Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
9

91Toen hoorde ik hem luid roepen: ‘Kom tevoorschijn, jullie die de stad gaan straffen, en neem je vernietigingswapens mee.’ 2En ik zag hoe zes mannen uit de richting van de noordelijke bovenpoort kwamen, alle zes met een dodelijk wapen in hun hand. Er was ook nog een man bij hen in linnen kleren, die een schrijverskoker aan zijn gordel droeg. De mannen gingen naast het bronzen altaar staan.

3De stralende verschijning van de God van Israël bewoog zich van de cherubs waarboven hij troonde naar de ingang van de tempel, en hij riep de in linnen geklede man met de schrijverskoker bij zich. 4

9:4
Op. 7:3
9:4
14:1
De HEER zei tegen hem: ‘Maak een ronde door Jeruzalem, en zet een merkteken op het voorhoofd van iedereen die jammert en klaagt om de gruwelijke dingen die er in de stad gebeuren.’ 5
9:5
Ex. 32:27
Tegen de zes anderen hoorde ik hem zeggen: ‘Ga achter hem aan, trek ook door de stad en dood iedereen. Jullie moeten geen medelijden tonen, jullie mogen geen medelijden kennen. 6Oude mensen, jonge mannen en vrouwen, moeders en kinderen – jullie moeten ze allemaal ombrengen, behalve de mensen die het merkteken dragen. Begin bij mijn heiligdom.’ En ze begonnen bij de zeventig oudsten, die voor de tempel stonden. 7Hij zei tegen de mannen: ‘Dood alle mensen in de voorhoven zodat de tempel onrein wordt, en ga dan naar buiten!’ Ze gingen naar buiten en trokken moordend door de stad. 8Terwijl zij moordend rondtrokken bleef ik achter, en ik wierp me voorover op de grond en schreeuwde: ‘Ach HEER, mijn God, gaat u, nu uw woede Jeruzalem treft, alle Israëlieten vernietigen die er nog zijn?’ 9
9:9
Ps. 10:11
Ezech. 8:12
24:9
Hij antwoordde: ‘De schuld die het volk van Israël en Juda op zich heeft geladen is onmetelijk groot. Het land is vol bloed, de stad vol onrecht, want ze denken bij zichzelf: De HEER heeft het land verlaten, de HEER ziet ons niet. 10Ik zal dan ook geen medelijden tonen, ik zal geen medelijden kennen; ik zal hen voor hun daden laten boeten.’ 11De in linnen geklede man met de schrijverskoker aan zijn gordel kwam terug en bracht verslag uit: ‘Ik heb gedaan wat u mij hebt bevolen.’

10

101

10:1-21
Ezech. 1:5-21
10:1
Op. 4:2
Daarna zag ik dit: boven de koepel boven de cherubs was iets te zien dat leek op een troon van saffier. 2
10:2
Op. 8:5
De HEER zei tegen de in linnen geklede man: ‘Ga het raderwerk waarop de cherubs rusten binnen en vul er je handen met gloeiende kolen; die moet je uitstrooien over de stad.’ Ik zag hoe de man naar binnen ging. 3De cherubs stonden op dat moment aan de zuidkant van de tempel, en een wolk vulde de binnenhof. 4
10:4
Ex. 40:34-35
Ezech. 1:28
43:2-5
Toen de stralende verschijning van de HEER zich verplaatste van de cherubs naar de tempelingang, vulde die wolk de tempel, en de hele hof was vol van de gloed van de verschijning van de HEER. 5
10:5
Ex. 19:19
Ps. 29:3
Tot in de buitenhof was het geluid te horen van de vleugels van de cherubs; het was een geluid als wanneer God, de Ontzagwekkende, spreekt. 6Toen beval hij de man met de linnen kleren: ‘Haal nu wat vuur weg uit het raderwerk onder de cherubs.’ De man ging verder naar binnen en ging naast een wiel staan. 7Een van de cherubs strekte zijn hand uit naar het vuur dat zich tussen hen in bevond en legde daar wat van in de handen van de in linnen geklede man, die ermee naar buiten ging. 8Onder de vleugels van de cherubs was iets zichtbaar dat de vorm had van een mensenhand.

9Ook zag ik vier wielen naast de cherubs staan, naast elke cherub één. De wielen glansden als turkoois 10en hadden alle vier dezelfde vorm: ze leken op een wiel midden in een ander wiel. 11Als ze bewogen, konden ze zonder te draaien alle vier de kanten op gaan; zonder om te draaien volgden ze het voorste wiel in de richting waarheen dat zich wendde. 12

10:12
Op. 4:8
De lichamen van de cherubs, hun rug, handen en vleugels, en ook de wielen, waren helemaal bezet met ogen; dit gold voor de vier cherubs en voor de wielen. 13Het waren de wielen die ik eerder ‘het raderwerk’ had horen noemen. 14
10:14
Op. 4:7
Iedere cherub had vier gezichten: bij de eerste was het gezicht van een cherub te zien en bij de tweede dat van een mens, bij de derde de muil van een leeuw en bij de vierde de bek van een adelaar. 15De cherubs stegen op; het waren de wezens die ik bij het Kebarkanaal al had gezien. 16Als de cherubs zich bewogen, gingen de wielen met hen mee, en ook als ze hun vleugels uitspreidden om van de grond op te stijgen, bleven de wielen bij hen. 17Als de cherubs stilstonden, stonden ook de wielen stil, en als ze opstegen bleven de wielen bij hen, want een en dezelfde geest leidde de wezens en de wielen.

18Toen ging de stralende verschijning van de HEER weg bij de tempelingang en kwam tot stilstand boven de cherubs. 19Ik zag dat ze hun vleugels spreidden, in beweging kwamen en van de grond opstegen met de wielen naast zich. Ze gingen bij de oostelijke poort van de tempel van de HEER staan, en de stralende verschijning van de God van Israël rustte op hen. 20Dit waren de wezens die ik al bij het Kebarkanaal had gezien, de wezens waar de God van Israël ook toen op rustte, en nu begreep ik dat het cherubs waren. 21Ze hadden elk vier gezichten en vier vleugels, en onder die vleugels was iets zichtbaar dat de vorm had van een mensenhand. 22Ook hun gezichten leken op de gezichten die ik bij het Kebarkanaal had gezien: ze zagen er net zo uit, het waren dezelfde wezens. Ze bewogen zich steeds recht vooruit.

11

111

11:1
Ezech. 8:16
De geest tilde me weer op en bracht me naar de oostelijke poort van de tempel van de HEER. Daar zag ik vijfentwintig mannen staan, met in hun midden Jaäzanja, de zoon van Azzur, en Pelatja, de zoon van Benaja, twee leiders van het volk. 2De HEER zei tegen mij: ‘Mensenkind, dit zijn de mannen die in deze stad onheil willen stichten en slechte raad geven. 3
11:3-14
Ezech. 24:3-14
Ze zeggen: “Hier hoeven voorlopig geen huizen te worden gebouwd! In deze stad horen wij thuis als vlees in een pot.” 4Daarom moet je tegen hen profeteren, mensenkind.’ 5Ik werd opnieuw door de geest van de HEER overweldigd, en hij droeg mij op te zeggen: ‘Dit zegt de HEER: Israëlieten, ik hoor wat jullie zeggen, ik weet wat er in jullie hoofd opkomt. 6Jullie hebben de dood van velen in deze stad veroorzaakt en de straten met lijken gevuld. 7Daarom – zegt God, de HEER –, de mensen die jullie hebben gedood, die zijn het vlees in de pot, maar jullie zal ik uit de stad verdrijven. 8Jullie vrezen het zwaard? Met het zwaard zal ik jullie treffen – spreekt God, de HEER. 9Ik zal jullie uit de stad verdrijven, ik zal vreemdelingen over je laten heersen, ik zal je straffen. 10Door het zwaard zullen jullie omkomen, waar je ook bent in Israël zal ik je straffen, en jullie zullen weten dat ik de HEER ben. 11De stad zal jullie pot niet zijn, en jullie zullen het vlees niet zijn: tot aan de grenzen van Israël zal ik je straffen. 12
11:12
Deut. 12:29-30
Jullie zullen weten dat ik de HEER ben. Jullie hebben mijn geboden niet gehoorzaamd en je niet gehouden aan mijn voorschriften, maar geleefd zoals de volken om je heen.’ 13Terwijl ik nog aan het profeteren was stierf Pelatja, de zoon van Benaja. Ik wierp me voorover en schreeuwde: ‘Ach HEER, mijn God, gaat u nu ook de rest van het volk nog vernietigen?’

14Daarna richtte de HEER zich weer tot mij: 15

11:15
Ezech. 33:24
‘Mensenkind, het zijn je eigen broeders en zusters, je verwanten en alle andere Israëlieten in ballingschap, tegen wie de inwoners van Jeruzalem zeggen: “Blijf waar je bent, ver verwijderd van de HEER, want aan ons is het land in eigendom gegeven!” 16
11:16
Ezech. 36:19
Maar geef daarop dit antwoord: “Dit zegt God, de HEER: Al heb ik hen weggevoerd naar verre volken, al heb ik hen over vele landen verspreid en al kunnen ze mij in die landen niet in een tempel vereren, 17
11:17-19
Deut. 30:3-8
11:17
Ezech. 36:24-25
toch zeg ik hun dit: Ik zal jullie weghalen bij die volken, ik zal jullie terugbrengen uit de landen waarover jullie verspreid zijn en ik zal jullie je land teruggeven! 18Dan zullen zij daarheen terugkeren en alle afschuwelijke afgoden uit het land verwijderen. 19
11:19-20
Ezech. 36:26-28
11:19
Ps. 51:12
Jer. 4:4
Ezech. 18:31
Dan zal ik hen eensgezind maken en hun een nieuwe geest geven; ik zal hun versteende hart uit hun lichaam halen en hun er een levend hart voor in de plaats geven. 20
11:20
Lev. 26:12
Jer. 24:7
Ezech. 37:23,27
Dan zullen ze mijn wetten gehoorzamen en mijn regels in acht nemen. Zij zullen mijn volk zijn en ik zal hun God zijn. 21Maar wie met heel zijn hart aan deze gruwelijkheden vasthoudt, zal ik laten boeten voor zijn wangedrag – zo spreekt God, de HEER.”’

22

11:22
Ezech. 1:28
De cherubs spreidden hun vleugels uit, de wielen stonden naast hen en de stralende verschijning van de God van Israël bevond zich boven hen. 23
11:23
Ezech. 43:2
De verschijning van de HEER steeg op vanuit de stad, en verplaatste zich naar de berg aan de oostkant. 24In het visioen dat God mij had gegeven, tilde de geest mij weer op en werd ik naar de ballingen in het land van de Chaldeeën gebracht. Daar verliet het visioen mij, 25en ik vertelde de ballingen alles wat de HEER mij had laten zien.