Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
7

De marteldood van zeven broers en hun moeder

71

7:1
Jer. 15:9
Een andere keer werden zeven broers en hun moeder gearresteerd en op bevel van de koning met gesels en riemen gemarteld om hen te dwingen verboden varkensvlees te eten. 2Een van hen vroeg namens hen allen: ‘Waarom ondervraagt u ons? Wat wilt u van ons te weten komen? We zijn eerder bereid te sterven dan te breken met de tradities van onze voorouders.’ 3De koning ontstak in woede en gaf opdracht om grote ketels en pannen op het vuur te zetten. 4Zodra die goed heet waren geworden, liet hij bij degene die gesproken had zijn tong uitsnijden, de huid van zijn hoofd stropen, zoals dat bij de Skythen gebruikelijk is, en zijn handen en voeten afhakken – dit alles voor de ogen van zijn broers en zijn moeder. 5Daarna werd hij, of wat er van hem over was, op bevel van de koning in een pan op het vuur gezet en levend gebraden. Terwijl uit de braadpan een dikke walm opsteeg, spoorden de broers en hun moeder elkaar aan om de dood moedig onder ogen te zien: 6
7:6
Deut. 32:36
‘God, de Heer, ziet ons en zal zich zeker over ons ontfermen, zoals Mozes verklaard heeft in het lied waarin hij openlijk tegen Israël getuigt: “Over zijn dienaren zal hij zich ontfermen.”’

7Nadat de eerste broer op deze wijze om het leven was gekomen, werd de tweede voorgeleid om te worden vernederd. Ze stroopten zijn huid met haar en al van zijn hoofd en vroegen: ‘Zou je niet liever eten wat je wordt voorgezet, in plaats van je lichaamsdelen een voor een te laten pijnigen?’ 8‘Nee!’ antwoordde hij in zijn moedertaal, en daarom onderging hij dezelfde folteringen als zijn broer. 9

7:9
Dan. 12:2
Joh. 5:29
Zijn laatste woorden luidden: ‘Ellendeling! U beneemt ons nu wel het tegenwoordige leven, maar de koning van de wereld zal ons na onze dood tot een nieuw, eeuwig leven opwekken, omdat we omwille van zijn voorschriften gestorven zijn.’

10Daarna was de derde broer aan de beurt. Hij stak desgevraagd onmiddellijk zijn tong naar buiten, bood onverschrokken ook zijn handen aan 11en zei fier: ‘Uit de hemel heb ik ze gekregen, omwille van Gods voorschriften doe ik er afstand van, en van hem hoop ik ze weer terug te krijgen.’ 12De koning en zijn gevolg stonden versteld van de geestkracht van deze jongeman, die zich van de pijn niets leek aan te trekken.

13Toen ook hij dood was, lieten ze de vierde dezelfde gruwelijke martelingen ondergaan. 14

7:14
Dan. 12:2
Toen hij op het punt stond te bezwijken, zei hij: ‘De dood door mensenhanden wordt begerenswaardig door de hoop die God ons geeft: dat hij ons weer zal opwekken. Voor u echter zal er geen opstanding tot nieuw leven zijn.’

15Daarna werd de vijfde voorgeleid en gemarteld. 16

7:16-19
2 Mak. 5:17-20
6:12-16
Hij keek de koning aan en zei: ‘U kunt doen wat u wilt, omdat u macht hebt onder de mensen, ook al bent u sterfelijk. Maar denk niet dat ons volk door God verlaten is. 17
7:17
2 Mak. 9:5-6
Wacht maar, u zult zijn geweldige kracht nog wel ervaren wanneer hij u en uw nageslacht foltert!’

18Na hem was de zesde aan de beurt. Die zei vlak voor hij de geest gaf: ‘Maak u geen illusies. Wij hebben het aan onszelf te wijten dat we deze straf moeten ondergaan, omdat we tegen onze God gezondigd hebben. Daarom zijn deze verbijsterende dingen gebeurd. 19

7:19
2 Kron. 13:12
Hand. 5:39
Maar denk niet dat u vrijuit zult gaan, nu u het gewaagd hebt het op te nemen tegen God.’

20Nog bewonderenswaardiger was de moeder. Als iemand het verdient dat haar nagedachtenis in ere wordt gehouden, is zij het wel. In één dag tijd zag ze haar zeven zonen omkomen, maar ze doorstond het heldhaftig, omdat ze haar hoop op de Heer gevestigd hield. 21Vastberaden sprak ze ieder van hen bemoedigend toe, in hun moedertaal, haar vrouwelijke overwegingen kracht bijzettend met mannelijke koelbloedigheid: 22

7:22
Job 10:8-11
Ps. 139:13-15
Pred. 11:5
‘Hoe jullie in mijn buik ontstaan zijn, weet ik niet. Niet ik heb jullie de levensadem geschonken of de bestanddelen waaruit ieder van jullie bestaat tot een harmonisch geheel geordend. 23De schepper van de wereld, die aan de oorsprong staat van het ontstaan van de mens en die van alles het ontstaan heeft uitgedacht, zal jullie in zijn barmhartigheid de levensadem teruggeven, omdat jullie jezelf nu opofferen omwille van zijn voorschriften.’ 24Antiochus, in de veronderstelling dat zij zich minachtend over hem uitliet, dacht in haar stem een belediging aan zijn adres te beluisteren. Daarom deed hij, toen alleen de jongste nog was overgebleven, niet alleen met woorden een beroep op hem, maar verzekerde hem ook met plechtige eden dat hij hem rijk en gelukkig zou maken als hij de tradities van zijn voorouders zou afzweren. Hij zou hem dan in de kring van zijn vertrouwelingen opnemen en hem belangrijke functies toevertrouwen. 25Maar de jongeman ging hier niet op in. Daarop riep de koning de moeder erbij en spoorde haar aan de jongen aan zijn verstand te brengen dat hij door dit aanbod aan te nemen zijn leven kon redden. 26Hij drong zo lang aan dat ze zich ten slotte bereid verklaarde om met de jongen te spreken. 27Daarmee hield ze de wrede tiran echter voor de gek, want toen ze zich naar haar zoon overboog zei ze in hun moedertaal tegen hem: ‘Mijn jongen, heb medelijden met mij. Negen maanden heb ik je in mijn buik gedragen en drie jaar heb ik je gezoogd. Ik heb je opgevoed en grootgebracht tot wat je nu bent, en al die jaren heb ik je gekoesterd. 28Nu vraag ik je, mijn kind, kijk naar de hemel en de aarde en alles wat ze bevatten, en besef dat God dit alles niet gemaakt heeft uit iets dat al bestond, en weet dat ook de mensheid op dezelfde wijze ontstaan is. 29Wees niet bang voor die beul, maar laat zien dat je je broers waardig bent en aanvaard de dood, dan zal ik door Gods barmhartigheid jou en je broers terugkrijgen.’ 30Nauwelijks had ze dit gezegd, of de jongen riep uit: ‘Waar wacht u op? Ik gehoorzaam het bevel van de koning niet, ik gehoorzaam het bevel van de wet die Mozes onze voorouders heeft gegeven. 31En u, aanstichter van alle rampspoed die de Hebreeën treft, denk maar niet dat u aan de greep van God zult ontkomen. 32
7:32-38
2 Mak. 5:17-20
6:12-16
Wij lijden vanwege onze eigen zonden. 33De levende Heer is nu weliswaar woedend op ons en straft ons opdat we ons leven zullen beteren, maar hij zal zich ook weer met zijn dienaren verzoenen. 34Maar u, goddeloze en door en door verdorven schurk, u hebt geen enkele reden om trots te zijn en u te vleien met ijdele hoop, want u hebt uw hand opgeheven tegen de kinderen van de hemel 35en zult het oordeel van de almachtige, alziende God niet ontlopen. 36Mijn broers is krachtens het verbond met God na een kortstondig lijden het eeuwige leven ten deel gevallen, maar u zult voor uw hoogmoed door God worden veroordeeld tot een rechtvaardige straf. 37Net als mijn broers geef ik mijn lichaam en ziel prijs omwille van de tradities van onze voorouders. Ik smeek God dat hij zijn volk snel genadig mag zijn en dat hij u met kwellingen en plagen zal dwingen te erkennen dat alleen hij God is, 38zodat door toedoen van mij en mijn broers de toorn van de Almachtige, die ons volk terecht getroffen heeft, tot bedaren komt.’ 39Geprikkeld door deze beledigingen raakte de koning buiten zinnen van woede, en hij liet hem nog wreder folteren dan de anderen. 40Zo stierf ook hij zonder zich aan onreinheid schuldig gemaakt te hebben en in volkomen vertrouwen op de Heer. 41Als laatste, na haar zonen, stierf de moeder.

42Tot zover over de verplichte deelname aan heidense offermaaltijden en over de buitensporig wrede martelingen.

8

Judas verslaat Nikanor

81

8:1
2 Mak. 5:27
Judas Makkabeüs ging met zijn aanhangers in het geheim de dorpen af en deed een beroep op zijn volksgenoten. Hij mobiliseerde iedereen die trouw was gebleven aan het Joodse geloof en bracht zo zesduizend man op de been. 2Ze smeekten de Heer om medelijden te hebben met het volk, dat van alle kanten onderdrukt werd, zich het lot aan te trekken van de tempel, die door zondaars werd ontwijd, 3en zich te ontfermen over de stad, die haar ondergang tegemoet ging en met de grond gelijkgemaakt dreigde te worden. Ze smeekten hem om te luisteren naar het vergoten bloed dat om wraak riep, 4te denken aan de onschuldige kinderen die op gruwelijke wijze waren vermoord, en zijn afschuw kenbaar te maken over de lastering van zijn naam. 5
8:5
1 Mak. 3:1-9
Toen sloeg de woede van de Heer om in medelijden: zodra de Makkabeeër zijn leger in paraatheid bracht, was hij voor de vijandelijke troepen onoverwinnelijk. 6-7Hij overviel steden en dorpen bij verrassing, bij voorkeur beschermd door het nachtelijk duister, en stak ze in brand. Zo veroverde hij strategisch gunstige posities en joeg hij vele vijanden op de vlucht. Al snel werd zijn dapperheid wijd en zijd geroemd.

8

8:8-27
1 Mak. 3:38-4:25
8:8
2 Mak. 4:45
Filippus merkte dat Judas overwinning op overwinning boekte en zo steeds meer terrein won. Daarom schreef hij een brief aan Ptolemeüs, de gouverneur van Cele-Syrië en Fenicië, waarin hij hem verzocht de koning te steunen bij de handhaving van zijn bewind. 9Meteen belastte Ptolemeüs een van de meest vooraanstaande vertrouwelingen van de koning met deze opdracht, Nikanor, de zoon van Patroklus, en stuurde hem er met niet minder dan twintigduizend man uit allerlei verschillende volken op uit om het Joodse volk geheel uit te roeien. Gorgias, een ervaren veldheer, werd aangesteld om hem terzijde te staan. 10Nikanor bedacht dat hij Joodse krijgsgevangenen kon verkopen om met de opbrengst daarvan de schatting ten bedrage van tweeduizend talent te betalen die de koning aan de Romeinen moest afdragen. 11Niet vermoedend dat de Almachtige hem weldra zou straffen, nodigde hij meteen de kuststeden uit om Joodse slaven te kopen, waarbij hij negentig slaven aanbood voor één talent.

12Judas kwam erachter dat Nikanor een aanval beraamde. Zodra hij zijn aanhangers had verteld dat er een vijandelijk leger in aantocht was, 13

8:13
1 Mak. 3:56
maakten lafaards die niet geloofden in Gods gerechtigheid zich zo snel mogelijk uit de voeten. 14De overigen maakten al hun overgebleven bezittingen te gelde en smeekten de Heer of hij hen wilde redden van de goddeloze Nikanor, die hen al voor het treffen had verkocht, 15zo niet omwille van henzelf, dan toch omwille van de toezeggingen die hij hun voorouders had gedaan en omwille van zijn verheven en roemrijke naam, die hij aan hun volk verbonden had. 16De Makkabeeër verzamelde zijn troepen, zesduizend man in totaal, en spoorde hen aan om zich niet door de vijand in paniek te laten brengen en zich niet te laten ontmoedigen door de grote overmacht van de volken die hen zonder enige reden aanvielen, maar moedig de strijd met hen aan te binden. 17Daarbij moesten ze voor ogen houden welke brutale wandaad de vijand tegen de heilige plaats had bedreven, in wat voor ellende de vernederde stad was gestort en vooral hoe de traditionele levenswijze was ontwricht. 18
8:18
Ps. 20:8
‘De vijand immers stelt zijn vertrouwen in wapens en heldendaden,’ zei hij, ‘maar wij stellen ons vertrouwen in de almachtige God, die bij machte is niet alleen degenen die ons aanvallen, maar desnoods de hele wereld met één wenk te vernietigen.’ 19
8:19
2 Kon. 19:35
Jes. 37:36
Tob. 1:15
Daarna herinnerde hij zijn mannen eraan hoe ook hun voorouders hulp hadden gekregen. Zo noemde hij bijvoorbeeld de gebeurtenissen ten tijde van Sanherib, toen honderdvijfentachtigduizend man waren verslagen. 20Ook bracht hij de slag tegen de Galaten in Babylonië in herinnering. De Joden waren toen met achtduizend8:20 achtduizend – Andere handschriften lezen: ‘zesduizend’. man een leger van vierduizend in het nauw gedreven Macedoniërs bijgesprongen en hadden met hulp uit de hemel honderdtwintigduizend vijanden verslagen en een rijke buit veroverd.

21Nadat hij hun op deze manier moed had ingesproken en bij hen de bereidheid had gewekt te sterven omwille van wet en vaderland, verdeelde hij het leger in vier eenheden. 22Hij benoemde zijn broers Simon, Josefus en Jonatan elk tot bevelhebber over een eenheid van vijftienhonderd man, 23en stelde ook Eleazar aan. Ten slotte las hij de troepen voor uit het heilige boek, en toen opende hij, als aanvoerder van de eerste eenheid, de aanval op Nikanor, onder het slaken van de strijdkreet ‘God staat ons bij!’ 24Nu de Almachtige met hen meestreed, doodden ze meer dan negenduizend vijandelijke soldaten, brachten ze een groot aantal mannen van Nikanor ernstige verwondingen toe, en joegen ze de rest van de tegenstanders op de vlucht. 25

8:25
1 Mak. 3:41
Het geld van de handelaars die waren meegekomen om Joodse slaven te kopen, namen ze in beslag. Ze achtervolgden de vijand nog over geruime afstand, maar uiteindelijk werden ze door het tijdstip gedwongen de achtervolging te staken. 26Het zou namelijk niet lang meer duren voor de sabbat aanbrak, en daarom konden ze de achtervolging niet voortzetten. 27Nadat ze de wapens en de wapenrustingen van de gesneuvelde vijanden hadden verzameld, vierden ze de sabbat. Uitbundig loofden en prezen ze de Heer, die hen, als eerste blijk van zijn barmhartigheid, die dag beschermd had. 28Na de sabbat wezen ze een deel van de buit toe aan de slachtoffers van de vervolgingen en aan de weduwen en wezen, en de rest verdeelden ze onder elkaar en hun eigen kinderen. 29Daarna spraken ze gezamenlijk een smeekgebed uit, waarin ze de barmhartige Heer vroegen om zich nu geheel en al met zijn dienaren te verzoenen.

30

8:30
1 Mak. 5:6,34
Vervolgens bonden Judas en zijn mannen de strijd aan met de troepen van Timoteüs en Bakchides. Ze doodden meer dan twintigduizend van hun soldaten en maakten zich meester van hoog ommuurde vestingen. Opnieuw viel er een rijke buit te verdelen, die eerlijk gedeeld werd tussen de strijders enerzijds en de slachtoffers van de vervolgingen, de weduwen en wezen, en de oude mensen anderzijds. 31De buitgemaakte wapens werden verzameld en op veilige plaatsen opgeslagen, en de rest van de buit werd naar Jeruzalem overgebracht. 32De bevelhebber van Timoteüs’ troepen, een goddeloze man die de Joden veel leed had berokkend, werd ter dood gebracht. 33
8:33
2 Mak. 1:8
Terwijl in het hele land overwinningsfeesten werden gevierd, werden de mannen die de heilige poorten in brand gestoken hadden op de brandstapel terechtgesteld. Ook Kallistenes, die een gebouwtje was binnengevlucht, moest dit lot ondergaan, als terechte straf voor zijn verdorvenheid.

34

8:34-35
2 Mak. 8:23-24
De door en door verdorven Nikanor, die duizend8:34 duizend – Andere handschriften lezen: ‘drieduizend’. handelaars had uitgenodigd om Joden op te kopen, 35werd met de hulp van de Heer vernederd, uitgerekend door de mensen die hij het meest verachtte. Hij zag zich gedwongen zijn prachtige uitrusting af te leggen en heimelijk dwars door het binnenland weg te vluchten, als de eerste de beste weggelopen slaaf. Bij zijn aankomst in Antiochië was de totale vernietiging van zijn leger het enige waarop hij zich kon beroemen. 36Hoewel hij had toegezegd de schatting aan de Romeinen te voldoen uit de opbrengst van de verkoop van krijgsgevangenen uit Jeruzalem, moest hij nu berichten dat de Joden een medestrijder hadden en dat ze onkwetsbaar waren geworden omdat ze zich hielden aan de voorschriften die deze hun had opgelegd.

9

De dood van Antiochus Epifanes

91

9:1-29
1 Mak. 6:1-16
2 Mak. 1:11-17
In diezelfde tijd had Antiochus Perzië overhaast moeten verlaten. 2Hij was namelijk de stad Persepolis binnengevallen en had geprobeerd de tempel te plunderen en de stad in te nemen. Maar omdat de inwoners van de stad onmiddellijk naar de wapens hadden gegrepen, hadden ze Antiochus en zijn troepen verslagen en op de vlucht gejaagd, zodat hij op smadelijke wijze de terugtocht moest aanvaarden. 3In de buurt van Ekbatana kwam hem ter ore wat er met Nikanor, Timoteüs en hun manschappen gebeurd was. 4Buiten zichzelf van woede nam hij zich voor om ook de smaad die hem persoonlijk was aangedaan door degenen die hem op de vlucht gejaagd hadden, op de Joden te verhalen. Hij droeg zijn wagenmenner op zo snel mogelijk naar Jeruzalem te rijden, zonder onderweg halt te houden. In zijn overmoed kondigde hij aan dat hij meteen bij aankomst in Jeruzalem de stad zou veranderen in één Joods massagraf. Maar het hemelse oordeel was al over hem geveld. 5De alziende Heer, de God van Israël, trof hem met een ongeneeslijke en onzichtbare ziekte: Antiochus was nog niet uitgesproken, of hij werd overvallen door een stekende pijn in zijn buik en vlijmende inwendige krampen. 6Dat was een passende straf voor iemand die de ingewanden van talloze anderen met ongehoorde kwellingen had gefolterd. 7Toch liet hij zijn hoogmoed niet varen, integendeel, hij volhardde in zijn arrogantie. Razend van woede op de Joden maande hij zijn wagenmenner tot nog grotere spoed. Maar door de grote vaart werd Antiochus van de wagen geslingerd en hij kwam zo ongelukkig terecht dat al zijn ledematen op afschuwelijke wijze werden ontwricht. 8
9:8
Job 38:8-11
Ps. 65:7-8
Jes. 40:12
51:15
2 Mak. 5:21
Zo werd hij, die zojuist in zijn hoogmoedswaan nog meende dat hij de golven van de zee kon bedwingen en de bergen op een weegschaal kon wegen, ter aarde geworpen. Hij moest op een draagbaar worden gelegd, en iedereen kon zien wat de macht van God had aangericht: 9
9:9
Sir. 7:17
Hand. 12:23
uit de oogkassen9:9 uit de oogkassen – Andere handschriften lezen: ‘uit het lichaam’. van de schurk kropen wormen, zijn vlees viel van zijn botten terwijl hij nog leefde en hevige pijnen leed, en de stank van zijn ontbindende lichaam teisterde het hele leger. 10En vanwege deze ondraaglijke stank was niemand in staat om hem, die kort tevoren nog meende dat hij de sterren van de hemel kon plukken, te vervoeren.

11Eindelijk legde hij nu zijn onmetelijke hoogmoed af. Gebroken door de goddelijke gesel en gemarteld door niet aflatende pijnen kwam hij tot inzicht. 12Onpasselijk van de stank die hij zelf verspreidde zei hij: ‘Een sterfelijk mens moet zich aan God onderwerpen en zich niet zijn gelijke wanen.’ 13Ook beloofde de verdorven schurk aan de Heer – die echter geen medelijden meer met hem zou tonen – 14dat hij de heilige stad, waarheen hij in grote haast onderweg was geweest om haar met de grond gelijk te maken en in een massagraf te veranderen, vrij zou verklaren. 15Hij zou de Joden, over wie hij eerder had gezegd dat ze geen graf waardig waren maar met hun kinderen aan de vogels en de wilde dieren ten prooi zouden worden gelaten, voortaan even hoog achten als de Atheners. 16Hij zou de heilige tempel, die hij eerder had leeggeroofd, met wijgeschenken versieren, het tempelgerei in veelvoud teruggeven en de vaste kosten voor de offers uit eigen middelen betalen. 17En bovendien zou hij zelf Jood worden en overal waar mensen woonden gaan vertellen hoe groot de macht van God is.

18Toen de pijnen desondanks niet minder werden – God had hem immers rechtvaardig gestraft –, begon hij aan zijn toestand te wanhopen en schreef hij de Joden de nu volgende brief, die in de vorm van een smeekschrift was gesteld. De inhoud luidde aldus:

19‘Koning en veldheer Antiochus groet de Joden, zijn toegewijde burgers, en wenst hun veel voorspoed, gezondheid en vreugde. 20Wanneer u en uw kinderen in goede gezondheid verkeren en uw zaken naar wens gaan, breng ik God daarvoor mijn innige dank, want ik heb mijn hoop op de hemel gevestigd. 21Ik lig nu ziek te bed, en ik denk vol liefde terug aan de eer en welwillendheid die u mij hebt betoond. Omdat ik op mijn terugtocht uit Perzië door een ernstige ziekte ben getroffen, maak ik me zorgen om de veiligheid van mijn onderdanen. 22Hoewel ik de moed niet heb opgegeven en nog altijd hoop heb op herstel, 23wil ik het goede voorbeeld van mijn vader volgen. Die wees telkens als hij een veldtocht naar de landen ten oosten van de Eufraat ondernam een opvolger aan, 24zodat degenen die in het vaderland achterbleven zich niet ongerust hoefden te maken wanneer hem onverwachts iets overkwam of wanneer ze anderszins ongunstig bericht ontvingen. Het was dan immers bekend aan wie hij het landsbestuur had overgedragen. 25Bovendien is het mij niet ontgaan dat de vorsten van de ons omringende landen en de naaste buren van ons koninkrijk gespannen de loop van de gebeurtenissen afwachten en zullen toeslaan zodra zij hun kans schoon zien. Daarom heb ik mijn zoon Antiochus als koning aangewezen. Bij de meesten van u heb ik hem al vaker, wanneer ik overhaast naar de oostelijke provincies moest vertrekken, van harte aanbevolen. Ik heb hem een brief geschreven, waarvan ik de inhoud hieronder laat volgen. 26Ik verzoek u dringend de weldaden die ik u allen en ieder van u afzonderlijk bewezen heb, niet te vergeten en mij en mijn zoon goedgezind te blijven. 27Ik ben ervan overtuigd dat hij mijn voorbeeld zal volgen en u mild en menslievend tegemoet zal treden.’

28De moordenaar en godslasteraar Antiochus, die anderen verschrikkelijk had laten lijden, stierf ten slotte zelf ergens in de bergen in een vreemd land een ellendige dood, ten prooi aan de gruwelijkste pijnen. 29Zijn vertrouweling Filippus zorgde ervoor dat het lichaam van de koning werd teruggebracht. Zelf nam hij uit vrees voor Antiochus’ zoon de wijk naar Ptolemeüs Filometor in Egypte.