De wegen van de Heer zijn onrechtvaardig!” Ben ik onrechtvaardig, Israëlieten? Zijn júllie het niet die onrechtvaardig zijn?

30

18:30
Ezech. 33:12-13
Ik zal iedereen beoordelen naar de weg die hij gegaan is – spreekt God, de HEER. Kom tot inkeer, bega geen misdaden meer, anders brengt jullie schuld je ten val. 31Breek met het zondige leven dat jullie hebben geleid, en vernieuw je hart en je geest. Dan hoeven jullie niet te sterven, Israëlieten! 32
18:32
Ezech. 18:23
33:11
Want de dood van een mens geeft me geen vreugde – spreekt God, de HEER. Kom tot inkeer en leef!

19

De leeuwin en de wijnstok

191Zing nu over de vorsten van Israël dit klaaglied:

2“Eens was je moeder een krachtige leeuwin!

Door leeuwen omringd bracht zij haar welpen groot.

3Een van haar welpen koos zij uit. Hij werd een sterke leeuw,

hij leerde zijn prooi te vangen, ook mensen verslond hij.

4

19:4
2 Kon. 23:33-34
De volken hoorden over hem en vingen hem in een valkuil;

ze voerden hem met haken mee, tot in Egypte.

5Toen zij zag dat haar wachten vergeefs en haar hopen zinloos was,

koos zij een andere van haar welpen19:5 een andere van haar welpen – Volgens de Septuaginta. MT: ‘een van haar welpen’. uit. Ook hij werd een sterke leeuw.

6Trots liep hij rond tussen de leeuwen,

hij leerde zijn prooi te vangen, ook mensen verslond hij.

7Hij verwoestte hun paleizen,19:7 Hij verwoestte hun paleizen – Volgens sommige oude vertalingen. MT (betekenis van het Hebreeuws onzeker): ‘Hij kende hun weduwen’. legde elke stad in puin.

Als zijn gebrul weerklonk werd het land stil, en huiverde.

8De volken uit de landen rondom vielen hem aan,

ze trokken netten om hem heen en vingen hem in een valkuil.

9

19:9
2 Kon. 24:8-17
Ze deden hem een halster om en voerden hem met haken mee,

in een net sleepten ze hem naar Babel, naar de koning,

op de bergen van Israël verstomde zijn gebrul.

10

19:10
Ps. 1:3
Ezech. 17:6-10
Je moeder was een wijnstok, net als jij aan het water geplant,

die vruchten droeg en vele takken, want er was water in overvloed.

11Zijn takken werden sterk, machtig als een heersersstaf,

een klom er op tot hoog in de wolken,

van verre zichtbaar met zijn vele bladeren.

12

19:12
Joh. 15:6
Toen werd de wijnstok in woede uitgerukt

en op de aarde neergeworpen;

de oostenwind verschroeide zijn druiven,

zijn takken werden afgerukt en verdroogden,

de sterkste werd door het vuur verteerd.

13Nu staat hij in de woestijn, in een droog en dorstig land.

14Uit zijn stam sloeg het vuur dat zijn twijgen en druiven verteerde,

de sterkste tak is weg, zijn heersersstaf heeft hij verloren.”’

(Dit is een klaaglied, en zo wordt het nog steeds gezongen.)

20

Israël opstandig en ontrouw

201

20:1-4
Ezech. 14:1-5
In het zevende jaar, op de tiende dag van de vijfde maand, kwam een aantal van de oudsten uit Israël bij mij om de HEER te raadplegen. Toen ze tegenover mij hadden plaatsgenomen, 2richtte de HEER zich tot mij: 3‘Mensenkind, zeg tegen de oudsten van Israël: “Dit zegt God, de HEER: Komen jullie mij raadplegen? Zo waar ik leef: ik zal me beslist niet door jullie laten raadplegen! – spreekt God, de HEER.” 4
20:4
Ezech. 22:2
23:36
Oordeel over hen, mensenkind! Laat hen beseffen welke gruweldaden hun voorouders hebben begaan. 5Zeg tegen de oudsten: “Dit zegt God, de HEER: Op de dag dat ik Israël uitkoos, heb ik de nakomelingen van Jakob een plechtige eed gezworen en maakte ik mij in Egypte aan hen bekend met deze woorden: ‘Ik ben de HEER, jullie God.’ 6
20:6
Ex. 6:1-7
Ezech. 20:15
Op die dag zwoer ik hun dat ik hen uit Egypte weg zou leiden naar het land dat ik voor hen had uitgezocht, een land dat overvloeit van melk en honing, de parel onder de landen van de wereld. 7
20:7
Lev. 18:3
Ik zei tegen hen: ‘Ontdoe je van de afschuwelijke goden die jullie aanbidden, en verontreinig je niet langer met de afgoden van Egypte. Ik, de HEER, ben jullie God.’

8Maar zij waren opstandig en wilden niet naar mij luisteren, ze ontdeden zich niet van de afschuwelijke goden die ze aanbaden, ze verlieten de afgoden van Egypte niet. Dus wilde ik mijn toorn over hen uitstorten, daar in Egypte, en mijn woede op hen koelen. 9

20:9
Ezech. 36:22
Maar om mijn naam niet te ontwijden in de ogen van de volken waartussen ze leefden, leidde ik hen weg uit Egypte en maakte mij zo aan die volken bekend. 10Ik leidde de Israëlieten weg uit Egypte en bracht hen naar de woestijn. 11
20:11
Lev. 18:5
Deut. 30:15-20
Daar gaf ik hun mijn wetten, daar maakte ik hun mijn regels bekend, die leven brengen aan iedereen die zich eraan houdt. 12
20:12
Ex. 31:13-17
Verder gaf ik hun de sabbat als het teken waaraan te zien is dat ik, de HEER, van hen mijn heilig volk heb gemaakt.

13Maar ook in de woestijn was het volk van Israël opstandig. Ze hielden zich niet aan mijn wetten en negeerden mijn regels, die leven brengen aan iedereen die zich eraan houdt, en hielden de sabbat niet in ere. Daarom wilde ik daar in de woestijn mijn woede over hen uitstorten en hen vernietigen. 14

20:14
Ex. 32:12
Ik deed het niet, want ik wilde mijn naam niet ontwijden bij de volken die hadden gezien hoe ik hen had weggeleid. 15
20:15
Num. 14:26-35
Deut. 1:34-35
Wel zwoer ik in de woestijn de eed dat ik hen niet naar het land zou brengen dat ik hun geven wilde, een land dat overvloeit van melk en honing, de parel onder de landen van de wereld. 16Ze leefden immers niet naar mijn voorschriften, ze negeerden mijn wetten en hielden zich niet aan de sabbat: hun hart ging uit naar hun afgoden. 17Toch richtte ik het volk niet te gronde, daar in de woestijn, ik vernietigde het niet, want ik had medelijden met hen. 18Ik zei daar tegen hun kinderen dat ze niet moesten leven volgens de wetten en regels van hun ouders, en zich niet moesten inlaten met hun afgoden: 19‘Ik, de HEER, ben jullie God: onderhoud mijn wetten en regels, en leef ze na. 20Houd de sabbat in ere; dat zal voor jullie en mij het teken zijn waaraan te zien is dat ik, de HEER, jullie God ben.’

21Maar ook hun kinderen gedroegen zich opstandig. Ze hielden zich niet aan mijn wetten en regels, die leven brengen aan iedereen die zich eraan houdt; ze volgden ze niet op. Ze hielden de sabbat niet in ere, en daarom wilde ik daar in de woestijn mijn toorn over hen uitstorten en mijn woede op hen koelen. 22Ik zag daarvan af, omdat ik mijn naam niet wilde ontwijden bij de volken die hadden gezien hoe ik hen had weggeleid. 23

20:23
Lev. 26:33
Wel zwoer ik in de woestijn dat ik hen zou verspreiden onder vreemde volken en verstrooien in verre landen, 24omdat ze mijn regels en wetten negeerden en zich niet aan de sabbat hielden, maar de afgoden van hun ouders aanbaden. 25Ik gaf hun zelfs slechte wetten, en regels die leidden tot de dood. 26
20:26
Deut. 18:10
2 Kon. 23:10
Met hun eigen offergaven maakte ik hen onrein, hun eerstgeboren kinderen liet ik hen offeren, opdat ze in ontzetting zouden beseffen dat ik de HEER ben.”

27Spreek daarom opnieuw tegen het volk van Israël, mensenkind, zeg hun: “Dit zegt God, de HEER: Jullie voorouders hebben mij ook verder nog met hun ontrouw bespot. 28Ik bracht hen naar het land dat ik hun onder ede beloofd had, maar bij elke heuvel en bij iedere schaduwrijke boom die ze zagen, offerden ze hun vee en krenkten ze mij met hun offers. Daar brachten ze hun geurige reukoffers en daar plengden ze hun wijnoffers. 29Ik vroeg: ‘Wat is dat toch voor plek waar jullie heen gaan om te offeren?’ Sinds die tijd wordt zo’n plek offerhoogte genoemd.”

30Zeg daarom tegen het volk van Israël: “Dit zegt God, de HEER: Is het niet zo dat jullie jezelf nog altijd onrein maken, net zoals jullie voorouders deden? En plegen jullie niet tot op de dag van vandaag overspel met hun afschuwelijke goden? 31

20:31
Ezech. 16:21
Maken jullie jezelf niet nog altijd onrein met jullie offergaven, door je eigen kinderen als offer te verbranden en afgoden te vereren? En moet ik mij dan door jullie laten raadplegen, volk van Israël? Zo waar ik leef, ik zal mij beslist niet door jullie laten raadplegen! 32Wat jullie willen, zal zeker niet gebeuren. Jullie denken dat je kunt worden als de volken die in andere landen wonen en goden van hout en steen vereren! 33Zo waar ik leef – spreekt God, de HEER –, ik zal jullie koning zijn, een koning die met sterke hand en opgeheven arm zijn toorn over jullie uitstort. 34Uit de landen waarover jullie verstrooid zijn, uit de volken waartussen jullie wonen, zal ik je bijeenbrengen en wegvoeren, met sterke hand en opgeheven arm. Ik zal mijn toorn over jullie uitstorten 35en je de woestijn van de volken injagen. Daar zullen jullie oog in oog met mij komen te staan en zal ik jullie aanklagen. 36Zoals ik jullie voorouders in de woestijn van Egypte heb aangeklaagd, zo zal ik ook jullie aanklagen – spreekt God, de HEER. 37Ik zal je onder mijn herdersstaf dwingen en je houden aan de verplichtingen van ons verbond. 38Wie tegen mij in opstand komen en rebelleren, zal ik scheiden van de anderen: ik zal hen wegleiden uit hun ballingschap, maar niet om hen naar hun eigen land terug te brengen. Jullie zullen weten dat ik de HEER ben.

39

20:39
Ezech. 36:20
43:8
Luister, volk van Israël! Dit zegt God, de HEER: Loop maar achter je afgoden aan, ga daar rustig mee door als jullie niet naar mij willen luisteren, maar mijn heilige naam zullen jullie niet langer met je offers en afgoden ontwijden. 40
20:40
Ezech. 17:23
Want alleen op mijn heilige berg, op de verheven berg van Israël – spreekt God, de HEER – mag het volk van Israël mij dienen, iedereen, uit het hele land. Daar zal jullie gedrag mij met vreugde vervullen. De kostbaarste offers, het beste wat jullie te geven hebben, moet aan mij worden gewijd. 41Wanneer ik jullie heb weggeleid bij de volken waartussen jullie nu leven, zullen jullie mij als een geurig offer met vreugde vervullen. Ik zal jullie bij elkaar brengen vanuit de landen waarover jullie nu verstrooid zijn, en zo de volken laten zien dat ik heilig ben. 42Als ik jullie naar je land breng, het land dat ik onder ede aan je voorouders beloofd had, zullen jullie beseffen dat ik de HEER ben. 43Daar zullen jullie denken aan de daden waarmee je jezelf onrein hebt gemaakt. Jullie zullen van jezelf walgen vanwege al het kwaad dat jullie hebben gedaan. 44En dan, volk van Israël, als ik met jullie doe wat past bij mijn naam en niet wat bij jullie slechte en verderfelijke daden past, zullen jullie beseffen dat ik de HEER ben – zo spreekt God, de HEER.”’