Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
1

David rouwt over Saul en Jonatan

11

1:1
1 Sam. 30:1
Saul was gesneuveld en David had de Amalekieten verslagen en was al weer twee dagen terug in Siklag. 2
1:2
1 Sam. 4:12
Op de derde dag liet zich iemand uit het legerkamp van Saul aandienen. Hij had zijn kleren gescheurd en stof over zijn hoofd geworpen. Bij David gekomen, boog hij diep voorover. 3‘Waar komt u vandaan?’ vroeg David, en de man antwoordde: ‘Uit het legerkamp van Israël. Ik ben ontkomen.’ 4
1:4
1 Sam. 31:1-6
‘Wat is er dan gebeurd?’ vroeg David ongerust. ‘De soldaten moesten vluchten,’ vertelde hij. ‘Velen van hen zijn gesneuveld, en ook Saul en zijn zoon Jonatan zijn omgekomen.’ 5‘Hoe weet u zo zeker dat Saul en zijn zoon Jonatan dood zijn?’ vroeg David aan de boodschapper die hem dit was komen vertellen. 6‘Ik was heel toevallig op de Gilboa,’ antwoordde hij. ‘En daar stond Saul, leunend op zijn speer; de strijdwagens en ruiters hadden hem al bijna te pakken. 7Hij keek om, en toen hij mij zag, riep hij me bij zich. “Wat kan ik voor u doen, heer?” vroeg ik, 8en hij vroeg: “Wie ben jij?” “Ik ben een Amalekiet,” zei ik, 9en toen zei hij: “Kom hier en geef me de genadestoot. Want ik leef nog wel, maar de dood heeft mij al in zijn greep.” 10
1:10
2 Kon. 11:12
Dus ik ging naar hem toe en gaf hem de genadestoot, want ik begreep dat hij, nu de strijd verloren was, niet lang meer te leven had. Toen nam ik hem zijn hoofdband en zijn armband af om ze voor u mee te nemen, mijn heer.’ 11Hierop greep David zijn kleren en scheurde ze, en ook al zijn mannen deden dat. 12Ze rouwden, jammerden en vastten tot de avond viel voor Saul, zijn zoon Jonatan en het volk van de HEER, het volk van Israël, omdat zij in de strijd waren gesneuveld. 13David vroeg aan de boodschapper die hem dit alles was komen vertellen: ‘Waar komt uw familie vandaan?’ ‘Ik ben een Amalekiet,’ antwoordde hij. ‘Mijn vader is hier als vreemdeling komen wonen.’ 14
1:14
1 Sam. 26:9
Daarop vroeg David: ‘Hoe hebt u het gewaagd uw hand op te heffen tegen de gezalfde van de HEER, en hem te doden?’ 15Hij riep een van zijn dienaren bij zich en beval: ‘Kom hier, dood hem.’ En de dienaar stak hem dood, 16
1:16
2 Sam. 4:10
terwijl David zei: ‘U hebt uw dood aan uzelf te wijten, want u hebt uzelf met zoveel woorden beschuldigd door te zeggen: “Ik heb de gezalfde van de HEER de genadestoot gegeven.”’

17Toen hief David een klaaglied aan over Saul en zijn zoon Jonatan. 18

1:18
Joz. 10:13
Hij heeft gezegd dat alle Judeeërs dit lied, het Lied van de boog, moesten leren. Het staat opgetekend in het Boek van de oprechte:

19‘Als een gevelde hinde, Israël,

ligt jouw trots gesneuveld op je heuvels.

Ach, dat je helden moesten vallen!

20

1:20
Micha 1:10
Maak het niet bekend in Gat,

roep het niet rond in Askelon;

laat niet de Filistijnse vrouwen zich verheugen,

de dochters van die onbesnedenen niet juichen.

21Bergen van Gilboa, draag geen dauw meer,

duld geen regen op je hooggelegen velden:

daar ligt het heldenschild, vertrapt,

het schild van Saul, vergeten en verwaarloosd.

22

1:22
1 Sam. 14:47
Nooit keerde de boog van Jonatan terug

zonder het bloed van verslagenen, zonder het vet van helden;

het zwaard van Saul bleef nimmer onverzadigd.

23Saul en Jonatan, de geliefden en beminden,

bij leven niet te scheiden, en onafscheidelijk verbonden in de dood.

Sneller dan een arend waren ze, en sterker dan een leeuw.

24O dochters van Israël, treur om Saul!

Rijk bewerkt scharlaken gaf hij je te dragen,

door hem werd je getooid met sieraden van goud.

25Ach, dat de helden in de oorlog moesten vallen!

Jonatan ligt gesneuveld op de heuvels.

26Het verdriet verstikt me, Jonatan,

je was mijn broeder, en mijn beste vriend.

Jouw liefde was mij dierbaar, meer dan die van vrouwen.

27Ach, dat de helden moesten vallen,

dat jullie, wapens in de strijd van Israël, verloren moesten gaan!’

2

David gezalfd tot koning van Juda

21Enige tijd later wendde David zich tot de HEER en vroeg: ‘Zal ik naar Juda gaan?’ ‘Goed,’ antwoordde de HEER. ‘Naar welke stad zal ik gaan?’ vroeg David, en de HEER antwoordde: ‘Naar Hebron.’ 2

2:2
1 Sam. 25:41-43
Daarop trok David naar Hebron. Hij nam zijn beide vrouwen mee, Achinoam uit Jizreël en Abigaïl, de vroegere vrouw van Nabal uit Karmel, 3en ook zijn aanhangers met hun families. Zij allen vestigden zich in Hebron en de omliggende dorpen. 4
2:4
1 Sam. 31:11-13
De Judeeërs kwamen naar Hebron en zalfden David tot koning van Juda.

Men vertelde aan David dat Saul door de bevolking van Jabes in Gilead was begraven. 5David stuurde afgezanten naar Jabes in Gilead met de boodschap: ‘Wees gezegend door de HEER, omdat u trouw hebt bewezen aan uw heer Saul en hem begraven hebt. 6Moge de HEER u allen daarom goed behandelen en u trouw bewijzen. Ook ik wil u hierbij mijn vriendschap aanbieden. 7Wees dapper en houd moed, want ook al is uw heer Saul dood, het volk van Juda heeft nu mij tot hun koning gezalfd.’

8Intussen was Sauls zoon Isboset door Abner, de zoon van Ner en opperbevelhebber van Saul, naar Machanaïm gebracht 9en door hem uitgeroepen tot koning van Gilead, van Aser2:9 van Aser – Voorgestelde lezing ondersteund door de Targoem. MT: ‘van de Assuriet’. en Jizreël, van Efraïm en Benjamin, kortom, van heel Israël. 10Isboset was veertig jaar oud toen hij koning over Israël werd, en hij regeerde twee jaar. Maar Juda stond achter David. 11

2:11
2 Sam. 5:5
Vanuit Hebron regeerde David zeven jaar en zes maanden over Juda.

De slag bij Gibeon

12Abner, de zoon van Ner, trok met het leger van Sauls zoon Isboset uit Machanaïm op naar Gibeon. 13

2:13
1 Kron. 11:6
Ook Joab, de zoon van Seruja, was uitgerukt met het leger van David. Bij het waterbekken van Gibeon troffen ze elkaar, ieder aan een kant van het water. 14Abner zei tegen Joab: ‘Laten er kampvechters naar voren treden en met elkaar een tweegevecht houden.’ ‘Goed,’ antwoordde Joab. 15De kampvechters traden naar voren en werden geteld: twaalf voor Benjamin en Sauls zoon Isboset en twaalf van de mannen van David. 16Ieder greep zijn tegenstander bij de haren beet en stak hem zijn zwaard in zijn zij, zodat ze samen sneuvelden. Daarom wordt die plek in Gibeon Chelkat-Hassurim2:16 Chelkat-Hassurim – Chelkat-Hassurim kan worden vertaald als ‘veld van de scherpe punten’. genoemd.

17Meteen ontbrandde er een hevige strijd, waarin Abner met het leger van Israël door het leger van David werd verslagen. 18

2:18
1 Kron. 2:15-16
De drie zonen van Seruja waren er ook: Joab, Abisai en Asaël. Asaël kon lopen als een wilde gazelle. 19Hij zette de achtervolging op Abner in en bleef hem op de hielen zitten. 20Abner keek achterom en riep: ‘Ben jij het, Asaël?’ ‘Jazeker,’ antwoordde deze. 21Toen riep Abner: ‘Laat me toch met rust! Grijp liever een van de soldaten en pak hem zijn uitrusting af.’ Maar Asaël bleef hem op de hielen zitten. 22Nogmaals riep Abner: ‘Laat me met rust! Dwing me niet om je te doden, want dan zou ik je broer Joab niet meer recht in de ogen kunnen kijken.’ 23Maar toen Asaël hem nog altijd niet met rust wilde laten, stootte Abner hem met het achtereinde van zijn lans in de buik, zodat die aan de andere kant weer naar buiten kwam. Asaël viel neer en stierf ter plekke. Iedereen die langs de plaats kwam waar Asaël was gesneuveld, bleef stilstaan. 24Maar Joab en Abisai zetten de achtervolging van Abner voort, tot ze bij zonsondergang bij de heuvel Amma kwamen, tegenover Giach, op de weg naar de woestijn van Gibeon. 25De Benjaminieten sloten de gelederen achter Abner en stelden zich op de top van een heuvel op. 26Abner riep Joab toe: ‘Moet het zwaard dan blijven verslinden? Dat leidt toch alleen maar tot bittere ellende! Hoe lang zal het nog duren tot u uw mannen beveelt om hun broeders met rust te laten?’ 27‘Zo waar God leeft,’ antwoordde Joab, ‘als u niets had gezegd, hadden mijn mannen hun broeders vanmorgen gewoon laten gaan.’ 28Joab blies op de ramshoorn, waarop heel het leger halt hield. De achtervolging van Israël werd opgegeven en de strijd gestaakt. 29Abner trok de hele nacht met zijn leger door de Jordaanvallei. Ze staken de Jordaan over en gingen door de Bitron naar Machanaïm. 30Nadat Joab de achtervolging van Abner had gestaakt, verzamelde hij zijn troepen. Behalve Asaël bleken er nog negentien soldaten van David te zijn gesneuveld. 31Van het leger van Benjamin, de mannen van Abner, hadden Davids soldaten driehonderdzestig man gedood. 32Joab en zijn mannen namen Asaël mee om hem in Betlehem in het graf van zijn vader te begraven. Daarna liepen ze de hele nacht door, tot ze bij het aanbreken van de dag in Hebron aankwamen.

Door deze website verder te gebruiken ga je akkoord met plaatsing en gebruik van cookies door het NBG en derden conform onze privacyverklaring.[bericht verbergen]