Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
34

341

34:1
Deut. 10:1-5
De HEER zei tegen Mozes: ‘Hak twee stenen platen uit, gelijk aan de vorige. Dan zal ik op die platen de geboden schrijven die ook op de eerste stonden, die jij stukgegooid hebt. 2Morgenvroeg moet je gereed zijn, want dan moet je de Sinai op gaan. Kom daar, op de top van de berg, bij mij. 3
34:3
Ex. 19:12-13
Laat niemand met je mee naar boven gaan, op de hele berg mag niemand te zien zijn, en ook de schapen, geiten en runderen mogen niet in de nabijheid van de berg grazen.’

4Mozes hakte twee stenen platen uit, net als de vorige, en ’s morgens ging hij in alle vroegte de Sinai op, zoals de HEER hem had opgedragen. De twee stenen platen droeg hij bij zich. 5

34:5
Ex. 33:18-23
De HEER daalde neer in een wolk, hij kwam naast Mozes staan en riep de naam HEER uit. 6
34:6-7
Ex. 20:5-6
Num. 14:18
Deut. 5:9-10
7:9-10
Jer. 32:18
Joël 2:13
34:6
Ps. 86:15
De HEER ging voor hem langs en riep uit: ‘De HEER! De HEER! Een God die liefdevol is en genadig, geduldig, trouw en waarachtig, 7die duizenden geslachten zijn liefde bewijst, die schuld, misdaad en zonde vergeeft, maar niet alles ongestraft laat en voor de schuld van de ouders de kinderen en kleinkinderen laat boeten, en ook het derde geslacht en het vierde.’ 8Onmiddellijk viel Mozes op zijn knieën en boog zich neer. 9
34:9
Ex. 32:9
‘Als u mij goedgezind bent, Heer,’ zei hij, ‘trekt u dan met ons mee, ook al is dit volk onhandelbaar. Schenk ons vergeving voor onze schuld en zonde en maak ons tot uw eigen bezit.’

10De HEER antwoordde: ‘Ik wil een verbond sluiten. Voor de ogen van heel je volk zal ik zulke wonderbaarlijke daden verrichten als er onder geen enkel volk op aarde ooit verricht zijn, en het hele volk dat bij jou is, zal zien welke ontzagwekkende dingen ik, de HEER, voor jou zal doen. 11

34:11-13
Deut. 7:1-5
Jullie moeten je houden aan de geboden die ik je vandaag geef. Ik zal de Amorieten, de Kanaänieten, Hethieten, Perizzieten, Chiwwieten en Jebusieten voor je verdrijven. 12
34:12
Ex. 23:32-33
Recht. 2:2
Wacht je ervoor een verbond te sluiten met de inwoners van het land waarheen je op weg bent, want dat zou jullie ondergang zijn. 13
34:13
Ex. 23:24
Num. 33:52
Breek hun altaren af, verbrijzel hun gewijde stenen en hak hun Asjerapalen om, 14want jullie mogen niet voor een andere god neerknielen. De HEER, de Afgunstige, duldt immers geen andere goden naast zich. 15Sluit geen verbond met de inwoners van dat land, want wanneer die zich met hun goden afgeven en offers aan hen brengen, zouden ze jullie uitnodigen om aan hun offermaaltijden deel te nemen. 16
34:16
1 Kon. 11:1-2
En als jullie uit hun dochters voor je zonen vrouwen kiezen, en die vrouwen geven zich met hun goden af, zullen ze ook je zonen daartoe verleiden.

17

34:17
Ex. 20:4
Lev. 19:4
Deut. 4:16
5:8
27:15
Maak geen godenbeelden.

18

34:18
Ex. 12:14-20
23:14-15
Lev. 23:6-8
Num. 28:16-25
Deut. 16:1-8
Vier steeds het feest van het Ongedesemde brood, en wel op de daarvoor vastgestelde dagen van de maand abib, de maand waarin jullie weggetrokken zijn uit Egypte. Eet dan zeven dagen lang ongedesemd brood, zoals ik je heb opgedragen.

19

34:19
Ex. 13:2
Alles wat als eerste de moederschoot verlaat behoort mij toe. Ieder eerstgeboren mannelijk dier van je kudde is voor mij, zowel van je runderen als van je schapen en geiten. 20
34:20
Ex. 13:13
Elk eerstgeboren veulen van een ezel moet je vrijkopen met een schaap of geit. Koop je het niet vrij, dan moet je het de nek breken. Ook alle oudste zonen moet je vrijkopen.

Niemand mag met lege handen voor mij verschijnen.

21

34:21
Ex. 20:9-10
23:12
31:15
35:2
Lev. 23:3
Deut. 5:13-14
Zes dagen lang mag je werken, maar op de zevende dag moet je rust houden, ook in de ploegtijd en in de oogsttijd.

22

34:22-26
Ex. 23:16-19
34:22
Lev. 23:15-21,39-43
Num. 28:26-31
Deut. 16:9-17
Vier het Wekenfeest wanneer je de eerste opbrengst van de tarweoogst binnenhaalt, en het Inzamelingsfeest wanneer het jaar ten einde loopt. 23Driemaal per jaar moeten alle mannen voor de Machtige, de HEER, de God van Israël, verschijnen. 24Ik zal de andere volken voor jullie verdrijven en je een uitgestrekt gebied geven; niemand zal dan je akkers in bezit durven nemen wanneer je driemaal per jaar op reis gaat om voor de HEER, je God, te verschijnen.

25

34:25
Ex. 12:10,15-20
Als je een offerdier voor mij slacht, mag het bloed van het dier alleen vloeien wanneer er niets aanwezig is dat zuurdesem bevat, en van het offerdier voor het pesachfeest mag niets tot de volgende morgen bewaard worden.

26

34:26
Deut. 14:21
26:2
De allereerste opbrengst van je akker moet je naar het heiligdom van de HEER, je God, brengen.

Een geitenbokje mag je niet koken in de melk van zijn moeder.’

27

34:27
Ex. 34:10
De HEER zei tegen Mozes: ‘Stel deze geboden op schrift, want op grond van deze geboden sluit ik met jou en de Israëlieten een verbond.’ 28
34:28
Ex. 24:12
Deut. 10:10
1 Kon. 19:8
Mat. 4:2
Veertig dagen en veertig nachten bleef Mozes daar bij de HEER, zonder te eten of te drinken. En hij schreef de tekst van het verbond, de tien geboden, op de platen.

29

34:29-35
2 Kor. 3:7-16
Mozes daalde de Sinai af, met de twee platen van het verbond bij zich. Hij wist niet dat zijn gezicht glansde doordat hij met de HEER had gesproken. 30Toen Aäron en de andere Israëlieten de glans op Mozes’ gezicht zagen, durfden zij niet naar hem toe te gaan, 31maar Mozes riep hen bij zich. Aäron en de leiders van het volk kwamen bij hem en Mozes sprak met hen. 32Daarna kwamen ook de andere Israëlieten. Hij droeg hun op zich te houden aan alles wat de HEER hem op de Sinai gezegd had. 33Toen hij uitgesproken was, bedekte hij zijn gezicht met een doek. 34Steeds wanneer Mozes voor de HEER verscheen om met hem te spreken, deed hij de doek af, totdat hij weer naar buiten kwam. Als Mozes de Israëlieten dan zei wat hem opgedragen was, 35zagen zij hoe zijn gezicht glansde. Daarna bedekte hij zijn gezicht met de doek, totdat hij opnieuw met de HEER ging spreken.

35

De sabbatsrust

351Mozes riep de hele gemeenschap van Israël bijeen en zei: ‘De HEER heeft opdracht gegeven om deze voorwerpen voor hem te maken. 2

35:2
Ex. 20:8-10
23:12
31:15
34:21
Lev. 23:3
Deut. 5:12-14
Zes dagen kan daaraan gewerkt worden, maar de zevende dag, de sabbat, moet een dag van volstrekte rust zijn, gewijd aan de HEER. Iedereen die dan werkt moet ter dood gebracht worden. 3Niemand van u mag op sabbat een vuur aansteken, waar hij ook woont.’

Bijdragen van het volk; de vaklieden

4

35:4-29
Ex. 25:1-9
Mozes zei tegen de Israëlieten: ‘De HEER draagt u op 5hem geschenken te geven. Laat iedereen die daartoe bereid is iets aan de HEER afstaan: goud, zilver of koper, 6blauwpurperen, roodpurperen of karmozijnrode wol, fijn linnen garen of geitenhaar, 7rood geverfde ramsvellen, vellen van zeekoeien, acaciahout, 8lampolie, geurige specerijen voor de zalfolie en voor de reukoffers, 9onyxstenen voor de priesterschort of edelstenen voor de borsttas. 10
35:10-19
Ex. 39:32-43
Alle vaklieden moeten zich melden, om alles te maken waartoe de HEER opdracht heeft gegeven: 11de tabernakel met het bijbehorende dekkleed en alle haken, planken, dwarsbalken, palen en voetstukken, 12de ark met de draagbomen, de verzoeningsplaat en het voorhangsel, 13de tafel met de draagbomen, alle bijbehorende voorwerpen en het toonbrood, 14de lampenstandaard met de bijbehorende voorwerpen, de lampen en de olie, 15het reukofferaltaar met de draagbomen, de zalfolie, het geurige reukwerk en het gordijn dat de ingang van de tabernakel afschermt, 16het brandofferaltaar met het bronzen hekwerk, de draagbomen en alle bijbehorende voorwerpen, het wasbekken met het onderstel, 17de doeken voor de omheining, de palen, de voetstukken en het gordijn voor de ingang van de afgeschermde ruimte, 18de pinnen en touwen van de tabernakel en die van de omheining, 19en de ambtsgewaden voor de dienst in het heiligdom, de heilige kleding voor de priester Aäron en de kleding die zijn zonen moeten dragen wanneer zij als priester dienstdoen.’

20-21Hierop gingen de Israëlieten uiteen, en ieder die daartoe van harte bereid was, kwam bij Mozes terug met een geschenk voor de HEER als bijdrage voor de vervaardiging van de ontmoetingstent, de inrichting daarvan of de heilige kleding. 22Alle mannen en vrouwen die bereid waren de HEER iets van goud af te staan, kwamen sierspelden, neusringen, vingerringen, halssieraden en allerlei andere gouden voorwerpen brengen. 23Iedereen die in het bezit was van blauwpurperen, roodpurperen of karmozijnrode wol, fijn linnen garen, geitenhaar, rood geverfde ramsvellen of zeekoevellen bracht dat ook. 24Anderen schonken de HEER zilver of koper, en weer anderen brachten het acaciahout dat ze hadden en dat voor tal van voorwerpen nodig was. 25Vrouwen die de kunst van het spinnen verstonden, sponnen eigenhandig blauwpurperen, roodpurperen en karmozijnrode wol en fijn linnen garen en stonden dat af. 26Andere vrouwen, die dat graag deden en er bedreven in waren, sponnen geitenhaar. 27De leiders van Israël brachten de onyxstenen voor de priesterschort en de edelstenen voor de borsttas, 28evenals de geurige specerijen en de olie voor de verlichting, de zalfolie en de reukoffers. 29Alle Israëlieten, mannen zowel als vrouwen, die bereid waren iets af te staan voor de werkzaamheden waartoe de HEER Mozes opdracht had laten geven, brachten de HEER vrijwillig geschenken.

30

35:30-35
Ex. 31:2-6
Mozes zei tegen de Israëlieten: ‘De HEER heeft zijn keuze laten vallen op Besaleël, de zoon van Uri, de zoon van Chur, uit de stam Juda. 31Hij heeft hem uitzonderlijke talenten geschonken, wijsheid, vakmanschap en inzicht op allerlei gebied: 32hij kan ontwerpen maken en ze uitvoeren in goud, zilver, koper en brons, 33hij kan stenen snijden en zetten en hout bewerken en hij beheerst ook allerlei andere vaardigheden om ontwerpen uit te voeren. 34De HEER heeft aan hem en aan Oholiab, de zoon van Achisamach, uit de stam Dan, ook de gave geschonken hun kennis over te dragen. 35Hij heeft hun vakmanschap geschonken op allerlei gebied: zij hebben verstand van wol weven, van borduren met blauwpurperen, roodpurperen en karmozijnrode wol en van het weven van fijn linnen. Ze beheersen de technieken en maken zelf de ontwerpen.

36

361Besaleël en Oholiab moeten alle voorwerpen voor de dienst in het heiligdom maken, precies zoals de HEER het heeft opgedragen. Allen die hun vak verstaan en aan wie de HEER de wijsheid en het inzicht geschonken heeft die hiervoor nodig zijn, moeten hen helpen.’

2Hierop riep Mozes Besaleël en Oholiab bij zich, en alle vaklieden aan wie de HEER wijsheid geschonken had en die graag bereid waren het werk ter hand te nemen. 3Zij namen van Mozes alle geschenken in ontvangst die de Israëlieten voor de bouw van het heiligdom gebracht hadden. Men bleef vrijwillig gaven brengen, iedere morgen weer, 4totdat de vaklieden die aan het heiligdom werkten hun werk onderbraken, 5en zij Mozes lieten weten dat de mensen veel meer bijeenbrachten dan nodig was voor het werk waartoe de HEER opdracht had gegeven. 6Op bevel van Mozes werd toen overal in het kamp bekendgemaakt dat geen enkele man of vrouw nog iets voor het heiligdom hoefde te maken. Daarna bracht het volk geen geschenken meer. 7Er was meer dan voldoende materiaal om al het werk te kunnen uitvoeren.

Het maken van de tabernakel

8

36:8-38
Ex. 26:1-37
De vaklieden die bij de uitvoering van het werk betrokken waren, maakten van tien geweven banen de tabernakel. Ze weefden de banen op vakkundige wijze van getwijnd linnen garen en van blauwpurperen, roodpurperen en karmozijnrode wol, met een patroon van cherubs. 9Alle banen hadden dezelfde afmetingen: de lengte van iedere baan was achtentwintig el, de breedte vier el. 10Vijf aan vijf werden ze aan elkaar gezet. 11Aan de laatste baan van elk van de twee kleden die zo ontstonden, werden lussen van blauwpurperen wol gezet: 12vijftig lussen aan elk van beide kleden, zo dat ze precies tegenover elkaar kwamen te zitten. 13Men maakte vijftig gouden haken en bevestigde de kleden met deze haken aan elkaar, zodat de tabernakel één geheel werd.

14Men maakte banen van geitenhaar voor de tent die over de tabernakel heen moest komen. Het waren er elf, 15allemaal van dezelfde afmetingen: de lengte van iedere baan was dertig el, de breedte vier el. 16Vijf van deze banen werden aan elkaar gezet en de zes andere eveneens. 17Aan de laatste baan van elk van de twee kleden die zo ontstonden, zette men vijftig lussen. 18Men maakte vijftig koperen haken om de delen te verbinden en van de tent één geheel te maken. 19Ook werd voor de tent een dekkleed van rood geverfde ramsvellen gemaakt, en dat werd weer afgedekt met een kleed van zeekoevellen.

20Voor de wanden van de tabernakel maakte men planken van acaciahout, die rechtop kwamen te staan. 21Ze waren tien el lang en anderhalve el breed. 22Elke plank werd voorzien van twee pinnen, en wel zo dat de pinnen van alle planken van de tabernakel een rechte lijn vormden. 23Men maakte twintig planken voor de zuidwand van de tabernakel 24en bracht daaronder veertig zilveren voetstukken aan, telkens twee per plank, waar de beide pinnen in pasten. 25Voor de andere zijde van de tabernakel, aan de noordkant, maakte men eveneens twintig planken 26met daaronder veertig zilveren voetstukken, telkens twee per plank. 27Voor de achterwand van de tabernakel, aan de westkant, maakte men zes planken. 28Voor de hoeken van de achterwand werden twee extra planken gemaakt. 29Op de beide hoeken sloten de planken van onderen precies op elkaar aan en tot bovenaan, bij de ring, liepen ze volkomen gelijk. 30Bij elkaar dus acht planken, met daaronder zestien zilveren voetstukken, telkens twee per plank. 31Ook werden er dwarsbalken van acaciahout gemaakt: vijf voor de ene zijwand van de tabernakel, 32vijf voor de andere zijwand en vijf voor de achterwand aan de westkant. 33De middelste dwarsbalk diende ertoe om halverwege de wand de planken van het ene einde tot het andere met elkaar te verbinden. 34Men overtrok de planken met goud, verguldde ook de dwarsbalken en maakte voor de dwarsbalken gouden ringen.

35Het voorhangsel werd gemaakt van blauwpurperen, roodpurperen en karmozijnrode wol en getwijnd linnen garen. Het werd vakkundig geweven, met een patroon van cherubs. 36Men maakte er vier palen van acaciahout voor, die men met goud overtrok, met bijpassende vergulde krammen, en er werden voor deze palen vier zilveren voetstukken gegoten.

37Ter afscherming van de ingang van de tent maakte men een vakkundig geborduurd gordijn van blauwpurperen, roodpurperen en karmozijnrode wol en getwijnd linnen garen. 38Er werden vijf palen voor gemaakt met bijpassende krammen; de koppen van de palen werden verguld, evenals de dwarsstangen. De vijf voetstukken waren van brons.