Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
8

Judas verslaat Nikanor

81

8:1
2 Mak. 5:27
Judas Makkabeüs ging met zijn aanhangers in het geheim de dorpen af en deed een beroep op zijn volksgenoten. Hij mobiliseerde iedereen die trouw was gebleven aan het Joodse geloof en bracht zo zesduizend man op de been. 2Ze smeekten de Heer om medelijden te hebben met het volk, dat van alle kanten onderdrukt werd, zich het lot aan te trekken van de tempel, die door zondaars werd ontwijd, 3en zich te ontfermen over de stad, die haar ondergang tegemoet ging en met de grond gelijkgemaakt dreigde te worden. Ze smeekten hem om te luisteren naar het vergoten bloed dat om wraak riep, 4te denken aan de onschuldige kinderen die op gruwelijke wijze waren vermoord, en zijn afschuw kenbaar te maken over de lastering van zijn naam. 5
8:5
1 Mak. 3:1-9
Toen sloeg de woede van de Heer om in medelijden: zodra de Makkabeeër zijn leger in paraatheid bracht, was hij voor de vijandelijke troepen onoverwinnelijk. 6-7Hij overviel steden en dorpen bij verrassing, bij voorkeur beschermd door het nachtelijk duister, en stak ze in brand. Zo veroverde hij strategisch gunstige posities en joeg hij vele vijanden op de vlucht. Al snel werd zijn dapperheid wijd en zijd geroemd.

8

8:8-27
1 Mak. 3:38-4:25
8:8
2 Mak. 4:45
Filippus merkte dat Judas overwinning op overwinning boekte en zo steeds meer terrein won. Daarom schreef hij een brief aan Ptolemeüs, de gouverneur van Cele-Syrië en Fenicië, waarin hij hem verzocht de koning te steunen bij de handhaving van zijn bewind. 9Meteen belastte Ptolemeüs een van de meest vooraanstaande vertrouwelingen van de koning met deze opdracht, Nikanor, de zoon van Patroklus, en stuurde hem er met niet minder dan twintigduizend man uit allerlei verschillende volken op uit om het Joodse volk geheel uit te roeien. Gorgias, een ervaren veldheer, werd aangesteld om hem terzijde te staan. 10Nikanor bedacht dat hij Joodse krijgsgevangenen kon verkopen om met de opbrengst daarvan de schatting ten bedrage van tweeduizend talent te betalen die de koning aan de Romeinen moest afdragen. 11Niet vermoedend dat de Almachtige hem weldra zou straffen, nodigde hij meteen de kuststeden uit om Joodse slaven te kopen, waarbij hij negentig slaven aanbood voor één talent.

12Judas kwam erachter dat Nikanor een aanval beraamde. Zodra hij zijn aanhangers had verteld dat er een vijandelijk leger in aantocht was, 13

8:13
1 Mak. 3:56
maakten lafaards die niet geloofden in Gods gerechtigheid zich zo snel mogelijk uit de voeten. 14De overigen maakten al hun overgebleven bezittingen te gelde en smeekten de Heer of hij hen wilde redden van de goddeloze Nikanor, die hen al voor het treffen had verkocht, 15zo niet omwille van henzelf, dan toch omwille van de toezeggingen die hij hun voorouders had gedaan en omwille van zijn verheven en roemrijke naam, die hij aan hun volk verbonden had. 16De Makkabeeër verzamelde zijn troepen, zesduizend man in totaal, en spoorde hen aan om zich niet door de vijand in paniek te laten brengen en zich niet te laten ontmoedigen door de grote overmacht van de volken die hen zonder enige reden aanvielen, maar moedig de strijd met hen aan te binden. 17Daarbij moesten ze voor ogen houden welke brutale wandaad de vijand tegen de heilige plaats had bedreven, in wat voor ellende de vernederde stad was gestort en vooral hoe de traditionele levenswijze was ontwricht. 18
8:18
Ps. 20:8
‘De vijand immers stelt zijn vertrouwen in wapens en heldendaden,’ zei hij, ‘maar wij stellen ons vertrouwen in de almachtige God, die bij machte is niet alleen degenen die ons aanvallen, maar desnoods de hele wereld met één wenk te vernietigen.’ 19
8:19
2 Kon. 19:35
Jes. 37:36
Tob. 1:15
Daarna herinnerde hij zijn mannen eraan hoe ook hun voorouders hulp hadden gekregen. Zo noemde hij bijvoorbeeld de gebeurtenissen ten tijde van Sanherib, toen honderdvijfentachtigduizend man waren verslagen. 20Ook bracht hij de slag tegen de Galaten in Babylonië in herinnering. De Joden waren toen met achtduizend8:20 achtduizend – Andere handschriften lezen: ‘zesduizend’. man een leger van vierduizend in het nauw gedreven Macedoniërs bijgesprongen en hadden met hulp uit de hemel honderdtwintigduizend vijanden verslagen en een rijke buit veroverd.

21Nadat hij hun op deze manier moed had ingesproken en bij hen de bereidheid had gewekt te sterven omwille van wet en vaderland, verdeelde hij het leger in vier eenheden. 22Hij benoemde zijn broers Simon, Josefus en Jonatan elk tot bevelhebber over een eenheid van vijftienhonderd man, 23en stelde ook Eleazar aan. Ten slotte las hij de troepen voor uit het heilige boek, en toen opende hij, als aanvoerder van de eerste eenheid, de aanval op Nikanor, onder het slaken van de strijdkreet ‘God staat ons bij!’ 24Nu de Almachtige met hen meestreed, doodden ze meer dan negenduizend vijandelijke soldaten, brachten ze een groot aantal mannen van Nikanor ernstige verwondingen toe, en joegen ze de rest van de tegenstanders op de vlucht. 25

8:25
1 Mak. 3:41
Het geld van de handelaars die waren meegekomen om Joodse slaven te kopen, namen ze in beslag. Ze achtervolgden de vijand nog over geruime afstand, maar uiteindelijk werden ze door het tijdstip gedwongen de achtervolging te staken. 26Het zou namelijk niet lang meer duren voor de sabbat aanbrak, en daarom konden ze de achtervolging niet voortzetten. 27Nadat ze de wapens en de wapenrustingen van de gesneuvelde vijanden hadden verzameld, vierden ze de sabbat. Uitbundig loofden en prezen ze de Heer, die hen, als eerste blijk van zijn barmhartigheid, die dag beschermd had. 28Na de sabbat wezen ze een deel van de buit toe aan de slachtoffers van de vervolgingen en aan de weduwen en wezen, en de rest verdeelden ze onder elkaar en hun eigen kinderen. 29Daarna spraken ze gezamenlijk een smeekgebed uit, waarin ze de barmhartige Heer vroegen om zich nu geheel en al met zijn dienaren te verzoenen.

30

8:30
1 Mak. 5:6,34
Vervolgens bonden Judas en zijn mannen de strijd aan met de troepen van Timoteüs en Bakchides. Ze doodden meer dan twintigduizend van hun soldaten en maakten zich meester van hoog ommuurde vestingen. Opnieuw viel er een rijke buit te verdelen, die eerlijk gedeeld werd tussen de strijders enerzijds en de slachtoffers van de vervolgingen, de weduwen en wezen, en de oude mensen anderzijds. 31De buitgemaakte wapens werden verzameld en op veilige plaatsen opgeslagen, en de rest van de buit werd naar Jeruzalem overgebracht. 32De bevelhebber van Timoteüs’ troepen, een goddeloze man die de Joden veel leed had berokkend, werd ter dood gebracht. 33
8:33
2 Mak. 1:8
Terwijl in het hele land overwinningsfeesten werden gevierd, werden de mannen die de heilige poorten in brand gestoken hadden op de brandstapel terechtgesteld. Ook Kallistenes, die een gebouwtje was binnengevlucht, moest dit lot ondergaan, als terechte straf voor zijn verdorvenheid.

34

8:34-35
2 Mak. 8:23-24
De door en door verdorven Nikanor, die duizend8:34 duizend – Andere handschriften lezen: ‘drieduizend’. handelaars had uitgenodigd om Joden op te kopen, 35werd met de hulp van de Heer vernederd, uitgerekend door de mensen die hij het meest verachtte. Hij zag zich gedwongen zijn prachtige uitrusting af te leggen en heimelijk dwars door het binnenland weg te vluchten, als de eerste de beste weggelopen slaaf. Bij zijn aankomst in Antiochië was de totale vernietiging van zijn leger het enige waarop hij zich kon beroemen. 36Hoewel hij had toegezegd de schatting aan de Romeinen te voldoen uit de opbrengst van de verkoop van krijgsgevangenen uit Jeruzalem, moest hij nu berichten dat de Joden een medestrijder hadden en dat ze onkwetsbaar waren geworden omdat ze zich hielden aan de voorschriften die deze hun had opgelegd.

9

De dood van Antiochus Epifanes

91

9:1-29
1 Mak. 6:1-16
2 Mak. 1:11-17
In diezelfde tijd had Antiochus Perzië overhaast moeten verlaten. 2Hij was namelijk de stad Persepolis binnengevallen en had geprobeerd de tempel te plunderen en de stad in te nemen. Maar omdat de inwoners van de stad onmiddellijk naar de wapens hadden gegrepen, hadden ze Antiochus en zijn troepen verslagen en op de vlucht gejaagd, zodat hij op smadelijke wijze de terugtocht moest aanvaarden. 3In de buurt van Ekbatana kwam hem ter ore wat er met Nikanor, Timoteüs en hun manschappen gebeurd was. 4Buiten zichzelf van woede nam hij zich voor om ook de smaad die hem persoonlijk was aangedaan door degenen die hem op de vlucht gejaagd hadden, op de Joden te verhalen. Hij droeg zijn wagenmenner op zo snel mogelijk naar Jeruzalem te rijden, zonder onderweg halt te houden. In zijn overmoed kondigde hij aan dat hij meteen bij aankomst in Jeruzalem de stad zou veranderen in één Joods massagraf. Maar het hemelse oordeel was al over hem geveld. 5De alziende Heer, de God van Israël, trof hem met een ongeneeslijke en onzichtbare ziekte: Antiochus was nog niet uitgesproken, of hij werd overvallen door een stekende pijn in zijn buik en vlijmende inwendige krampen. 6Dat was een passende straf voor iemand die de ingewanden van talloze anderen met ongehoorde kwellingen had gefolterd. 7Toch liet hij zijn hoogmoed niet varen, integendeel, hij volhardde in zijn arrogantie. Razend van woede op de Joden maande hij zijn wagenmenner tot nog grotere spoed. Maar door de grote vaart werd Antiochus van de wagen geslingerd en hij kwam zo ongelukkig terecht dat al zijn ledematen op afschuwelijke wijze werden ontwricht. 8
9:8
Job 38:8-11
Ps. 65:7-8
Jes. 40:12
51:15
2 Mak. 5:21
Zo werd hij, die zojuist in zijn hoogmoedswaan nog meende dat hij de golven van de zee kon bedwingen en de bergen op een weegschaal kon wegen, ter aarde geworpen. Hij moest op een draagbaar worden gelegd, en iedereen kon zien wat de macht van God had aangericht: 9
9:9
Sir. 7:17
Hand. 12:23
uit de oogkassen9:9 uit de oogkassen – Andere handschriften lezen: ‘uit het lichaam’. van de schurk kropen wormen, zijn vlees viel van zijn botten terwijl hij nog leefde en hevige pijnen leed, en de stank van zijn ontbindende lichaam teisterde het hele leger. 10En vanwege deze ondraaglijke stank was niemand in staat om hem, die kort tevoren nog meende dat hij de sterren van de hemel kon plukken, te vervoeren.

11Eindelijk legde hij nu zijn onmetelijke hoogmoed af. Gebroken door de goddelijke gesel en gemarteld door niet aflatende pijnen kwam hij tot inzicht. 12Onpasselijk van de stank die hij zelf verspreidde zei hij: ‘Een sterfelijk mens moet zich aan God onderwerpen en zich niet zijn gelijke wanen.’ 13Ook beloofde de verdorven schurk aan de Heer – die echter geen medelijden meer met hem zou tonen – 14dat hij de heilige stad, waarheen hij in grote haast onderweg was geweest om haar met de grond gelijk te maken en in een massagraf te veranderen, vrij zou verklaren. 15Hij zou de Joden, over wie hij eerder had gezegd dat ze geen graf waardig waren maar met hun kinderen aan de vogels en de wilde dieren ten prooi zouden worden gelaten, voortaan even hoog achten als de Atheners. 16Hij zou de heilige tempel, die hij eerder had leeggeroofd, met wijgeschenken versieren, het tempelgerei in veelvoud teruggeven en de vaste kosten voor de offers uit eigen middelen betalen. 17En bovendien zou hij zelf Jood worden en overal waar mensen woonden gaan vertellen hoe groot de macht van God is.

18Toen de pijnen desondanks niet minder werden – God had hem immers rechtvaardig gestraft –, begon hij aan zijn toestand te wanhopen en schreef hij de Joden de nu volgende brief, die in de vorm van een smeekschrift was gesteld. De inhoud luidde aldus:

19‘Koning en veldheer Antiochus groet de Joden, zijn toegewijde burgers, en wenst hun veel voorspoed, gezondheid en vreugde. 20Wanneer u en uw kinderen in goede gezondheid verkeren en uw zaken naar wens gaan, breng ik God daarvoor mijn innige dank, want ik heb mijn hoop op de hemel gevestigd. 21Ik lig nu ziek te bed, en ik denk vol liefde terug aan de eer en welwillendheid die u mij hebt betoond. Omdat ik op mijn terugtocht uit Perzië door een ernstige ziekte ben getroffen, maak ik me zorgen om de veiligheid van mijn onderdanen. 22Hoewel ik de moed niet heb opgegeven en nog altijd hoop heb op herstel, 23wil ik het goede voorbeeld van mijn vader volgen. Die wees telkens als hij een veldtocht naar de landen ten oosten van de Eufraat ondernam een opvolger aan, 24zodat degenen die in het vaderland achterbleven zich niet ongerust hoefden te maken wanneer hem onverwachts iets overkwam of wanneer ze anderszins ongunstig bericht ontvingen. Het was dan immers bekend aan wie hij het landsbestuur had overgedragen. 25Bovendien is het mij niet ontgaan dat de vorsten van de ons omringende landen en de naaste buren van ons koninkrijk gespannen de loop van de gebeurtenissen afwachten en zullen toeslaan zodra zij hun kans schoon zien. Daarom heb ik mijn zoon Antiochus als koning aangewezen. Bij de meesten van u heb ik hem al vaker, wanneer ik overhaast naar de oostelijke provincies moest vertrekken, van harte aanbevolen. Ik heb hem een brief geschreven, waarvan ik de inhoud hieronder laat volgen. 26Ik verzoek u dringend de weldaden die ik u allen en ieder van u afzonderlijk bewezen heb, niet te vergeten en mij en mijn zoon goedgezind te blijven. 27Ik ben ervan overtuigd dat hij mijn voorbeeld zal volgen en u mild en menslievend tegemoet zal treden.’

28De moordenaar en godslasteraar Antiochus, die anderen verschrikkelijk had laten lijden, stierf ten slotte zelf ergens in de bergen in een vreemd land een ellendige dood, ten prooi aan de gruwelijkste pijnen. 29Zijn vertrouweling Filippus zorgde ervoor dat het lichaam van de koning werd teruggebracht. Zelf nam hij uit vrees voor Antiochus’ zoon de wijk naar Ptolemeüs Filometor in Egypte.

10

Reiniging van de tempel

101

10:1-8
1 Mak. 4:36-61
Judas Makkabeüs en zijn mannen namen, geleid door de Heer, de tempel en de stad weer in bezit. 2De altaren die door vreemdelingen op het marktplein waren neergezet, haalden ze omver, en ook de heiligdommen die daar waren gebouwd. 3Nadat ze de tempel hadden gereinigd, maakten ze een nieuw altaar. Ze sloegen nieuw vuur en brachten voor het eerst na twee jaar weer offers. Ook brandden ze wierook, verzorgden de lampen en legden weer toonbroden neer. 4Toen dit alles gedaan was, bogen ze diep voorover en smeekten de Heer om hen nooit meer met zulke rampen te overvallen, maar hen, wanneer ze ooit weer zouden zondigen, met mildheid te straffen en niet uit te leveren aan heidense barbaren. 5Op dezelfde dag van dezelfde maand dat deze door vreemdelingen was ontwijd, op 25 kislew, vond de reiniging van de tempel plaats. 6Vol vreugde vierden ze acht dagen lang feest, zoals dat ook voor het Loofhuttenfeest gebruikelijk is, en ze dachten eraan hoe ze nog maar kort geleden het Loofhuttenfeest hadden moeten vieren in holen in de rotsen, als dieren in het wild. 7Ze droegen met loof versierde stokken, groene twijgen en palmtakken en zongen lofliederen op hem die hen in staat had gesteld zijn huis te reinigen. 8Bij algemeen besluit werd bepaald dat het hele Joodse volk voortaan ieder jaar deze dagen zou vieren.

Judas overwint de Idumeeërs

9Hierboven is beschreven hoe de goddeloze Antiochus, ook bekend als Epifanes, de dood vond. 10

10:10
1 Mak. 6:17
Nu zullen we uiteenzetten wat er gebeurde onder zijn zoon Antiochus Eupator, waarbij we ons zullen beperken tot de oorlogen en de daaruit voortvloeiende ellende.

11Nadat Antiochus het koningschap van zijn vader had overgenomen, benoemde hij Lysias, gouverneur-generaal van Cele-Syrië en Fenicië, tot regent.

12Een zekere Ptolemeüs Makron was de eerste die zich het lot van de Joden aantrok en na al het hun aangedane onrecht een vreedzame oplossing probeerde te vinden. 13Om die reden werd hij door de vertrouwelingen van Eupator bij de koning aangeklaagd. Bovendien werd hij bij elke gelegenheid voor verrader uitgemaakt, omdat hij indertijd Cyprus, dat hem door Filometor was toevertrouwd, verlaten had en was overgelopen naar Antiochus Epifanes. Omdat het hem onmogelijk werd gemaakt zijn ambt waardig te bekleden, maakte hij een einde aan zijn leven door gif in te nemen.

14Gorgias werd aangesteld als bevelhebber in Idumea. Hij had een huurleger in dienst en greep iedere gelegenheid aan om oorlog te voeren tegen de Joden. 15

10:15-23
1 Mak. 5:1-8
Tegelijkertijd maakten ook de Idumeeërs zelf, die beschikten over gunstig gelegen vestingen, het de Joden lastig. Ze boden de vluchtelingen uit Jeruzalem onderdak en stelden alles in het werk om de oorlog te laten voortduren. 16Maar de manschappen van de Makkabeeër vroegen God in een smeekgebed of hij zich aan hun zijde wilde scharen en trokken op tegen de Idumese vestingen. 17In een krachtige aanval slaagden ze erin de vestingen te bezetten, alle verdedigers terug te slaan en iedereen die hun in handen viel af te slachten: ze doodden ruim twintigduizend man. 18Toch wisten niet minder dan negenduizend Idumeeërs, voorzien van alles wat nodig was om een beleg te doorstaan, zich te verschansen in twee bijzonder sterke torens. 19De Makkabeeër liet Simon, Josefus en Zacheüs achter met voldoende manschappen om deze torens te belegeren en trok zelf verder naar andere plaatsen, waar zijn aanwezigheid dringender vereist was. 20Maar de mannen van Simon waren zo belust op geld, dat ze een aantal Idumeeërs lieten gaan toen die hun een som van zeventigduizend drachmen aanboden. 21Toen dit de Makkabeeër ter ore kwam, riep hij zijn bevelhebbers bij zich en beschuldigde hen ervan dat ze hun eigen broeders hadden verkocht, want nu ze hun vijanden hadden laten gaan, zouden dezen zich weer tegen hen keren. 22Hij liet de verraders ter dood brengen en nam daarna onmiddellijk de beide torens in. 23Judas, die als veldheer slaagde in alles wat hij ondernam, liet in die vestingen meer dan twintigduizend mensen ombrengen.

Judas verslaat Timoteüs

24Timoteüs, die bij een eerdere gelegenheid door de Joden was verslagen, bracht een groot huurleger op de been en mobiliseerde de enorme ruiterij van Asia. Daarmee trok hij op tegen Judea, met de bedoeling dit gewapenderhand in te nemen. 25Bij zijn nadering wendden de mannen van de Makkabeeër zich in een smeekgebed tot God. Met stof op hun hoofd en gehuld in een boetekleed 26

10:26
Ex. 23:22
vielen ze voor het voetstuk van het altaar neer en vroegen God om medelijden met hen te hebben en, zoals de wet het zegt, voor hun vijanden een vijand te zijn en een tegenstander voor hun tegenstanders. 27Zodra ze dit gebed hadden uitgesproken, namen ze de wapens op en begaven ze zich een eind buiten de stad. Toen ze de vijand dicht genoeg genaderd waren, hielden ze halt. 28Meteen na zonsopgang werd de aanval van beide kanten geopend. Maar waar de ene partij niet alleen door haar moed verzekerd was van de goede afloop en de overwinning, maar ook door het vertrouwen dat ze in de Heer had gesteld, kon de andere partij zich slechts laten leiden door haar strijdlust. 29In het heetst van de strijd zagen de tegenstanders aan de hemel vijf schitterende ruiters op paarden met gouden teugels verschijnen, die zich aan het hoofd stelden van de Joodse troepen. 30Twee van hen namen10:30 Twee van hen namen – Andere handschriften lezen: ‘Zij namen’. de Makkabeeër tussen zich in, beschermden hem met hun eigen wapenrusting en maakten hem op die manier onkwetsbaar. De tegenstanders werden door hen bestookt met pijlen en bliksems, waardoor ze verblind raakten en volslagen in paniek op de vlucht sloegen. 31Twintigduizend vijfhonderd man voetvolk en zeshonderd ruiters werden gedood.

32

10:32-38
1 Mak. 13:43-48
Timoteüs zelf ontkwam naar de vestingstad Gezer, een bijzonder sterke burcht die onder bevel stond van Chereas. 33De mannen van de Makkabeeër belegerden vol enthousiasme vier dagen lang de burcht. 34Degenen die binnen zaten hadden zo veel vertrouwen in de sterkte van de vesting dat ze God lasterden en goddeloze taal uitsloegen. 35Bij het aanbreken van de vijfde dag waren twintig jongemannen uit de groep van de Makkabeeër door die godslasteringen zo tot het uiterste getergd dat ze blind van woede onverschrokken de muren bestormden en iedereen doodden die hun in handen kwam. 36Anderen maakten een omtrekkende beweging naar de achterkant van de vesting, legden vuren aan en staken de torens in brand, zodat de godslasteraars binnen levend verbrandden. Weer anderen ramden de poorten, zodat de rest van het leger de stad kon binnendringen en innemen. 37Timoteüs, die zich in een put had verborgen, werd gedood, evenals zijn broers Chereas en Apollofanes. 38Toen dit alles achter de rug was, loofden ze de Heer met liederen en lofprijzingen vanwege de grote weldaad die hij Israël had bewezen door hun de overwinning te schenken.

Door deze website verder te gebruiken ga je akkoord met plaatsing en gebruik van cookies door het NBG en derden conform onze privacyverklaring.[bericht verbergen]