Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
23

231

23:1
Lev. 18:8
20:11
Deut. 27:20
1 Kor. 5:1
Een23:1-26 In sommige vertalingen zijn deze verzen genummerd als 22:30-23:25. man mag een vrouw die heeft toebehoord aan zijn vader niet huwen; anders schendt hij het bed van zijn vader.

Diverse voorschriften

2

23:2
Lev. 21:17-23
Mannen bij wie de zaadballen zijn geplet of het lid is afgesneden, mogen niet deelnemen aan de dienst van de HEER. 3Ook bastaards en hun nakomelingen tot in het tiende geslacht zullen er nooit aan mogen deelnemen. 4
23:4-5
Neh. 13:1-2
Hetzelfde geldt voor Ammonieten en Moabieten: nooit ofte nimmer zullen ze tot de dienst van de HEER worden toegelaten, 5
23:5
Num. 22:2-6
omdat ze u op uw tocht uit Egypte niet van voedsel en water hebben voorzien, en omdat ze Bileam, de zoon van Beor, uit Petor in Aram-Naharaïm hebben ingehuurd om u te vervloeken. 6
23:6
Num. 23:7-24:9
Maar omdat de HEER, uw God, u liefhad, heeft hij Bileam geen gehoor geschonken en de vervloeking in een zegening omgezet. 7Draag dus, zolang u leeft, in geen enkel opzicht bij aan hun voorspoed en geluk. 8
23:8
Ex. 22:20
Edomieten moet u echter met respect behandelen, want dat zijn uw broeders. Ook Egyptenaren moet u respectvol behandelen, want u hebt als vreemdeling in hun land gewoond. 9En wat hun nageslacht betreft: vanaf de derde generatie kunnen ze worden toegelaten tot de dienst van de HEER.

10

23:10-15
Num. 5:1-4
Tijdens een veldtocht tegen de vijand moet u zich in acht nemen voor onbetamelijkheden. 11
23:11
Lev. 15:16-17
Zo moet een man die ’s nachts door een zaadlozing onrein is geworden het legerkamp uit gaan en buiten blijven. 12Tegen het vallen van de avond moet hij zich baden; na zonsondergang mag hij dan het kamp weer binnenkomen. 13Verder moet er buiten het kamp een gelegenheid zijn waar u uw behoefte kunt doen. 14U moet een tentpin bij uw uitrusting steken, die u kunt gebruiken om een gat te maken waar u boven hurkt, en om uw uitwerpselen te bedekken. 15Want de HEER, uw God, is tijdens zo’n veldtocht in uw midden, om u te beschermen en u te laten zegevieren over uw vijand. Daarom moet u het kamp rein houden, opdat hij niets onbetamelijks bij u aantreft en hij zich niet van u afkeert.

16U mag een slaaf die bij u zijn toevlucht zoekt, niet uitleveren aan zijn meester. 17U moet hem opnemen en hem een plaats gunnen in de stad die hij uitkiest. U mag hem niet uitbuiten.

18

23:18
Lev. 19:29
1 Kon. 14:24
Geen enkel Israëlitisch meisje mag als hoer bij een tempel zitten en geen enkele Israëlitische jongen als schandknaap. 19U mag in de tempel van de HEER, uw God, geen hoerenloon of schandegeld gebruiken voor het inlossen van een gelofte, want de HEER, uw God, heeft van beide een afschuw.

20

23:20
Ex. 22:24
Lev. 25:35-37
U mag geen rente vragen als u iets aan een volksgenoot leent, of het nu gaat om geld of voedsel of wat u ook maar tegen rente te leen kunt geven. 21
23:21
Deut. 15:6
Van een buitenlander mag u wel rente heffen, maar niet van iemand uit uw eigen volk. Als u zich hieraan houdt zal de HEER, uw God, u zegenen in alles wat u onderneemt in het land dat u in bezit zult nemen.

22

23:22
Num. 30:2-17
Recht. 11:35
Pred. 5:3-4
Mat. 5:33
Als u de HEER, uw God, een gelofte doet, los die dan ook spoedig in. Want hij zal zijn aanspraak zeker laten gelden, en dan wordt uw laksheid u als zonde aangerekend. 23Als u echter helemaal geen gelofte doet, valt u niets aan te rekenen. 24Maar als u uw woord gegeven hebt, moet u het nakomen; u hebt zelf, uit eigen vrije wil, de HEER, uw God, een gelofte gedaan.

25Als u door andermans wijngaard loopt mag u zo veel druiven eten als u maar wilt, tot u genoeg hebt, maar u mag ze niet ergens in meenemen. 26En wanneer u door andermans korenveld loopt mag u wel aren plukken met de hand, maar niet de sikkel in zijn koren slaan.

24

241

24:1
Mat. 5:31
19:7
Marc. 10:4
Het volgende kan zich voordoen: Iemand heeft een vrouw getrouwd, maar om een of andere reden is hij ontevreden over haar. Hij schrijft een scheidingsbrief, die hij bij haar vertrek aan haar meegeeft. 2Ze gaat bij hem weg en wordt de vrouw van een ander. 3Maar dan krijgt die tweede man een afkeer van haar, en ook hij schrijft een scheidingsbrief en geeft haar die bij haar vertrek mee; of de man die als tweede met haar is getrouwd, komt te overlijden. 4In zo’n geval mag de eerste man, die van haar gescheiden is, haar niet opnieuw tot vrouw nemen, nu zij voor hem onrein geworden is. Want de HEER verafschuwt zulke dingen. Wanneer u zoiets doet, werpt u een smet op het land dat de HEER, uw God, u in eigendom zal geven.

5

24:5
Deut. 20:7
Als een man pas een vrouw heeft getrouwd, hoeft hij niet onder de wapens te gaan of enige dienst in het leger te verrichten. Hij is een jaar lang vrijgesteld en mag thuisblijven om zijn vrouw gelukkig te maken.

6Het is verboden een handmolen of een maalsteen in pand te nemen, want daarmee neemt u iemands leven in pand.

7

24:7
Ex. 21:16
Als wordt ontdekt dat iemand een van zijn volksgenoten, een Israëliet, heeft ontvoerd en hem als slaaf behandelt of verkoopt, moet die mensendief ter dood gebracht worden. Zo moet u het kwaad dat zich bij u aandient in de kiem smoren.

8

24:8
Lev. 13:1-14:57
In geval van huidvraat dient u de aanwijzingen die u van de Levitische priesters krijgt nauwgezet op te volgen; houd u precies aan wat ik hun heb voorgeschreven. 9
24:9
Num. 12:10-15
Bedenk wat de HEER, uw God, tijdens uw tocht uit Egypte met Mirjam heeft gedaan.

10Wanneer u iemand het een of ander leent, mag u niet zijn huis binnengaan om het onderpand op te halen. 11U moet buiten wachten tot degene aan wie u de lening geeft met het onderpand naar buiten komt. 12

24:12-13
Ex. 22:25-26
24:12
Job 22:6
En als hij zo arm is dat hij zijn overkleed moet afstaan, mag u zich daar niet ’s nachts mee toedekken. 13Voor zonsondergang moet u hem zijn onderpand terugbrengen, zodat hij onder zijn eigen overkleed kan slapen. Hij zal u dan de zegen van de HEER, uw God, toewensen, en de HEER zal het u ten goede aanrekenen.

14

24:14
Lev. 19:13
Mal. 3:5
Een dagloner, die het al moeilijk genoeg heeft, mag u niet uitbuiten, of het nu iemand van uw eigen volk betreft of een vreemdeling die in een van uw steden woont. 15
24:15
Jer. 22:13
U moet hem nog dezelfde dag, voor zonsondergang, uitbetalen; want hij is arm en het gaat hem juist om dat loon. Anders zal hij de HEER zijn nood klagen, en dan zal u wat u hem hebt aangedaan als zonde worden aangerekend.

16

24:16
2 Kon. 14:6
2 Kron. 25:4
Jer. 31:29-30
Ezech. 18:20
Ouders mogen niet ter dood gebracht worden om wat hun kinderen hebben misdaan, en kinderen niet om de misdaden van hun ouders; alleen om wat iemand zelf misdaan heeft, mag hij ter dood gebracht worden.

17

24:17-18
Ex. 22:20-21
23:9
Lev. 19:33-34
24:17
Deut. 27:19
U moet de rechten van vreemdelingen en wezen eerbiedigen; van weduwen mag u het overkleed niet in pand nemen. 18
24:18
Deut. 15:15
Bedenk dat u zelf slaaf bent geweest in Egypte totdat de HEER, uw God, u heeft bevrijd. Daarom gebied ik u zo te handelen.

19

24:19-21
Lev. 19:9-10
24:19
Lev. 23:22
Ruth 2:2
Wanneer u bij de graanoogst op de akker een schoof vergeet, mag u niet teruggaan om die op te halen. Laat hem achter voor de vreemdelingen, weduwen en wezen. De HEER, uw God, zal u erom zegenen in alles wat u onderneemt. 20En wanneer u bij de olijvenoogst tegen de takken slaat, mag u achteraf niet nagaan of u wel alles hebt. De rest is voor de vreemdelingen, weduwen en wezen. 21En wanneer u bij de wijnoogst druiven plukt, mag u niet alles nog eens nalopen. De rest is voor de vreemdelingen, weduwen en wezen. 22Bedenk dat u zelf slaaf bent geweest in Egypte. Daarom gebied ik u zo te handelen.

25

251Wanneer twee mannen een geschil hebben en ermee naar de rechter gaan, en in het vonnis wordt de een vrijgesproken en de ander veroordeeld, 2dan moet de rechter de schuldige, als die tot stokslagen veroordeeld is, op de grond laten neerleggen en hem in zijn bijzijn het aantal slagen laten toedienen dat past bij het misdrijf. 3

25:3
2 Kor. 11:24
Ten hoogste veertig stokslagen mogen hem gegeven worden, niet meer. Anders wordt er geen maat gehouden, en zou een volksgenoot voor uw ogen zijn eer verliezen.

4

25:4
1 Kor. 9:9
1 Tim. 5:18
U mag een rund bij het dorsen niet muilkorven.

5Wanneer twee broers bij elkaar wonen en een van hen sterft zonder dat hij een zoon heeft, dan mag zijn weduwe niet de vrouw worden van iemand buiten de familie. Haar zwager moet met haar slapen; hij moet haar tot vrouw nemen en de zwagerplicht tegenover haar vervullen. 6

25:6
Gen. 38:8
Mat. 22:24
Marc. 12:19
Luc. 20:28
De eerste zoon die zij baart geldt dan als zoon van zijn gestorven broer, opdat diens naam onder het volk van Israël zal voortleven. 7Maar als de man weigert met zijn schoonzuster te trouwen, dan moet zij naar de stadsoudsten in de poort gaan en zeggen: ‘Mijn zwager wil geen nageslacht voor zijn broer verwekken. Hij weigert zijn zwagerplicht tegenover mij te vervullen.’ 8Dan moeten de stadsoudsten hem erop aanspreken. Als hij blijft bij zijn weigering om met zijn schoonzuster te trouwen, 9moet zij ten overstaan van de oudsten op hem afgaan, hem zijn sandaal uittrekken en hem in zijn gezicht spugen, waarbij ze hem toevoegt: ‘Zo vergaat het de man die zijn broer nageslacht onthoudt.’ 10
25:10
Ruth 4:7-8
En bij de Israëlieten zal zijn familie bekendstaan als de familie Zonderschoen.

11Als twee mannen aan het vechten zijn en de vrouw van een van hen mengt zich erin om haar man te helpen en grijpt de ander bij zijn schaamdelen, 12dan moet zonder pardon haar hand worden afgehakt.

13

25:13-14
Amos 8:5
25:13
Lev. 19:35-36
Spr. 20:10
Ezech. 45:10
U mag niet twee verschillende gewichten, waarvan er één te zwaar of te licht is, in uw buidel hebben. 14En u mag ook niet twee verschillende maatkannen, waarvan er één te groot of te klein is, in huis hebben. 15U moet het doen met één gewicht en één maatkan die zuiver en geijkt zijn. Dan wordt u gezegend met een lang leven in het land dat de HEER, uw God, u geven zal. 16Want de HEER heeft een afschuw van iedereen die oneerlijk zaken doet.

17Vergeet niet wat de Amalekieten u hebben aangedaan tijdens uw tocht uit Egypte. 18Toen u uitgehongerd en uitgeput was hebben ze gewetenloos, zonder enig ontzag voor God, de achterhoede overvallen, waar de zwaksten zich bevonden. 19

25:19
Ex. 17:8-14
1 Sam. 15:2-9
Vergeet het niet! En wanneer straks de HEER, uw God, u vrede heeft gegeven in het land dat u als grondgebied van hem krijgt, door u te verlossen van de vijanden die u omringen, zorg er dan voor dat niets op aarde nog aan het volk van Amalek herinnert.

Door deze website verder te gebruiken ga je akkoord met plaatsing en gebruik van cookies door het NBG en derden conform onze privacyverklaring.[bericht verbergen]