Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
33

De nieuwe stenen platen

331

33:1
Gen. 12:7
26:3
28:13
De HEER zei tegen Mozes: ‘Vertrek van hier, met het volk dat je uit Egypte hebt weggeleid, en ga naar het land waarvan ik Abraham, Isaak en Jakob onder ede heb beloofd dat ik het aan hun nakomelingen zou geven, 2-3een land dat overvloeit van melk en honing. Ik zal een engel voor je uit sturen en ik zal de Kanaänieten, de Amorieten, Hethieten, Perizzieten, Chiwwieten en Jebusieten verdrijven. Maar ik trek niet met jullie mee, want jullie zijn een onhandelbaar volk en ik zou jullie daarom onderweg kunnen doden.’ 4Toen het volk deze onheilstijding hoorde, ging het in de rouw; niemand deed sieraden om. 5De HEER had Mozes namelijk opgedragen tegen de Israëlieten te zeggen: ‘Jullie zijn een onhandelbaar volk. Als ik ook maar een ogenblik met jullie mee zou reizen, zou ik je al doden. Doe daarom je sieraden af, dan zal ik besluiten wat ik met jullie zal doen.’ 6Vanaf de dag dat ze de Horeb verlieten, droegen de Israëlieten daarom geen sieraden.

7Mozes sloeg steeds buiten het kamp, op ruime afstand ervan, een tent op die hij de ontmoetingstent noemde. Ieder die de HEER wilde raadplegen, ging naar de ontmoetingstent buiten het kamp. 8Telkens als Mozes zich erheen begaf, gingen allen voor de ingang van hun tent staan en keken Mozes na tot hij naar binnen was gegaan. 9

33:9
Ex. 34:34
Zodra hij in de tent was daalde de wolkkolom neer, en deze bleef bij de ingang staan. Dan sprak de HEER met Mozes. 10Wanneer het volk de wolkkolom bij de ingang van de tent zag staan, boog ieder zich voor de ingang van zijn tent neer. 11
33:11
Num. 12:8
Deut. 34:10
De HEER sprak persoonlijk met Mozes, zoals een mens met een ander mens spreekt. Daarna keerde Mozes terug naar het kamp, maar zijn jonge dienaar Jozua, de zoon van Nun, verliet de tent niet.

12Mozes zei tegen de HEER: ‘U draagt mij wel op het volk verder te laten trekken, maar u hebt mij niet laten weten wie u met mij mee zult sturen, terwijl u toch gezegd hebt: “Jou heb ik uitgekozen, jou ben ik goedgezind.” 13Als dat werkelijk zo is, laat mij dan weten wat uw plannen zijn. Dan leer ik u kennen en weet ik zeker dat u mij goedgezind bent. Vergeet toch niet dat deze mensen uw volk zijn.’ 14De HEER antwoordde: ‘Moet ik dan zelf meegaan om je gerust te stellen?’ 15Mozes zei: ‘Als u niet zelf meegaat, laat ons dan niet verder trekken. 16

33:16
Deut. 2:7
Hoe zou moeten blijken dat u mij goedgezind bent, mij en ook uw volk, tenzij u met ons meegaat? Alleen dan nemen wij immers een bijzondere plaats in onder de volken die de aarde bewonen.’ 17De HEER zei tegen Mozes: ‘Ik verzeker je dat ik zal doen wat je vraagt, want ik ben je goedgezind en ik heb je uitgekozen.’

18

33:18-23
1 Kon. 19:11-13
‘Laat mij toch uw majesteit zien,’ zei Mozes. 19
33:19
Ex. 3:14
34:6-7
Rom. 9:15
Hij antwoordde: ‘Ik zal in mijn volle luister voor je langs gaan en in jouw bijzijn de naam HEER uitroepen: ik schenk genade aan wie ik genade wil schenken, en ik ben barmhartig voor wie ik barmhartig wil zijn. 20
33:20
Gen. 32:31
Ex. 19:21
Lev. 16:2
Num. 4:20
Deut. 5:25
Recht. 6:22-23
Jes. 6:5
Maar,’ zei hij, ‘mijn gezicht zul je niet kunnen zien, want geen mens kan mij zien en in leven blijven.’ 21Toen sprak de HEER: ‘Er is een plaats op de rots waar je dicht bij mij kunt komen staan. 22Als dan mijn majesteit voor je langs gaat, zal ik je in een kloof laten schuilen en mijn hand beschermend voor je houden tot ik voorbij ben. 23Als ik mijn hand weghaal, zul je mij van achteren zien; mijn gezicht mag niemand zien.’

34

341

34:1
Deut. 10:1-5
De HEER zei tegen Mozes: ‘Hak twee stenen platen uit, gelijk aan de vorige. Dan zal ik op die platen de geboden schrijven die ook op de eerste stonden, die jij stukgegooid hebt. 2Morgenvroeg moet je gereed zijn, want dan moet je de Sinai op gaan. Kom daar, op de top van de berg, bij mij. 3
34:3
Ex. 19:12-13
Laat niemand met je mee naar boven gaan, op de hele berg mag niemand te zien zijn, en ook de schapen, geiten en runderen mogen niet in de nabijheid van de berg grazen.’

4Mozes hakte twee stenen platen uit, net als de vorige, en ’s morgens ging hij in alle vroegte de Sinai op, zoals de HEER hem had opgedragen. De twee stenen platen droeg hij bij zich. 5

34:5
Ex. 33:18-23
De HEER daalde neer in een wolk, hij kwam naast Mozes staan en riep de naam HEER uit. 6
34:6-7
Ex. 20:5-6
Num. 14:18
Deut. 5:9-10
7:9-10
Jer. 32:18
Joël 2:13
34:6
Ps. 86:15
De HEER ging voor hem langs en riep uit: ‘De HEER! De HEER! Een God die liefdevol is en genadig, geduldig, trouw en waarachtig, 7die duizenden geslachten zijn liefde bewijst, die schuld, misdaad en zonde vergeeft, maar niet alles ongestraft laat en voor de schuld van de ouders de kinderen en kleinkinderen laat boeten, en ook het derde geslacht en het vierde.’ 8Onmiddellijk viel Mozes op zijn knieën en boog zich neer. 9
34:9
Ex. 32:9
‘Als u mij goedgezind bent, Heer,’ zei hij, ‘trekt u dan met ons mee, ook al is dit volk onhandelbaar. Schenk ons vergeving voor onze schuld en zonde en maak ons tot uw eigen bezit.’

10De HEER antwoordde: ‘Ik wil een verbond sluiten. Voor de ogen van heel je volk zal ik zulke wonderbaarlijke daden verrichten als er onder geen enkel volk op aarde ooit verricht zijn, en het hele volk dat bij jou is, zal zien welke ontzagwekkende dingen ik, de HEER, voor jou zal doen. 11

34:11-13
Deut. 7:1-5
Jullie moeten je houden aan de geboden die ik je vandaag geef. Ik zal de Amorieten, de Kanaänieten, Hethieten, Perizzieten, Chiwwieten en Jebusieten voor je verdrijven. 12
34:12
Ex. 23:32-33
Recht. 2:2
Wacht je ervoor een verbond te sluiten met de inwoners van het land waarheen je op weg bent, want dat zou jullie ondergang zijn. 13
34:13
Ex. 23:24
Num. 33:52
Breek hun altaren af, verbrijzel hun gewijde stenen en hak hun Asjerapalen om, 14want jullie mogen niet voor een andere god neerknielen. De HEER, de Afgunstige, duldt immers geen andere goden naast zich. 15Sluit geen verbond met de inwoners van dat land, want wanneer die zich met hun goden afgeven en offers aan hen brengen, zouden ze jullie uitnodigen om aan hun offermaaltijden deel te nemen. 16
34:16
1 Kon. 11:1-2
En als jullie uit hun dochters voor je zonen vrouwen kiezen, en die vrouwen geven zich met hun goden af, zullen ze ook je zonen daartoe verleiden.

17

34:17
Ex. 20:4
Lev. 19:4
Deut. 4:16
5:8
27:15
Maak geen godenbeelden.

18

34:18
Ex. 12:14-20
23:14-15
Lev. 23:6-8
Num. 28:16-25
Deut. 16:1-8
Vier steeds het feest van het Ongedesemde brood, en wel op de daarvoor vastgestelde dagen van de maand abib, de maand waarin jullie weggetrokken zijn uit Egypte. Eet dan zeven dagen lang ongedesemd brood, zoals ik je heb opgedragen.

19

34:19
Ex. 13:2
Alles wat als eerste de moederschoot verlaat behoort mij toe. Ieder eerstgeboren mannelijk dier van je kudde is voor mij, zowel van je runderen als van je schapen en geiten. 20
34:20
Ex. 13:13
Elk eerstgeboren veulen van een ezel moet je vrijkopen met een schaap of geit. Koop je het niet vrij, dan moet je het de nek breken. Ook alle oudste zonen moet je vrijkopen.

Niemand mag met lege handen voor mij verschijnen.

21

34:21
Ex. 20:9-10
23:12
31:15
35:2
Lev. 23:3
Deut. 5:13-14
Zes dagen lang mag je werken, maar op de zevende dag moet je rust houden, ook in de ploegtijd en in de oogsttijd.

22

34:22-26
Ex. 23:16-19
34:22
Lev. 23:15-21,39-43
Num. 28:26-31
Deut. 16:9-17
Vier het Wekenfeest wanneer je de eerste opbrengst van de tarweoogst binnenhaalt, en het Inzamelingsfeest wanneer het jaar ten einde loopt. 23Driemaal per jaar moeten alle mannen voor de Machtige, de HEER, de God van Israël, verschijnen. 24Ik zal de andere volken voor jullie verdrijven en je een uitgestrekt gebied geven; niemand zal dan je akkers in bezit durven nemen wanneer je driemaal per jaar op reis gaat om voor de HEER, je God, te verschijnen.

25

34:25
Ex. 12:10,15-20
Als je een offerdier voor mij slacht, mag het bloed van het dier alleen vloeien wanneer er niets aanwezig is dat zuurdesem bevat, en van het offerdier voor het pesachfeest mag niets tot de volgende morgen bewaard worden.

26

34:26
Deut. 14:21
26:2
De allereerste opbrengst van je akker moet je naar het heiligdom van de HEER, je God, brengen.

Een geitenbokje mag je niet koken in de melk van zijn moeder.’

27

34:27
Ex. 34:10
De HEER zei tegen Mozes: ‘Stel deze geboden op schrift, want op grond van deze geboden sluit ik met jou en de Israëlieten een verbond.’ 28
34:28
Ex. 24:12
Deut. 10:10
1 Kon. 19:8
Mat. 4:2
Veertig dagen en veertig nachten bleef Mozes daar bij de HEER, zonder te eten of te drinken. En hij schreef de tekst van het verbond, de tien geboden, op de platen.

29

34:29-35
2 Kor. 3:7-16
Mozes daalde de Sinai af, met de twee platen van het verbond bij zich. Hij wist niet dat zijn gezicht glansde doordat hij met de HEER had gesproken. 30Toen Aäron en de andere Israëlieten de glans op Mozes’ gezicht zagen, durfden zij niet naar hem toe te gaan, 31maar Mozes riep hen bij zich. Aäron en de leiders van het volk kwamen bij hem en Mozes sprak met hen. 32Daarna kwamen ook de andere Israëlieten. Hij droeg hun op zich te houden aan alles wat de HEER hem op de Sinai gezegd had. 33Toen hij uitgesproken was, bedekte hij zijn gezicht met een doek. 34Steeds wanneer Mozes voor de HEER verscheen om met hem te spreken, deed hij de doek af, totdat hij weer naar buiten kwam. Als Mozes de Israëlieten dan zei wat hem opgedragen was, 35zagen zij hoe zijn gezicht glansde. Daarna bedekte hij zijn gezicht met de doek, totdat hij opnieuw met de HEER ging spreken.

35

De sabbatsrust

351Mozes riep de hele gemeenschap van Israël bijeen en zei: ‘De HEER heeft opdracht gegeven om deze voorwerpen voor hem te maken. 2

35:2
Ex. 20:8-10
23:12
31:15
34:21
Lev. 23:3
Deut. 5:12-14
Zes dagen kan daaraan gewerkt worden, maar de zevende dag, de sabbat, moet een dag van volstrekte rust zijn, gewijd aan de HEER. Iedereen die dan werkt moet ter dood gebracht worden. 3Niemand van u mag op sabbat een vuur aansteken, waar hij ook woont.’

Bijdragen van het volk; de vaklieden

4

35:4-29
Ex. 25:1-9
Mozes zei tegen de Israëlieten: ‘De HEER draagt u op 5hem geschenken te geven. Laat iedereen die daartoe bereid is iets aan de HEER afstaan: goud, zilver of koper, 6blauwpurperen, roodpurperen of karmozijnrode wol, fijn linnen garen of geitenhaar, 7rood geverfde ramsvellen, vellen van zeekoeien, acaciahout, 8lampolie, geurige specerijen voor de zalfolie en voor de reukoffers, 9onyxstenen voor de priesterschort of edelstenen voor de borsttas. 10
35:10-19
Ex. 39:32-43
Alle vaklieden moeten zich melden, om alles te maken waartoe de HEER opdracht heeft gegeven: 11de tabernakel met het bijbehorende dekkleed en alle haken, planken, dwarsbalken, palen en voetstukken, 12de ark met de draagbomen, de verzoeningsplaat en het voorhangsel, 13de tafel met de draagbomen, alle bijbehorende voorwerpen en het toonbrood, 14de lampenstandaard met de bijbehorende voorwerpen, de lampen en de olie, 15het reukofferaltaar met de draagbomen, de zalfolie, het geurige reukwerk en het gordijn dat de ingang van de tabernakel afschermt, 16het brandofferaltaar met het bronzen hekwerk, de draagbomen en alle bijbehorende voorwerpen, het wasbekken met het onderstel, 17de doeken voor de omheining, de palen, de voetstukken en het gordijn voor de ingang van de afgeschermde ruimte, 18de pinnen en touwen van de tabernakel en die van de omheining, 19en de ambtsgewaden voor de dienst in het heiligdom, de heilige kleding voor de priester Aäron en de kleding die zijn zonen moeten dragen wanneer zij als priester dienstdoen.’

20-21Hierop gingen de Israëlieten uiteen, en ieder die daartoe van harte bereid was, kwam bij Mozes terug met een geschenk voor de HEER als bijdrage voor de vervaardiging van de ontmoetingstent, de inrichting daarvan of de heilige kleding. 22Alle mannen en vrouwen die bereid waren de HEER iets van goud af te staan, kwamen sierspelden, neusringen, vingerringen, halssieraden en allerlei andere gouden voorwerpen brengen. 23Iedereen die in het bezit was van blauwpurperen, roodpurperen of karmozijnrode wol, fijn linnen garen, geitenhaar, rood geverfde ramsvellen of zeekoevellen bracht dat ook. 24Anderen schonken de HEER zilver of koper, en weer anderen brachten het acaciahout dat ze hadden en dat voor tal van voorwerpen nodig was. 25Vrouwen die de kunst van het spinnen verstonden, sponnen eigenhandig blauwpurperen, roodpurperen en karmozijnrode wol en fijn linnen garen en stonden dat af. 26Andere vrouwen, die dat graag deden en er bedreven in waren, sponnen geitenhaar. 27De leiders van Israël brachten de onyxstenen voor de priesterschort en de edelstenen voor de borsttas, 28evenals de geurige specerijen en de olie voor de verlichting, de zalfolie en de reukoffers. 29Alle Israëlieten, mannen zowel als vrouwen, die bereid waren iets af te staan voor de werkzaamheden waartoe de HEER Mozes opdracht had laten geven, brachten de HEER vrijwillig geschenken.

30

35:30-35
Ex. 31:2-6
Mozes zei tegen de Israëlieten: ‘De HEER heeft zijn keuze laten vallen op Besaleël, de zoon van Uri, de zoon van Chur, uit de stam Juda. 31Hij heeft hem uitzonderlijke talenten geschonken, wijsheid, vakmanschap en inzicht op allerlei gebied: 32hij kan ontwerpen maken en ze uitvoeren in goud, zilver, koper en brons, 33hij kan stenen snijden en zetten en hout bewerken en hij beheerst ook allerlei andere vaardigheden om ontwerpen uit te voeren. 34De HEER heeft aan hem en aan Oholiab, de zoon van Achisamach, uit de stam Dan, ook de gave geschonken hun kennis over te dragen. 35Hij heeft hun vakmanschap geschonken op allerlei gebied: zij hebben verstand van wol weven, van borduren met blauwpurperen, roodpurperen en karmozijnrode wol en van het weven van fijn linnen. Ze beheersen de technieken en maken zelf de ontwerpen.