Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
3

31Almachtige Heer, God van Israël, in onze nood roepen wij u ten einde raad aan. 2Luister naar ons, Heer, heb medelijden, want wij hebben tegen u gezondigd. 3

3:3
Ps. 29:10
Klaagl. 5:19
Immers, u bent rechter voor eeuwig – wij gaan voor eeuwig ten onder. 4Almachtige Heer, God van Israël, luister naar het gebed van Israël dat meer dood dan levend is, luister naar de nakomelingen van hen die tegen u gezondigd hebben en die niet naar de Heer, hun God, hebben geluisterd, waardoor wij nu gebukt gaan onder tegenspoed. 5Vergeet toch het wangedrag van ons voorgeslacht, houd nu uw eigen macht en goede naam voor ogen; 6want u bent onze God, Heer, u zullen wij vereren. 7U hebt ons immers ontzag ingeboezemd opdat we uw naam zouden aanroepen. Wij zullen u in ons ballingsoord vereren, want we betreuren het wangedrag van onze voorouders, die tegen u gezondigd hebben.

8

3:8
Bar. 2:4
Zie toch hoe wij nu lijden in het ballingsoord waarheen u ons verdreven hebt; we worden bespot en vervloekt en moeten boeten wegens het wangedrag van onze voorouders, die de Heer, onze God, hebben verlaten.”’

De weg naar de wijsheid

9

3:9
Deut. 6:4
Spr. 4:20-22
Luister, Israël, naar de geboden die leven beloven,

hoor aandachtig en ontdek wat inzicht is.

10Wat is er gebeurd, Israël,

dat je nu in het land van je vijanden leeft,

je oude dag op vreemde bodem slijt

11en onrein bent geworden als een dode,

alsof ook jij in het dodenrijk woont?

12

3:12
Jer. 2:13
Sir. 1:5
Je hebt de bron van de wijsheid verlaten.

13

3:13
Jes. 48:18
Als je was gebleven op de weg die God je wees

had je voor altijd in vrede geleefd.

14

3:14
Spr. 3:2
8:14
Leer waar inzicht is, waar kracht,

waar begrip is, dat kennis verschaft,

waar leven is, een lang leven,

waar licht is voor de ogen, en vrede.

15

3:15
Job 28:12,20
Wie kan de woonplaats van de wijsheid vinden?

Wie is in haar schatkamers doorgedrongen?

16

3:16
Jer. 27:6
Judit 11:7
Waar zijn de leiders van de volken,

zij die macht hebben over de dieren,

17zich vermaken met de vogels,

en zilver en goud vergaren,

schatten waarop mensen bouwen –

aan al dat vergaren komt nooit een eind;

18waar zijn zij die belust zijn op geld, hun grootste zorg –

van al hun moeite blijft niets over.

19Verdwenen zijn ze, afgedaald in het dodenrijk;

anderen namen hun plaatsen in.

20Een nieuw geslacht kwam de aarde bevolken,

maar de weg naar de kennis vonden ze niet,

21haar paden bleven voor hen verborgen;

ze taalden niet naar wijsheid.

En hun nageslacht is nog verder afgedwaald.

22Ook in Kanaän werd niets van de wijsheid vernomen,

in Teman was ze evenmin bekend.

23

3:23
Gen. 25:12
Zelfs Hagars kinderen, overal op zoek naar kennis,

en de wereldwijze kooplieden van Merran en van Teman

en de dichters en anderen die inzicht zoeken,

zij vonden de weg naar de wijsheid niet,

ze hadden geen oog voor haar paden.

24Israël, hoe groot is Gods woning,

hoe uitgestrekt het gebied waarover God heerst:

25groot en oneindig, groots en onmeetbaar!

26

3:26
Gen. 6:4
Daar zijn ooit de giganten geboren,

de befaamde helden uit het verre verleden,

groot van gestalte, bedreven in de strijd.

27

3:27
1 Sam. 16:7
Maar hen heeft God niet uitgekozen,

aan hen heeft hij de weg naar de kennis niet onthuld.

28Door gebrek aan inzicht gingen zij ten onder,

hun dwaze gedrag bracht hen ten val.

29

3:29
Deut. 30:12
Wijsh. 9:4
Wie is naar de hemel opgestegen,

wie heeft de wijsheid van daar gehaald

en haar uit de wolken naar de aarde gebracht?

30Wie is de zee overgestoken

en heeft haar aan de overkant gevonden

en haar gekocht voor kostbaar goud?

31Niemand is er die haar wegen kent,

niemand die haar paden wil weten.

32

3:32
Job 28:23
Maar hij die alles weet, kent haar,

zijn inzicht heeft haar ontdekt.

Hij schiep de aarde voor eeuwig

en bevolkte haar met dieren.

33Hij stuurde het licht op weg, en het ging,

hij riep het, en het kwam, in diep ontzag.

34De sterren op wacht schitterden vreugdevol;

35

3:35
Job 38:35
Ps. 147:4
Jes. 40:26
hij riep, en ze antwoordden: ‘Hier zijn we,’

vol vreugde schitterend voor hun schepper.

36Hij is onze God!

Niemand kan zich met hem meten.

37

3:37
Ps. 147:19
Sir. 24:8-11
De weg naar de wijsheid had voor hem geen geheimen.

Hij gaf haar aan zijn dienaar Jakob,

aan Israël, die hij beminde;

38

3:38
Spr. 8:31
Wijsh. 9:10
Joh. 1:14
daarna verscheen ze op aarde

en verkeerde onder de mensen.

4

41

4:1
Spr. 1:32-33
8:35-36
Sir. 24:23
Zij is het boek van Gods geboden,

de wet die tot in eeuwigheid bestaat;

ze geeft leven aan ieder die bij haar blijft,

maar wie haar verlaten, zullen sterven.

2

4:2
Spr. 6:23
Keer terug, Jakob, houd vast aan haar,

kies de weg die naar haar lichtglans voert.

3Verlies je eer niet aan een ander,

sta je voorrecht niet af aan een vreemd volk.

4

4:4
Deut. 4:8,32-37
Ps. 147:19-20
Wijsh. 9:18
Laten wij ons gelukkig prijzen, Israël,

want ons is bekend wat God behaagt!

Jeruzalems klacht en Gods troost

5Verlies de moed niet, mijn volk, een schim nog maar van Israël.

6

4:6
Jes. 50:1
52:3
Je bent aan vreemde volken verkocht, maar niet om ten onder te gaan.

Je bent aan je vijand uitgeleverd omdat je Gods woede hebt gewekt.

7

4:7
Deut. 32:15-18
Want jullie daagden je schepper uit:

niet hem, maar demonen bood je offers aan.

8

4:8
Deut. 32:5,10
Jes. 1:2
Hem die je koesterde, vergat je: de eeuwige God;

ook haar die je grootbracht deed je verdriet: Jeruzalem.

9Toen zij zag hoe Gods toorn zich tegen jullie keerde,

sprak zij:

‘Luister naar mijn klacht, buurvrouwen van Sion:

God gaf mij een groot verdriet te dragen.

10Ik moest de verbanning aanzien van mijn zonen en dochters,

het onheil dat de Eeuwige over hen bracht.

11Met vreugde bracht ik mijn kinderen groot,

maar jammerend van verdriet moest ik hen laten gaan.

12

4:12
Klaagl. 1:1-2
Laat niemand zich vrolijk maken over mij,

een weduwe, door iedereen verlaten,

vereenzaamd vanwege de zonden van mijn kinderen.

Want zij hebben zich van Gods wet vervreemd:

13ze hebben zijn voorschriften versmaad,

zijn geboden naast zich neergelegd;

ze lieten zich niet leiden door het onderricht in Gods recht.

14Kom toch bij mij, buurvrouwen van Sion,

en gedenk de verbanning van mijn zonen en dochters,

het onheil dat de Eeuwige over hen bracht.

15

4:15
Deut. 28:49-50
Jer. 5:15
6:22-23
Hij leverde hen uit aan een volk van ver,

een volk, onverstaanbaar en onbeschaamd,

dat voor oude mensen geen eerbied kende,

met kinderen geen medelijden had.

16Het ontnam de weduwe haar geliefde zonen,

het beroofde de alleenstaande van haar dochters.

17Maar ik, ach, wat kan ik nog voor jullie doen?

18Alleen hij die dit onheil over je bracht

kan je bevrijden uit de greep van je vijand.

19Ga dan maar, mijn kinderen, ga maar,

ik blijf hier eenzaam achter.

20Ik heb het kleed van de voorspoed uitgedaan,

mij gehuld in het rouwgewaad van mijn smeekgebed:

ik zal de Eeuwige aanroepen zolang ik leef.

21Verlies de moed niet, mijn kinderen, roep God aan,

hij zal je bevrijden uit de harde greep van je vijand.

22Ik verwachtte jullie redding van de Eeuwige

en hij gaf mij weer vreugde, de Heilige,

want spoedig betoont hij barmhartigheid aan jullie,

hij, die jullie eeuwige redder is.

23

4:23
Jer. 31:12-13
Jammerend van verdriet moest ik jullie laten gaan,

maar juichend van vreugde krijg ik jullie voor eeuwig van God terug.

24

4:24
Jes. 60:1-3
Zoals de buurvrouwen van Sion jullie verbanning zagen,

zo zien zij straks hoe de Eeuwige jullie redt

met vertoon van zijn luisterrijke macht.

25

4:25
Jes. 51:23
Kinderen, draag geduldig de toorn van God die op je rust.

De vijand heeft jullie in het nauw gedreven,

maar spoedig zul je zijn ondergang zien,

hem op de knieën dwingen.

26Mijn broze kinderen moesten een zware weg gaan,

weerloze schapen, ten prooi aan de roofzuchtige vijand.

27Verlies de moed niet, mijn kinderen, roep God aan;

hij die jullie in nood bracht, zal jullie niet vergeten.

28

4:28
Deut. 4:29
Zoals jullie je inspanden om van God af te dwalen,

zo moeten jullie, tot inkeer gekomen,

met tienvoudige inzet hem weer zoeken.

29Want hij die dit kwaad over je bracht

zal je ook redden en je eeuwige vreugde schenken.’

30Blijf moed houden, Jeruzalem,

bij hem die jou je naam gaf vind je troost.

31Maar wee degenen die jou kwaad berokkenden,

die zich vrolijk maakten over je val;

32wee de steden die je kinderen tot slaven maakten,

wee de stad die hen binnen haar muren sloot.

33Want zoals zij zich vrolijk maakte over je val

en plezier had om jouw tegenspoed,

zo zal zij treuren over haar eenzaamheid.

34Ik ontneem haar de vreugde van haar inwonertal,

haar trots zal omslaan in verdriet.

35

4:35
Jes. 34:9-10,14
Langdurig zal de Eeuwige vuur op haar doen neerkomen,

demonen zullen er huizen, voor lange tijd.

36

4:36-37
Jes. 60:4-5
Jeruzalem, richt je blik naar het oosten,

zie welke vreugde God je brengt:

37

4:37
Jes. 49:12
kijk, daar komen je kinderen, die je moest laten gaan!

Uit alle windstreken bijeengeroepen door de Heilige

komen ze, zich verheugend over Gods macht.

5

51

5:1
Jes. 52:1
Jeruzalem, leg het gewaad van je verdriet en je lijden af

en hul je voorgoed in de waardigheid van Gods majesteit;

2

5:2
Jes. 61:10
sla de mantel van Gods gerechtigheid om

en zet de kroon van de luister van de Eeuwige op je hoofd.

3God zal je laten schitteren voor heel de wereld;

4voor eeuwig luidt de naam die God je geeft:

‘Vrede door gerechtigheid’, ‘Luister door vroomheid’.

5Richt je op, Jeruzalem, ga staan op de berg,

richt je blik naar het oosten en zie je kinderen,

uit alle windstreken bijeengeroepen door de Heilige,

zich verheugend over Gods trouw.

6

5:6
Jes. 49:22
60:4
Mat. 8:11
Te voet gingen ze bij je vandaan, meegevoerd door de vijand,

maar vorstelijk is hun intocht, nu God hen bij je terugbrengt.

7

5:7
Jes. 40:3-4
42:16
Hij gebood elke hoge berg en iedere aloude heuvel

hun hoogte te slechten, en elk ravijn zich te vullen,

opdat de aarde geëffend zou worden

en Israël, door Gods macht, met vaste tred kan gaan.

8

5:8
Jes. 41:19
De bossen en alle geurige bomen bieden

op Gods bevel aan Israël hun schaduw.

9God zal Israël met vreugde leiden

bij het licht van zijn luister,

onder betoon van zijn barmhartigheid en gerechtigheid.