Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
11

111

11:1
Ezech. 8:16
De geest tilde me weer op en bracht me naar de oostelijke poort van de tempel van de HEER. Daar zag ik vijfentwintig mannen staan, met in hun midden Jaäzanja, de zoon van Azzur, en Pelatja, de zoon van Benaja, twee leiders van het volk. 2De HEER zei tegen mij: ‘Mensenkind, dit zijn de mannen die in deze stad onheil willen stichten en slechte raad geven. 3
11:3-14
Ezech. 24:3-14
Ze zeggen: “Hier hoeven voorlopig geen huizen te worden gebouwd! In deze stad horen wij thuis als vlees in een pot.” 4Daarom moet je tegen hen profeteren, mensenkind.’ 5Ik werd opnieuw door de geest van de HEER overweldigd, en hij droeg mij op te zeggen: ‘Dit zegt de HEER: Israëlieten, ik hoor wat jullie zeggen, ik weet wat er in jullie hoofd opkomt. 6Jullie hebben de dood van velen in deze stad veroorzaakt en de straten met lijken gevuld. 7Daarom – zegt God, de HEER –, de mensen die jullie hebben gedood, die zijn het vlees in de pot, maar jullie zal ik uit de stad verdrijven. 8Jullie vrezen het zwaard? Met het zwaard zal ik jullie treffen – spreekt God, de HEER. 9Ik zal jullie uit de stad verdrijven, ik zal vreemdelingen over je laten heersen, ik zal je straffen. 10Door het zwaard zullen jullie omkomen, waar je ook bent in Israël zal ik je straffen, en jullie zullen weten dat ik de HEER ben. 11De stad zal jullie pot niet zijn, en jullie zullen het vlees niet zijn: tot aan de grenzen van Israël zal ik je straffen. 12
11:12
Deut. 12:29-30
Jullie zullen weten dat ik de HEER ben. Jullie hebben mijn geboden niet gehoorzaamd en je niet gehouden aan mijn voorschriften, maar geleefd zoals de volken om je heen.’ 13Terwijl ik nog aan het profeteren was stierf Pelatja, de zoon van Benaja. Ik wierp me voorover en schreeuwde: ‘Ach HEER, mijn God, gaat u nu ook de rest van het volk nog vernietigen?’

14Daarna richtte de HEER zich weer tot mij: 15

11:15
Ezech. 33:24
‘Mensenkind, het zijn je eigen broeders en zusters, je verwanten en alle andere Israëlieten in ballingschap, tegen wie de inwoners van Jeruzalem zeggen: “Blijf waar je bent, ver verwijderd van de HEER, want aan ons is het land in eigendom gegeven!” 16
11:16
Ezech. 36:19
Maar geef daarop dit antwoord: “Dit zegt God, de HEER: Al heb ik hen weggevoerd naar verre volken, al heb ik hen over vele landen verspreid en al kunnen ze mij in die landen niet in een tempel vereren, 17
11:17-19
Deut. 30:3-8
11:17
Ezech. 36:24-25
toch zeg ik hun dit: Ik zal jullie weghalen bij die volken, ik zal jullie terugbrengen uit de landen waarover jullie verspreid zijn en ik zal jullie je land teruggeven! 18Dan zullen zij daarheen terugkeren en alle afschuwelijke afgoden uit het land verwijderen. 19
11:19-20
Ezech. 36:26-28
11:19
Ps. 51:12
Jer. 4:4
Ezech. 18:31
Dan zal ik hen eensgezind maken en hun een nieuwe geest geven; ik zal hun versteende hart uit hun lichaam halen en hun er een levend hart voor in de plaats geven. 20
11:20
Lev. 26:12
Jer. 24:7
Ezech. 37:23,27
Dan zullen ze mijn wetten gehoorzamen en mijn regels in acht nemen. Zij zullen mijn volk zijn en ik zal hun God zijn. 21Maar wie met heel zijn hart aan deze gruwelijkheden vasthoudt, zal ik laten boeten voor zijn wangedrag – zo spreekt God, de HEER.”’

22

11:22
Ezech. 1:28
De cherubs spreidden hun vleugels uit, de wielen stonden naast hen en de stralende verschijning van de God van Israël bevond zich boven hen. 23
11:23
Ezech. 43:2
De verschijning van de HEER steeg op vanuit de stad, en verplaatste zich naar de berg aan de oostkant. 24In het visioen dat God mij had gegeven, tilde de geest mij weer op en werd ik naar de ballingen in het land van de Chaldeeën gebracht. Daar verliet het visioen mij, 25en ik vertelde de ballingen alles wat de HEER mij had laten zien.

12

Een teken voor het opstandige volk

121De HEER richtte zich tot mij: 2

12:2
Jer. 5:21
Ezech. 2:5-7
Marc. 8:18
‘Mensenkind, je woont te midden van een opstandig volk. Het heeft ogen om te kijken maar het ziet niets, en oren om te horen maar het luistert niet, opstandig als het is. 3Pak daarom bij elkaar wat je nodig hebt om in ballingschap te gaan, mensenkind, en vertrek bij daglicht, zodat iedereen het kan zien; ze moeten zien dat je vanuit je woonplaats in ballingschap gaat, ergens anders heen. Misschien dat ze dan, hoe opstandig ze ook zijn, hun ogen gaan gebruiken. 4Breng alles wat je als balling nodig hebt overdag naar buiten, en ga zelf ’s avonds naar buiten alsof je in ballingschap gaat. Zorg ervoor dat ze kunnen zien wat je doet. 5Zorg dat ze zien hoe je een gat in de muur van je huis maakt om je bezittingen naar buiten te brengen. 6Zorg dat ze zien hoe je alles op je schouders laadt en wegdraagt als het helemaal donker is. Je moet je gezicht bedekken, zodat je het land om je heen niet meer kunt zien. Wat je doet zal een teken zijn voor het volk van Israël.’ 7Ik deed wat mij was opgedragen. Overdag bracht ik alles naar buiten wat ik nodig had om in ballingschap te gaan en ’s avonds maakte ik met mijn handen een gat in de muur. Toen het helemaal donker was, laadde ik alles op mijn schouders en droeg het weg terwijl het volk toekeek.

8De volgende morgen richtte de HEER zich tot mij: 9‘Mensenkind, hebben die opstandige Israëlieten je niet gevraagd wat je aan het doen was? 10Geef ze namens mij dit antwoord: “De last die ik op mijn schouders droeg, dat is de vorst in Jeruzalem, samen met alle Israëlieten die er wonen.12:10 die er wonen – Voorgestelde lezing. MT: ‘in hun midden’. 11Wat ik deed is voor jullie een teken: wat ik gedaan heb, zal ook met hen gebeuren. Dit zegt God, de HEER: Zij zullen als gevangenen in ballingschap gaan. 12Hun vorst zal ook een last op zijn schouders laden en naar buiten gaan als het helemaal donker is. Ze zullen een gat in de stadsmuur maken om hem door te laten, en hij zal zijn gezicht bedekken, want hij zal zijn land niet meer terugzien. 13

12:13
2 Kon. 25:7
Jer. 52:11
Ezech. 17:20
Ik zal mijn netten over hem uitspreiden en hem daarin vangen, en dan breng ik hem naar Babel in het land van de Chaldeeën. Daar zal hij sterven zonder dat land te kunnen zien. 14
12:14
Lev. 26:33
Zijn getrouwen, zijn lijfwacht en al zijn troepen zal ik in alle windrichtingen uiteendrijven en met getrokken zwaard achtervolgen. 15Wanneer ik hen verdrijf naar verre landen en verspreid onder vreemde volken, zullen ze beseffen dat ik de HEER ben. 16Enkelen zal ik sparen. Zij zullen aan het zwaard, de honger en de pest ontkomen, want ze moeten de volken waar ze terechtkomen vertellen over al hun gruwelijke daden. Dan zullen ze beseffen dat ik de HEER ben.”’

17De HEER richtte zich tot mij: 18‘Mensenkind, als je brood eet moet je beven, als je water drinkt moet je sidderen van angst. 19Zeg dan tegen je landgenoten: “Dit zegt God, de HEER, over de inwoners van Jeruzalem die in Israël zijn achtergebleven: Ook zij zullen vol angst hun brood eten en in wanhoop hun water drinken, want door de misdaden van zijn bewoners wordt het land van zijn rijkdommen beroofd. 20De steden waar nu nog mensen wonen, zullen veranderen in ruïnes en het land wordt een woestenij. Dan zullen jullie beseffen dat ik de HEER ben.”’

Ezechiël en de andere profeten

21De HEER richtte zich tot mij: 22‘Mensenkind, hoe luidt dat spreekwoord bij jullie in Israël? De dagen rijgen zich aaneen, en geen visioen komt uit? 23Zeg hun dit: “Dit zegt God, de HEER: Ik zal zorgen dat dit spreekwoord verdwijnt; het zal in Israël niet meer worden gehoord. Nog even en elk visioen komt uit. 24Dan zullen er in heel Israël geen bedrieglijke visioenen meer worden gezien of valse voorspellingen worden gehoord. 25Mijn besluit staat vast! Wat ik, de HEER, zeg, zal gebeuren; het zal niet worden uitgesteld. Wat ik zeg zal ik nog tijdens jullie leven doen, opstandig volk! – zo spreekt God, de HEER.”’

26De HEER richtte zich tot mij: 27‘Je weet, mensenkind, wat het volk van Israël zegt: “De visioenen van die ziener betreffen de verre toekomst, zijn profetieën gaan over verre tijden.” 28

12:28
Jer. 1:12
Zeg daarom tegen hen: “Dit zegt God, de HEER: Wat ik besloten heb, zal niet worden uitgesteld! Alles wat ik zeg, zal gebeuren! – zo spreekt God, de HEER.”’

13

131

13:1-16
Jer. 14:13-16
23:9-40
De HEER richtte zich tot mij: 2‘Mensenkind, klaag alle profeten van Israël aan die het nog wagen te profeteren; zeg tegen de profeten die op eigen gezag spreken: “Luister naar de woorden van de HEER! 3Dit zegt God, de HEER: Wee de verdwaasde profeten die hun eigen ingevingen volgen zonder iets te hebben gezien! 4Israël, je profeten zijn als jakhalzen die leven tussen de ruïnes. 5Ze zijn niet in de bres gesprongen voor hun volk, ze hebben er geen muur omheen gebouwd waardoor het op de dag van de HEER in de strijd zou kunnen standhouden. 6
13:6
Jer. 27:9-10
Hun visioenen zijn bedrieglijk, hun voorspellingen zijn vals. Ze zeggen: ‘Zo spreekt de HEER ...,’ terwijl ze niet door de HEER gezonden zijn. En dan verwachten ze nog dat er iets van hun woorden bewaarheid wordt!

7-8Is het niet zo – zegt God, de HEER – dat jullie visioenen bedrieglijk zijn en jullie voorspellingen vals? Jullie zeggen: ‘Zo spreekt de HEER ...,’ terwijl ik niets heb gezegd! Omdat jullie woorden bedrieglijk zijn en jullie visioenen vals, zal ik jullie straffen – spreekt God, de HEER.

9Ik keer me tegen de profeten met hun bedrieglijke leugens en valse voorspellingen. Ze zullen uit de gemeenschap worden gestoten. Ze zullen niet meer ingeschreven staan in de boeken van het volk van Israël, en in het land van mijn volk zal geen plaats meer voor hen zijn. Dan zullen jullie inzien dat ik God, de HEER, ben. 10

13:10
Jer. 6:14
8:11
Ezech. 22:28
De profeten hebben mijn volk op een dwaalspoor gebracht toen ze zeiden dat het vrede zou blijven, en mijn volk bouwde muren die door de profeten met witkalk werden bepleisterd – maar het bleef geen vrede. 11Zeg daarom tegen die witkalkers dat hun muur zal instorten. Als er slagregens komen, als er hagelstenen neerkletteren, als er een stormwind losbreekt 12en de muren instorten, zal er dan niet worden gezegd: ‘Waar is jullie pleisterwerk gebleven?’ 13Daarom – zegt God, de HEER – zal ik in mijn woede een stormwind laten losbreken en slagregens doen neerslaan, ik zal hagelstenen laten neerkletteren in mijn allesverwoestende toorn. 14Ik haal de witgepleisterde muren omver, ze zullen instorten en hun fundamenten zullen bloot komen te liggen. De stad zal in puin vallen en jullie zullen omkomen. Jullie zullen weten dat ik de HEER ben. 15Ik zal mijn woede koelen op de muren en op de witkalkers, ik zeg jullie dat de muren zullen verdwijnen samen met hen die ze hebben bepleisterd: 16de profeten van Israël met hun profetieën over Jeruzalem, die visioenen hadden van vrede terwijl het geen vrede zou blijven – zo spreekt God, de HEER.”

17Mensenkind, richt je nu op de vrouwen van het volk die op eigen gezag profeteren, en klaag hen aan. 18Zeg: “Dit zegt God, de HEER: Wee de vrouwen die toverbanden naaien voor alle polsen en handen, die sluiers maken die passen op ieders hoofd, om zo de zielen van de mensen te vangen! Jullie willen mijn volk in je netten vangen en zelf in leven blijven? 19Jullie hebben mijn volk van mij vervreemd voor een handvol gerst en wat hompen brood. Jullie laten mensen sterven die niet moeten sterven, en houden mensen in leven die niet in leven mogen blijven. Jullie hebben mijn volk voorgelogen en het heeft naar je leugens geluisterd. 20Daarom – zegt God, de HEER – verscheur ik de banden waarmee jullie de mensen als vogels vangen; ik scheur ze van je armen af en laat de mensen vrij die in je netten verstrikt zijn geraakt. 21Ik verscheur de sluiers en ik ontruk mijn volk aan jullie macht. Jullie zullen geen greep meer op hen hebben en jullie zullen weten dat ik de HEER ben. 22Jullie jagen met je leugens onschuldige mensen angst aan terwijl ik tegen hen geen kwaad in de zin heb, en jullie moedigen schuldige mensen aan en verhinderen dat zij tot inkeer komen en zo hun leven redden. 23Daarom zullen jullie geen bedrieglijke visioenen meer hebben en geen voorspellingen meer doen. Ik zal mijn volk aan jullie greep ontrukken, en dan zullen jullie weten dat ik de HEER ben.”’