Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
14

141

14:1-5
Ezech. 20:1-4
Een aantal van de oudsten van Israël kwam bij me, en toen ze tegenover mij hadden plaatsgenomen 2richtte de HEER zich tot mij: 3‘Mensenkind, deze mannen koesteren hun afgoden en hebben niets anders voor ogen dan de zonde die hen ten val brengt. Moet ik me dan door hen laten raadplegen? 4Zeg tegen hen: “Dit zegt God, de HEER: Elke Israëliet die bij een profeet komt en intussen zijn afgoden koestert en niets anders voor ogen heeft dan de zonde die hem ten val brengt, zal ik het antwoord geven dat hij met zijn afgoderij verdient. 5Ik zal het volk van Israël laten voelen dat het zich met al zijn afgoderij van mij heeft afgewend.” 6Zeg daarom tegen het volk van Israël: “Dit zegt God, de HEER: Kom terug bij mij, keer je afgoden de rug toe en houd op met je gruwelijk gedrag! 7Alle Israëlieten en ook de vreemdelingen die in Israël leven, ieder die zich van mij heeft afgewend, ieder die zijn afgoden koestert, die niets anders voor ogen heeft dan de zonde die hem ten val brengt en dan toch naar een profeet gaat om mij te raadplegen, die zal ik, de HEER, zelf antwoorden. 8Ik zal me tegen hem keren en hem tot een afschrikwekkend voorbeeld maken, ik zal hem uit mijn volk verwijderen, en jullie zullen beseffen dat ik de HEER ben. 9Als de profeet zich tot een antwoord laat verleiden zal dat zijn omdat ik, de HEER, hem daartoe heb verleid. Ik zal hem straffen en hem vernietigen; hij zal geen deel meer uitmaken van mijn volk Israël. 10De profeet is even schuldig als wie hem raadpleegt; beiden zullen hun straf niet ontlopen. 11Dan zal het volk van Israël zich niet meer van mij afkeren, en ze zullen niet meer onrein worden door hun wandaden. Dan zullen zij mijn volk zijn en ik zal hun God zijn – zo spreekt God, de HEER.”’

Het lot van Jeruzalem

12

14:12-23
Ezech. 33:10-20
De HEER richtte zich tot mij: 13‘Stel, mensenkind, dat een heel land tegen mij zondigt door mij ontrouw te worden en ik treed tegen dat land op, ik maak het brood dat het volk staande houdt schaars, zodat het honger lijdt, en ik roei mens en dier uit, 14
14:14
Gen. 18:22-33
en stel dat de volgende drie mannen in dat land wonen: Noach, Daniël en Job – dan zullen zij met hun rechtvaardigheid alleen zichzelf redden, spreekt God, de HEER. 15Stel dat ik dat land aan de wilde dieren prijsgeef, zodat het ontvolkt raakt en een woestenij wordt waar uit angst voor die dieren niemand doorheen durft te trekken, 16en stel dat die drie mannen daar wonen – dan geldt, zo waar ik leef, het volgende, spreekt God, de HEER: zelfs hun zonen en dochters kunnen ze niet redden, alleen zijzelf worden gered, en het land wordt een woestenij. 17Of als ik dat land ten prooi geef aan geweld en zeg dat er een zwaard in dat land moet rondgaan om mens en dier uit te roeien, 18en die drie mannen wonen daar – dan geldt, zo waar ik leef, het volgende, spreekt God, de HEER: zelfs hun zonen en dochters kunnen ze niet redden, alleen zijzelf worden gered. 19Of ik stuur in mijn dodelijke woede de pest naar dat land om mens en dier uit te roeien, 20en Noach, Daniël en Job wonen daar – dan geldt, zo waar ik leef, het volgende, spreekt God, de HEER: niet één zoon of dochter zullen ze kunnen redden, hun rechtvaardigheid redt alleen henzelf. 21
14:21
Ezech. 5:12,17
Op. 6:8
Dit zegt God, de HEER: Dit alles geldt des te meer nu ik mijn vier straffen: het zwaard, de honger, de wilde dieren en de pest, op Jeruzalem loslaat om er mens en dier uit te roeien! 22Toch zullen er mensen zijn die daaraan ontkomen: er zullen zonen en dochters uit de stad worden weggevoerd en naar jullie toe komen. Wanneer jullie zien wat zij hebben gedaan, zullen jullie je kunnen verzoenen met het lot dat Jeruzalem heeft getroffen en begrijpen waarom ik de stad heb gestraft. 23Wanneer jullie hun misdaden zien zal dat jullie troosten, omdat jullie dan zullen begrijpen dat ik alles wat ik met de stad heb gedaan, niet zonder reden heb gedaan – zo spreekt God, de HEER.’

15

Het hout van de wijnstok

151De HEER richtte zich tot mij: 2‘Mensenkind, wat is er zo bijzonder aan het hout van de wijnstok? Is het nuttiger dan dat van andere bomen? 3Is er iets bruikbaars van te maken, kun je het zelfs maar gebruiken als een haak om iets aan op te hangen? 4Het wordt als brandhout in het vuur gegooid, de uiteinden zijn verkoold, het midden is zwartgeblakerd – deugt het dan nog ergens voor? 5Je ziet, als het gaaf is, is het al onbruikbaar; hoeveel minder heb je er dan nog aan als het in het vuur verkoold en geblakerd is! 6Dit zegt God, de HEER: Het hout van de wijnstok is niet beter dan dat van andere bomen. Het eindigt in het vuur, en zo zullen ook de inwoners van Jeruzalem eindigen. 7Ik zal me tegen hen keren: al overleven ze het vuur, toch zal vuur hen verteren. En dan, als ik me tegen hen keer, zullen jullie beseffen dat ik de HEER ben. 8Ik zal van het land een woestenij maken, omdat zij mij ontrouw zijn geworden – zo spreekt God, de HEER.’

16

Jeruzalems ontrouw

161De HEER richtte zich tot mij: 2‘Mensenkind, je moet Jeruzalem haar gruwelijke gedrag voor de voeten werpen. 3Dit zegt God, de HEER, tegen haar: Van oorsprong ben je een Kanaänitische, je werd geboren uit een Amoritische vader en een Hethitische moeder. 4Op de dag dat je geboren werd, was er niemand om je navelstreng door te snijden of om je schoon te wassen, niemand om je met zout in te wrijven of in doeken te wikkelen. 5Niemand deed een van die dingen voor je, niemand keek naar je om, niemand had medelijden met je. Op de dag dat je geboren werd, werd je ergens op een akker achtergelaten, zo weinig waarde werd er aan je leven gehecht.

6Toen kwam ik voorbij en zag hoe je in je bloed lag te spartelen. Ik zei tegen je, terwijl je onder het bloed zat: “Leef! Blijf in leven, bedekt met bloed als je bent.” 7Ik liet je groeien als een bloem in het veld: je groeide, je werd groot en je werd hoe langer hoe mooier. Je kreeg stevige borsten, je kreeg schaamhaar, maar je was nog helemaal naakt. 8Ik kwam voorbij en zag dat je rijp was voor de liefde, ik spreidde mijn mantel over je uit om je naaktheid te bedekken. Ik zwoer je trouw, ik sloot een verbond met je – spreekt God, de HEER – en je werd de mijne. 9Ik waste je met water, ik spoelde het bloed van je af, ik wreef je in met olie. 10Ik kleedde je in bonte kleuren, ik gaf je sandalen van zacht leer, een linnen sluier en zijden doeken. 11Ik tooide je met sieraden, ik deed armbanden om je polsen en een ketting om je hals, 12ik deed een ringetje door je neus, ik gaf je oorbellen en zette een prachtige kroon op je hoofd. 13Jij tooide je met al dat goud en zilver, je kleren waren van linnen en zijde en hadden de mooiste kleuren, je eten werd bereid met fijn meel, met honing en olie, en heel, heel mooi werd je, als een koningin. 14Je was bij alle volken beroemd om je schoonheid, en je schoonheid was volmaakt want ze kwam van mij – spreekt God, de HEER.

15

16:15
Jes. 57:8
Maar je werd overmoedig omdat je zo mooi was en zo beroemd. Je was ontrouw en pleegde overspel met elke voorbijganger, je bood je aan iedereen aan! 16Je trok je kleren uit en maakte er kleurige kussens van waarop je mij bedroog. Zoiets was nog nooit vertoond en zal nooit meer gebeuren. 17
16:17
Ex. 32:2-4
Hos. 2:10
Je gebruikte je prachtige sieraden, het goud en zilver dat ik je gegeven had, om er mannenbeelden van te maken, en ook daarmee pleegde je overspel. 18Je kleedde ze aan met je mooie kleren, je bood ze mijn olie en wierook als offer aan. 19Het voedsel dat ik je te eten gaf, dat bereid was met fijn meel, olie en honing, bood je hun aan als geurige gaven om hun te behagen. Zo heb je je gedragen, spreekt God, de HEER. 20De zonen en dochters die je mij gebaard had offerde je aan hen zodat zij te eten hadden. Was je overspel dan nog niet genoeg? 21
16:21
Jer. 7:31
19:5
Ezech. 20:31
23:37
Je slachtte mijn kinderen om ze aan hen te offeren. 22Bij al deze gruweldaden, bij al dit overspel dacht je geen ogenblik aan de dagen dat je nog jong was en helemaal naakt, de dagen dat je in je bloed lag te spartelen. 23Na al deze schanddaden – wee jou, wee! spreekt God, de HEER – 24-25bouwde je ook nog op elk plein en ieder kruispunt een verhoging om daarop je schoonheid te vergooien. Je spreidde je benen voor elke voorbijganger, steeds weer pleegde je overspel. 26
16:26
Jes. 30:1-2
31:1
Je hebt me bedrogen met je buurvolk, met de zwaargeschapen Egyptenaren; met al je ontrouw heb je mij diep gekrenkt. 27Daarom heb ik me tegen je gekeerd, ik heb je rechten aangetast en je overgegeven aan de willekeur van de Filistijnse vrouwen, die je haten. Zelfs zij schaamden zich voor je schandelijke levenswijze! 28Ook heb je me bedrogen met de Assyriërs, maar je was onverzadigbaar: al je overspel was nog niet genoeg. 29Je ging naar de Chaldeeën, die handelaars, maar ook die konden je niet bevredigen. 30Wat liet je je meeslepen door je hartstocht – spreekt God, de HEER – toen je al deze dingen deed: het was het werk van een hoer die zich van niemand iets aantrekt! 31Je bouwde op elk kruispunt een verhoging, je installeerde je op elk plein, maar anders dan een hoer nam je geen beloning aan. 32Je pleegde overspel en ontving vreemde mannen, terwijl je getrouwd was. 33En waar hoeren geschenken krijgen, gaf jij zelf geschenken aan al je minnaars: je beloonde ze omdat je wilde dat ze van alle kanten naar je toe zouden komen, zodat jij overspel met hen kon plegen. 34Je gedroeg je heel anders dan andere vrouwen: je was een hoer, maar niemand hoefde achter je aan te gaan, jij werd niet betaald, maar je betaalde zelf! Het was de omgekeerde wereld.

35Luister daarom, hoer, naar de woorden van de HEER! 36Dit zegt God, de HEER: Omdat je naakt was en nat van begeerte toen je mij met je minnaars bedroog, en omdat je voor je gruwelijke afgoden het bloed van je kinderen hebt vergoten, 37

16:37
Hos. 2:12
Op. 17:16
zal ik je naakt tentoonstellen voor de ogen van alle minnaars aan wie je je gegeven hebt, de minnaars die je hebt liefgehad en de minnaars die je hebt gehaat. Ik zal ze overal vandaan halen; ze zullen je in al je naaktheid zien. 38Ik zal je vonnissen volgens het recht dat geldt voor moordenaressen en overspelige vrouwen, en ik zal je in mijn woede en jaloezie een bloedige afstraffing geven. 39Ik zal je aan je minnaars uitleveren, en die zullen alle verhogingen waarop jij je geïnstalleerd had afbreken, ze zullen jou je kleren uittrekken en je je prachtige sieraden afnemen, ze zullen je naakt achterlaten. 40Dan zullen ze een mensenmassa op je afsturen die je zal stenigen en met zwaarden op je in zal hakken. 41Ze zullen je huizen in de as leggen en je straffen, terwijl er vele andere vrouwen toekijken. Dan zul je je niet langer als een hoer gedragen en niet langer je minnaars betalen. 42Pas dan zal ik niet langer woedend op je zijn, aan mijn jaloezie zal een einde komen, ik zal tot rust komen en niet meer verbolgen zijn. 43Je dacht niet aan de dagen dat je nog jong was, je had geen ontzag voor mij toen je deed wat je deed, en daarom zal ik je voor je wangedrag laten boeten – spreekt God, de HEER –, want heb jij je niet gruwelijk en schandelijk misdragen?

44Zo moeder zo dochter, luidt het spreekwoord in de mond van iedereen die je bespotten wil. 45

16:45
Ezech. 16:3
Je bent echt een dochter van je moeder: ook zij verachtte haar man en haar kinderen, en je bent net als je zusters: ook zij minachtten hun man en kinderen. Je moeder was een Hethitische, je vader een Amoriet; 46Samaria was je grote zuster die ten noorden van je woonde, samen met haar dochters; en in het zuiden woonde je kleine zusje Sodom met haar dochters. 47Je hebt net als zij gehandeld en je net zo gruwelijk misdragen. Al snel maakte je het zelfs nog erger! 48Zo waar ik leef – spreekt God, de HEER –, je zuster Sodom en haar dochters hebben zich niet zo slecht gedragen als jij en je dochters. 49Terwijl zij zich toch, omdat ze genoeg te eten hadden en onbezorgd van hun rust konden genieten, hoogmoedig gedroegen en niets deden voor de armen en de machtelozen. 50
16:50
Gen. 19:24-25
Ze verhieven zich boven de anderen, wat ze deden vond ik gruwelijk. Ik zag het en heb hen weggevaagd. 51En dan Samaria: ze heeft niet half zoveel misdreven als jij! Jouw gedrag was gruwelijker dan dat van haar; bij jou vergeleken waren je zusters rechtvaardig. 52Jij moet je vernedering nu dragen, omdat de zonden van je zusters bij jouw daden verbleken; je hebt je zo veel gruwelijker misdragen dan zij dat het wel lijkt of zij onschuldig zijn. Schaam je en onderga nu je vernedering, want door jou lijken je zusters haast rechtvaardig.

53Toch zal ik hun lot ten goede keren, het lot van Sodom en haar dochters en dat van Samaria en haar dochters, en ook jouw lot zal ik ten goede keren,16:53 en ook jouw lot zal ik ten goede keren – Volgens de oudste vertalingen. MT: ‘en het lot, jouw lot’. net als dat van hen. 54Je zult vernederd worden en je schamen voor alles wat je gedaan hebt, en zij zullen daar troost uit putten. 55En als je zusters Sodom en Samaria met al hun dochters in ere zijn hersteld, zullen ook jij en je dochters in ere worden hersteld. 56Was jij het niet die in je hoogmoed steeds kwaad sprak over je zuster Sodom? 57Toen waren jouw wandaden nog niet aan het licht gekomen, zoals nu. Nu word je gehoond door de vrouwen van Aram en de aangrenzende landen, en door de Filistijnse vrouwen die om je heen wonen en op je neerkijken. 58Nu zul je moeten boeten voor je schandelijk en gruwelijk gedrag – spreekt de HEER.

59Dit zegt God, de HEER: Door je niet te houden aan ons verbond heb je je eed gebroken, en daarom zal ik je behandelen zoals je verdient. 60

16:60-63
Ezech. 36:22-32
Hos. 2:16-22
16:60
Jer. 31:31-34
Toch zal ik aan dat verbond blijven denken, het verbond dat ik met je gesloten heb in de dagen dat je nog jong was. Daarom zal ik nu een verbond met je sluiten dat eeuwig zal duren. 61Als je grote en je kleine zusters weer bij je komen, zul je over je gedrag nadenken en je ervoor schamen. Je zult ze van mij als dochters krijgen, al maken zij van het verbond geen deel uit. 62Als ik mijn verbond met jou heb gesloten, zul je beseffen dat ik de HEER ben 63en overdenken wat je gedaan hebt; je zult je schamen, en zwijgen omdat je vernederd bent – maar ik vergeef je alles wat je hebt gedaan. Zo spreekt God, de HEER.’