Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
6

61Wee jullie, zorgelozen in Sion, argelozen op de berg van Samaria, leiders van dit uitverkoren volk, tot wie de Israëlieten zich wenden! 2Trek naar Kalne en bekijk het goed; ga van daar naar het grote Hamat, ga dan terug naar Gat waar de Filistijnen wonen – zijn jullie sterker dan die koninkrijken of is hun gebied juist groter dan dat van jullie? 3Wee jullie die denken dat de onheilsdag nog ver is en die zelf de heerschappij van het geweld dichterbij brengen. 4

6:4
Amos 3:15
Jullie liggen maar op je ivoren bedden, hangen op je divans, eten lammeren uit de kudde en kalveren uit de stal. 5Luidkeels zingen jullie bij de harp, en jullie denken te spelen als David zelf. 6Uit grote schalen drinken jullie wijn, en met de beste olie wrijven jullie je in, maar jullie lijden er niet onder dat Jozefs volk ten onder gaat. 7Daarom gaan jullie nu als eersten in ballingschap; het gefeest en geluier is voorbij.

8Dit zweert God, de HEER, bij zichzelf – zo spreekt de HEER, de God van de hemelse machten: Ik heb een afschuw van de hoogmoed van Jakobs volk, ik heb een afkeer van zijn burchten. Daarom zal ik Samaria en al zijn inwoners aan de vijand uitleveren, 9

6:9
Amos 2:14-16
en als er in een huis nog tien mensen overblijven, zullen zij sterven. 10Als iemand dan het lichaam van zijn verwant uit dat huis wegdraagt om het te verbranden, zal hij vragen aan degene die nog binnen is: ‘Is daar bij jou nog iemand over?’ ‘Nee,’ zal deze dan zeggen, ‘maar wees toch stil, en noem de naam van de HEER niet!’ 11De HEER hoeft immers maar een bevel te geven, of alle huizen, groot en klein, zullen tot puin worden geslagen.

12

6:12
Amos 5:7
Rennen paarden ooit over rotsen of wordt daar met runderen geploegd? En toch veranderen jullie het recht in gif, de vruchten van de gerechtigheid in alsem. 13Jullie verheugen je over de verovering van Lo-Debar,6:13 over de verovering van Lo-Debar – Voorgestelde lezing. MT: lelo davar, ‘over niets’. en jullie zeggen dat je op eigen kracht Karnaïm ingenomen hebt. 14Maar ik zal een volk op jullie afsturen, Israëlieten, – spreekt de HEER, de God van de hemelse machten – dat jullie in heel het land zal onderdrukken, vanaf Lebo-Hamat tot aan de wadi Araba.

7

Visioenen

71

7:1
Deut. 28:38
Joël 1:4
Dit heeft God, de HEER, mij laten zien: Ik zag hoe hij een zwerm sprinkhanen schiep net toen het nagras opkwam. (Dat is het gras dat opkomt nadat er voor de koning al gemaaid is.) 2En toen de sprinkhanen ook het laatste groen van het land wegvraten, zei ik: ‘HEER, mijn God, vergeef het volk van Jakob toch, hoe zou het dit kunnen overleven? Het is zo klein!’ 3Toen kreeg de HEER medelijden: ‘Het zal niet gebeuren,’ zei de HEER.

4Dit heeft God, de HEER, mij laten zien: Ik zag hoe God, de HEER, bevel gaf om het land met vuur te straffen. De vlammen verteerden het water in de diepte, en toen ze over het land sloegen 5zei ik: ‘HEER, mijn God, ik smeek u: houd op hiermee! Hoe zou het volk van Jakob dit kunnen overleven? Het is zo klein!’ 6Toen kreeg de HEER medelijden: ‘Ook dit zal niet gebeuren,’ zei God, de HEER.

7Dit heeft hij mij laten zien: Ik zag hoe de Heer op een loden muur stond met een loden voorwerp in zijn hand. 8En de HEER vroeg mij: ‘Wat zie je, Amos?’ Ik antwoordde: ‘Lood.’ Toen zei de Heer: ‘Een loden last zal ik mijn volk Israël opleggen, ik zal het niet langer sparen. 9

7:9
Deut. 12:2
2 Kon. 15:8-10
De offerhoogten van Isaaks volk zullen worden verwoest, de heiligdommen van Israël zullen in puin vallen, en ik zal het huis van Jerobeam treffen met het zwaard.’

10Toen stuurde Amasja, de priester van Betel, deze boodschap aan Jerobeam, de koning van Israël: ‘Amos hitst de Israëlieten tegen u op; het volk zal geen weerstand aan zijn woorden kunnen bieden. 11

7:11
Amos 5:27
6:7
9:4
Hij zegt dat u, Jerobeam, door het zwaard zult sterven en dat Israël van zijn grond zal worden verbannen.’ 12Daarna zei hij tegen Amos: ‘Ziener, verdwijn! Ga naar Juda en verdien daar je brood, ga daar maar profeteren. 13
7:13
1 Kon. 12:29
Hier in Betel mag je niet langer profeteren, want dit is het heiligdom van de koning, de tempel van het koninkrijk.’ 14Maar Amos antwoordde Amasja: ‘Ik ben helemaal geen profeet, en ook geen profetenleerling. Ik ben veeboer en vijgenteler. 15
7:15
2 Sam. 7:8
Maar de HEER heeft me van achter mijn schapen vandaan gehaald, en het is de HEER die tegen me heeft gezegd: “Ga naar mijn volk Israël en profeteer daar.” 16Luister daarom naar de woorden van de HEER. Jij zegt dat ik niet mag profeteren in Israël, geen profeet mag zijn voor Isaaks volk. 17
7:17
2 Kon. 17:24
Daarom – zegt de HEER – zal je vrouw in de stad als hoer moeten leven, zullen je zonen en dochters sterven door het zwaard en zal je land in stukken worden verdeeld. Jijzelf zult op onreine grond sterven en Israël zal van zijn grond worden verbannen.’

8

81Dit heeft God, de HEER, mij laten zien: Ik zag een mand met rijp fruit. 2

8:2
Op. 14:15-18
En de HEER vroeg mij: ‘Wat zie je, Amos?’ Ik antwoordde: ‘Een mand met rijp fruit.’ Toen zei de HEER: ‘Weldra zal de tijd rijp zijn, ik zal mijn volk Israël niet langer sparen. 3Op die dag zal er in de tempel alleen nog gejammer klinken,’ – spreekt God, de HEER – ‘overal liggen lijken, overal zijn ze neergeworpen. – Wees stil!’

4

8:4
Amos 2:6-8
4:1
Jullie die de armen kwaad willen berokkenen en uit zijn op de ondergang van de machtelozen van dit land, luister! 5
8:5
Deut. 25:13-14
Hos. 12:8
Micha 6:10-11
Jullie zeggen: ‘Wanneer is de dag van de nieuwemaan voorbij, zodat we weer koren kunnen verkopen? Wanneer de sabbat, zodat we weer graan kunnen verhandelen?’ Jullie maken de efa kleiner, jullie maken de sjekel zwaarder en jullie knoeien met de weegschaal. 6
8:6
Amos 2:6
Jullie kopen de zwakken voor een handvol zilver, de armen voor een paar sandalen, en jullie zeggen: ‘Ook het kaf verkopen we als graan!’ 7Nooit – en dit zweert de HEER op wie Jakobs volk zich laat voorstaan – zal ik een van jullie daden vergeten. 8
8:8
Amos 1:1
9:5
Daarom zal de aarde beven, en al wat erop leeft gaat in rouw gehuld. Ze zal in haar geheel omhoog komen, zoals de Nijl; ze zal kolken en weer wegzinken, zoals de rivier van Egypte. 9Op die dag – spreekt God, de HEER – zal ik op het middaguur de zon doen ondergaan, en het land verduisteren op klaarlichte dag. 10
8:10
Jes. 3:24
Jer. 6:26
Hos. 2:13
Zach. 12:10
Tob. 2:6
1 Mak. 9:41
Ik zal jullie feesten veranderen in rouw, jullie liederen in klaagzangen; om jullie heupen gord ik een rouwkleed, en jullie hoofden scheer ik kaal. Jullie zullen treuren als om de dood van een enig kind, en die dag zal eindigen in bitterheid.

11

8:11
Deut. 8:3
Weet dat de dagen komen – spreekt God, de HEER – dat ik het land zal laten hongeren. Het zal geen honger zijn naar brood of dorst naar water, maar honger naar de woorden van de HEER. 12
8:12
Hos. 5:6
Het volk zal zwerven van de ene zee naar de andere, en dwalen van het noorden naar het oosten om de woorden van de HEER te zoeken, maar ze zullen die niet vinden. 13Sterke jonge vrouwen en mannen zullen op die dag van dorst bezwijken. 14Zij die zweren bij de zonde van Samaria, bij de god van Dan en de pelgrimstocht naar Berseba, zij zullen vallen en niet meer opstaan.

Door deze website verder te gebruiken ga je akkoord met plaatsing en gebruik van cookies door het NBG en derden conform onze privacyverklaring.[bericht verbergen]