Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
5

51Luister naar mijn woorden, Israël, luister naar mijn klaaglied over jullie:

2Ze is gevallen, vrouwe Israël, ze zal niet meer opstaan,

verlaten ligt ze op haar land, en er is niemand die haar opricht.

3
5:3
Amos 3:12
Dit zegt God, de HEER, over Israël: De stad die met duizend man ten strijde trekt houdt er maar honderd over; de stad die met honderd man ten strijde trekt maar tien. 4Dit zegt de HEER tegen Israël: Zoek mij en leef! 5
5:5
Hos. 4:15
Amos 4:4
8:14
Ga niet naar Betel, kom niet in Gilgal, trek niet naar Berseba; Gilgal gaat in ballingschap en Betel wordt een plaats van onheil. 6Zoek de HEER en leef. Anders zal hij als een vuur woeden in het land van Jozef, de vlammen zullen Betel verteren, en er zal niemand zijn om te blussen. 7
5:7
Amos 6:12
Want jullie veranderen het recht in alsem en vertrappen de gerechtigheid.

8

5:8
Job 9:9
38:31
Amos 9:6
De maker van de Plejaden en van Orion,

hij die de diepe duisternis in morgenlicht verandert en de dag tot nacht verduistert,

hij die het water van de zee bijeenroept en het uitstort over de aarde –

zijn naam is HEER.

9Met zijn verwoestende bliksem treft hij de sterken, hun vestingen worden vernietigd.

10Jullie verachten hen die in de poort het recht verdedigen, jullie verafschuwen hen die de waarheid spreken. 11

5:11
Deut. 28:30-33
Micha 6:15
Sef. 1:13
Jullie vertrappen de zwakken en eisen een deel van hun graan op. Daarom: huizen van steen hebben jullie gebouwd, maar je zult er niet in wonen; prachtige wijngaarden hebben jullie geplant, maar je zult er geen wijn van drinken. 12Want ik weet hoe talrijk jullie misdaden zijn, hoe groot jullie zonden: jullie keren je tegen de onschuldigen, jullie ontvangen steekpenningen, jullie ontnemen de armen in de poort hun recht. 13Wie verstandig is zwijgt in deze tijd, want het is een kwade tijd.

14

5:14
Ps. 34:13-15
37:27
Amos 5:4
Zoek het goede, niet het kwade. Dan zullen jullie leven, en dan zal de HEER, de God van de hemelse machten, met jullie zijn, zoals jullie altijd zeggen. 15
5:15
Joël 2:14
Amos 3:12
Jona 3:9
Haat het kwade, heb het goede lief en zorg dat er recht gedaan wordt in de poort. Misschien zal dan de HEER, de God van de hemelse machten, genade schenken aan wie er overgebleven zijn van Jozefs volk. 16Daarom – zegt de HEER, de God van de hemelse machten, de Heer – zal er op alle pleinen worden gerouwd, in alle straten gejammerd; boeren worden opgeroepen om te weeklagen, klaagzangers om te rouwen, 17
5:17
Ex. 12:12
Amos 4:12
en ook in alle wijngaarden zal er worden gerouwd wanneer ik zelf in jullie midden rondga – zegt de HEER.

18

5:18
Jer. 13:16
Joël 2:1-2
Sef. 1:14-15
Wee degenen die verlangen naar de dag van de HEER! Wat zal hij jullie brengen, de dag van de HEER? Duisternis, geen licht. 19Zoals wanneer iemand die vlucht voor een leeuw, aangevallen wordt door een beer, en dan, als hij een huis binnenvlucht en met zijn hand tegen de muur leunt, gebeten wordt door een slang. 20De dag van de HEER zal duisternis zijn, en geen licht; aardedonker, zonder glans.

21

5:21
Hos. 6:6
Ik heb een afkeer van jullie feesten, ik wijs ze af, jullie samenkomsten verdraag ik niet. 22
5:22
Ps. 51:18
Jes. 1:11-14
Ik schep geen behagen in de brand- en graanoffers die jullie mij brengen; de vetgemeste beesten van jullie vredeoffers keur ik geen blik waardig. 23Bespaar mij het geluid van jullie liederen; de klank van jullie harpen wil ik niet horen. 24Laat liever het recht stromen als water, en de gerechtigheid als een altijd voortvloeiende beek.

25

5:25-27
Hand. 7:42-43
Israëlieten, hebben jullie mij die veertig jaar in de woestijn ooit zulke offers en gaven gebracht? 26Nu zullen jullie de beelden die jullie zelf gemaakt hebben – je koning Sakkut en je sterrengod Kewan5:26 Sakkut [...] Kewan – Voorgestelde lezing. MT: ‘Sikkoet [...] Kijjoen’. De klinkers i en oe in deze godennamen zijn die van het Hebreeuwse woord voor ‘gruwel’. – met je mee moeten dragen, 27want ik zal jullie in ballingschap voeren, tot voorbij Damascus. Dit zegt de HEER, wiens naam is: God van de hemelse machten.

6

61Wee jullie, zorgelozen in Sion, argelozen op de berg van Samaria, leiders van dit uitverkoren volk, tot wie de Israëlieten zich wenden! 2Trek naar Kalne en bekijk het goed; ga van daar naar het grote Hamat, ga dan terug naar Gat waar de Filistijnen wonen – zijn jullie sterker dan die koninkrijken of is hun gebied juist groter dan dat van jullie? 3Wee jullie die denken dat de onheilsdag nog ver is en die zelf de heerschappij van het geweld dichterbij brengen. 4

6:4
Amos 3:15
Jullie liggen maar op je ivoren bedden, hangen op je divans, eten lammeren uit de kudde en kalveren uit de stal. 5Luidkeels zingen jullie bij de harp, en jullie denken te spelen als David zelf. 6Uit grote schalen drinken jullie wijn, en met de beste olie wrijven jullie je in, maar jullie lijden er niet onder dat Jozefs volk ten onder gaat. 7Daarom gaan jullie nu als eersten in ballingschap; het gefeest en geluier is voorbij.

8Dit zweert God, de HEER, bij zichzelf – zo spreekt de HEER, de God van de hemelse machten: Ik heb een afschuw van de hoogmoed van Jakobs volk, ik heb een afkeer van zijn burchten. Daarom zal ik Samaria en al zijn inwoners aan de vijand uitleveren, 9

6:9
Amos 2:14-16
en als er in een huis nog tien mensen overblijven, zullen zij sterven. 10Als iemand dan het lichaam van zijn verwant uit dat huis wegdraagt om het te verbranden, zal hij vragen aan degene die nog binnen is: ‘Is daar bij jou nog iemand over?’ ‘Nee,’ zal deze dan zeggen, ‘maar wees toch stil, en noem de naam van de HEER niet!’ 11De HEER hoeft immers maar een bevel te geven, of alle huizen, groot en klein, zullen tot puin worden geslagen.

12

6:12
Amos 5:7
Rennen paarden ooit over rotsen of wordt daar met runderen geploegd? En toch veranderen jullie het recht in gif, de vruchten van de gerechtigheid in alsem. 13Jullie verheugen je over de verovering van Lo-Debar,6:13 over de verovering van Lo-Debar – Voorgestelde lezing. MT: lelo davar, ‘over niets’. en jullie zeggen dat je op eigen kracht Karnaïm ingenomen hebt. 14Maar ik zal een volk op jullie afsturen, Israëlieten, – spreekt de HEER, de God van de hemelse machten – dat jullie in heel het land zal onderdrukken, vanaf Lebo-Hamat tot aan de wadi Araba.

7

Visioenen

71

7:1
Deut. 28:38
Joël 1:4
Dit heeft God, de HEER, mij laten zien: Ik zag hoe hij een zwerm sprinkhanen schiep net toen het nagras opkwam. (Dat is het gras dat opkomt nadat er voor de koning al gemaaid is.) 2En toen de sprinkhanen ook het laatste groen van het land wegvraten, zei ik: ‘HEER, mijn God, vergeef het volk van Jakob toch, hoe zou het dit kunnen overleven? Het is zo klein!’ 3Toen kreeg de HEER medelijden: ‘Het zal niet gebeuren,’ zei de HEER.

4Dit heeft God, de HEER, mij laten zien: Ik zag hoe God, de HEER, bevel gaf om het land met vuur te straffen. De vlammen verteerden het water in de diepte, en toen ze over het land sloegen 5zei ik: ‘HEER, mijn God, ik smeek u: houd op hiermee! Hoe zou het volk van Jakob dit kunnen overleven? Het is zo klein!’ 6Toen kreeg de HEER medelijden: ‘Ook dit zal niet gebeuren,’ zei God, de HEER.

7Dit heeft hij mij laten zien: Ik zag hoe de Heer op een loden muur stond met een loden voorwerp in zijn hand. 8En de HEER vroeg mij: ‘Wat zie je, Amos?’ Ik antwoordde: ‘Lood.’ Toen zei de Heer: ‘Een loden last zal ik mijn volk Israël opleggen, ik zal het niet langer sparen. 9

7:9
Deut. 12:2
2 Kon. 15:8-10
De offerhoogten van Isaaks volk zullen worden verwoest, de heiligdommen van Israël zullen in puin vallen, en ik zal het huis van Jerobeam treffen met het zwaard.’

10Toen stuurde Amasja, de priester van Betel, deze boodschap aan Jerobeam, de koning van Israël: ‘Amos hitst de Israëlieten tegen u op; het volk zal geen weerstand aan zijn woorden kunnen bieden. 11

7:11
Amos 5:27
6:7
9:4
Hij zegt dat u, Jerobeam, door het zwaard zult sterven en dat Israël van zijn grond zal worden verbannen.’ 12Daarna zei hij tegen Amos: ‘Ziener, verdwijn! Ga naar Juda en verdien daar je brood, ga daar maar profeteren. 13
7:13
1 Kon. 12:29
Hier in Betel mag je niet langer profeteren, want dit is het heiligdom van de koning, de tempel van het koninkrijk.’ 14Maar Amos antwoordde Amasja: ‘Ik ben helemaal geen profeet, en ook geen profetenleerling. Ik ben veeboer en vijgenteler. 15
7:15
2 Sam. 7:8
Maar de HEER heeft me van achter mijn schapen vandaan gehaald, en het is de HEER die tegen me heeft gezegd: “Ga naar mijn volk Israël en profeteer daar.” 16Luister daarom naar de woorden van de HEER. Jij zegt dat ik niet mag profeteren in Israël, geen profeet mag zijn voor Isaaks volk. 17
7:17
2 Kon. 17:24
Daarom – zegt de HEER – zal je vrouw in de stad als hoer moeten leven, zullen je zonen en dochters sterven door het zwaard en zal je land in stukken worden verdeeld. Jijzelf zult op onreine grond sterven en Israël zal van zijn grond worden verbannen.’