Nieuwe Bijbelvertaling (NBV)
1

Twee brieven aan de Joden in Egypte

11Van de Joden in Jeruzalem en Judea. Aan hun broeders en zusters, de Joden in Egypte. Wij wensen u alle goeds. 2

1:2
Ex. 2:24
Moge God u voorspoed schenken en het verbond dat hij met zijn trouwe dienaren Abraham, Isaak en Jakob heeft gesloten niet vergeten. 3Moge hij het hart van u allen met eerbied voor hem vervullen, zodat u zijn wil met vreugde en toewijding ten uitvoer kunt brengen. 4Moge hij uw hart ontvankelijk maken voor zijn wetten en geboden, en u vrede geven. 5Moge hij uw gebeden verhoren en zich met u verzoenen, en u in kwade tijden niet verlaten. 6Wij gedenken u hier in ons gebed.

7

1:7
2 Mak. 4:7
Al eerder, tijdens de regering van koning Demetrius, in het jaar 169,1:7 het jaar 169 – Dit staat gelijk aan het jaar 143 v.Chr. Alle jaartallen in dit boek zijn gerekend vanaf de troonsbestijging van de Griekse vorst Seleukus I, najaar 312 v.Chr. schreven wij Judeeërs u als volgt: ‘Het dieptepunt van de ellende die ons is overkomen sinds Jason en zijn aanhangers de zaak van het heilige land en het koninkrijk afvallig werden, is voorbij. 8De tempelpoort werd in brand gestoken en er werd onschuldig bloed vergoten, maar wij hebben tot de Heer gebeden en wij zijn verhoord. We hebben brandoffers en graanoffers gebracht, we hebben de lampen ontstoken en de toonbroden neergelegd.’ 9
1:9
1 Mak. 4:59
Vier daarom in de maand kislew het Loofhuttenfeest. 10Geschreven in het jaar 188.

Van de inwoners van Jeruzalem en Judea, de raad van oudsten en Judas. Aan Aristobulus, de leermeester van koning Ptolemeüs en behorend tot het geslacht van gezalfde priesters, en aan de Joden in Egypte. Wij groeten u en hopen dat u het goed maakt. 11Wij, die ons als het moet verzetten tegen het koninklijk gezag, danken God uitbundig, omdat hij ons uit grote gevaren heeft gered. 12Hijzelf heeft immers de vijandelijke legers uit de heilige stad verjaagd. 13Want toen de vorst met zijn schijnbaar onoverwinnelijke leger in Perzië was, werd hij met zijn gevolg in de tempel van de godin Nanea in stukken gehakt door haar priesters, die zich daartoe van een list bedienden. 14Antiochus was met zijn vertrouwelingen naar het heiligdom gekomen onder het voorwendsel dat hij met de godin in het huwelijk wilde treden, maar in feite was het hem erom te doen zich de tempelschat als bruidsschat toe te eigenen. 15De priesters van Nanea hadden de tempelschat uitgestald en Antiochus was met een klein gevolg de omsloten ruimte van het heiligdom binnengegaan. Zodra hij binnen was, sloten ze de tempel af. 16Toen openden ze een geheim luik in de zoldering en bekogelden hem met stenen, zodat hij verpletterd werd. Ze hakten de lijken in stukken en wierpen de hoofden naar degenen die buiten waren gebleven. 17Onze God, die de zondaars in het verderf heeft gestort, zij geloofd om alles wat hij doet.

18

1:18
Ezra 3:1-5
1 Mak. 4:52
2 Mak. 10:5
Op 25 kislew zullen wij de reiniging van de tempel vieren. We voelen ons verplicht u hiervan in kennis te stellen, opdat ook u het Loofhuttenfeest viert en het Feest van het vuur, dat is ingesteld toen Nehemia de tempel en het altaar had herbouwd en offers opdroeg.

19

1:19
2 Mak. 2:1
Immers, toen onze voorouders naar Perzië werden weggevoerd, namen vrome priesters heimelijk vuur van het altaar mee en verborgen het diep in een droogstaande put, waarvan ze de ligging voor iedereen zorgvuldig geheimhielden. 20Vele jaren later behaagde het God dat de koning van Perzië Nehemia liet terugkeren. Nehemia stuurde de nakomelingen van de priesters die het vuur verborgen hadden eropuit om het te halen. 21Die kwamen terug met de mededeling dat ze geen vuur hadden gevonden, maar wel drabbig water. Nehemia vroeg hun dat water te putten en het hem te brengen. Toen het offer in gereedheid was gebracht, beval Nehemia de priesters het hout en wat erop lag met het water te besprenkelen. 22Dat gebeurde, en toen na enige tijd de zon van achter de wolken tevoorschijn kwam, laaide er tot ieders verbazing een groot vuur uit het offer op. 23Terwijl het offer door de vlammen verteerd werd, droegen de priesters en de andere aanwezigen een gebed op. Jonatan ging voor in het gebed en de overigen, onder wie Nehemia, antwoordden. 24Dit gebed luidde aldus: ‘Heer, Heer, onze God, schepper van alle dingen, ontzagwekkend en sterk, rechtvaardig en barmhartig, u alleen bent koning, u alleen bent goed, 25u alleen geeft in overvloed. U bent de enige rechtvaardige, almachtig en eeuwig. U hebt Israël steeds uit de nood gered, u hebt onze voorouders uitverkozen en geheiligd. 26Aanvaard ons offer ten behoeve van heel uw volk Israël, behoed ons en heilig ons. 27
1:27
Deut. 30:3-5
Breng ons, die over de aarde zijn verstrooid, weer bijeen, bevrijd degenen die door vreemde volken tot slaven zijn gemaakt, zie om naar hen die veracht en verafschuwd worden, en laat zo de andere volken merken dat u onze God bent. 28Kwel degenen die ons onderdrukken en ons in hun overmoed geweld aandoen. 29
1:29
Ex. 15:17
Plant uw volk weer in uw heilige land, zoals Mozes beloofd heeft.’ 30Hierna zongen de priesters de lofliederen. 31Zodra de offergaven waren opgebrand, beval Nehemia het overgebleven water over grote stenen uit te gieten. 32Toen men dat deed, kwam er vanaf het altaar een lichtende steekvlam die het water in laaiend vuur deed opgaan.

33Het gerucht over wat er gebeurd was verspreidde zich. Ook aan de koning van Perzië werd bericht dat er op de plaats waar de weggevoerde priesters het vuur hadden verborgen, water tevoorschijn was gekomen, en dat Nehemia en zijn mannen met dat water hun offer hadden gewijd. 34Na een onderzoek te hebben ingesteld liet de koning de bewuste plaats omheinen en verklaarde hij die tot heiligdom. 35Met de beheerders die hij erover had aangesteld, wisselde hij geregeld geschenken uit. 36Nehemia en zijn mannen gaven de vloeistof de naam neftar, wat ‘reiniging’ betekent. Maar meestal wordt hij neftai genoemd.

2

21

2:1
2 Mak. 1:19
Zoals hierboven is beschreven, namen de ballingen vuur mee. Volgens de annalen was het de profeet Jeremia die hun dat opdroeg. 2Daar staat ook dat hij hun de wet van Mozes meegaf en hun voorhield dat ze de geboden van de Heer niet mochten vergeten en zich niet tot andere gedachten moesten laten verleiden door de fraai opgetuigde gouden en zilveren beelden die ze te zien zouden krijgen. 3Met deze en andere waarschuwingen riep hij hen op de wet niet uit hun hart te bannen. 4In datzelfde geschrift is te lezen hoe de profeet na een goddelijke ingeving opdracht gaf om de tent en de ark achter hem aan te dragen en hoe hij de berg op ging waar Mozes Gods land had zien liggen. 5Daar aangekomen ontdekte hij een grot. Hij liet de tent, de ark en het reukofferaltaar naar binnen brengen en sloot de toegang af. 6Enkelen van hen die hem hadden vergezeld, gingen later terug om de weg met tekens te markeren, maar ze konden de grot niet meer vinden. 7Toen Jeremia dit te horen kreeg, zei hij verwijtend: ‘Die plek zal onbekend blijven totdat God zijn volk weer samenbrengt en zich erover ontfermt. 8
2:8
Ex. 24:16
1 Kon. 8:10-11
Dan zal de Heer deze voorwerpen weer tevoorschijn brengen, en zijn majesteit zal verschijnen in de wolk die ook zichtbaar was in de tijd van Mozes, en ook later, toen Salomo bad dat de Heer de tempel op grootse wijze in bezit zou nemen.’ 9
2:9
1 Kon. 8:5,63
Want zoals bekend droeg de wijze koning Salomo een offer op ter gelegenheid van de voltooiing en inwijding van de tempel. 10
2:10
Lev. 9:24
2 Kron. 7:1
En zoals er uit de hemel vuur neerdaalde dat de offergaven verteerde toen Mozes tot de Heer bad, zo daalde er tijdens het gebed van Salomo uit de hemel vuur neer dat de brandoffers verteerde. 11
2:11
Lev. 10:16-17
Mozes had verklaard: ‘Omdat het zoenoffer niet is genuttigd, is het door het vuur verteerd.’ 12
2:12
1 Kon. 8:65
Het feest van Salomo duurde acht dagen, net als bij ons.

13Deze gebeurtenissen zijn ook opgetekend in de kronieken en annalen over Nehemia. Daarin staat ook te lezen hoe Nehemia een bibliotheek aanlegde waarin hij boeken over de koningen verzamelde en geschriften van de profeten en van David, alsmede brieven van koningen over wijgeschenken. 14Judas heeft die boeken, die door de oorlog waarin wij waren verwikkeld verspreid waren geraakt, weer bijeengebracht, en ze zijn nu in ons bezit. 15Wanneer u ze wilt raadplegen, kunt u ze laten halen.

16

2:16
1 Mak. 4:59
Wij schrijven u, omdat we binnenkort de reiniging van de tempel zullen vieren. Het zou goed zijn als ook u deze feestdagen in acht nam. 17God heeft zijn hele volk bevrijd en het zijn land, het koningschap en het priesterambt teruggegeven, alles wat nodig is om zijn heilig volk te zijn, 18
2:18
Deut. 30:3-5
zoals hij dat in zijn wet had beloofd. Wij vertrouwen erop dat God zich spoedig ook over ons ontfermt en ons uit alle windstreken weer op de heilige plaats bijeenbrengt, want hij heeft ons uit de diepste ellende verlost en de heilige plaats weer rein gemaakt.

Woord vooraf

19Jason van Cyrene heeft in vijf boeken de geschiedenis uiteengezet van Judas Makkabeüs en zijn broers. Daarin verhaalt hij hoe de heilige tempel werd gereinigd en het altaar opnieuw werd gewijd. 20Hij beschrijft de strijd tegen Antiochus Epifanes en diens zoon Eupator, 21hoe zich hemelse verschijningen voordeden aan de toegewijde en heldhaftige verdedigers van het jodendom, zodat die ondanks hun kleine aantal de barbaarse legers uit het gebied konden verjagen en veel buit vergaarden, 22de wereldberoemde tempel heroverden, de stad bevrijdden en de voorschriften die dreigden te worden afgeschaft, in ere herstelden. Dit alles was mogelijk omdat de Heer hun in zijn grote goedheid gunstig gezind was.

23Wij zullen hier proberen deze vijf boeken in één deel samen te vatten. 24Omdat Jasons werk door de enorme hoeveelheid getallen en de overvloed aan gegevens naar onze mening tamelijk ontoegankelijk is voor wie zich in deze geschiedenis wil verdiepen, 25hebben wij ernaar gestreefd onderhoudende lectuur te bieden en tevens het materiaal overzichtelijk te maken voor hen die zich de feiten willen inprenten. Zo kunnen alle lezers er hun voordeel mee doen. 26Het schrijven van deze samenvatting was geen gemakkelijke taak, maar een moeizame arbeid die ons veel zweetdruppels en slapeloze nachten heeft gekost, 27zoals iemand die een feestmaal bereidt veel moeite zal moeten doen wil hij het al zijn gasten naar de zin maken. De dankbaarheid die ons van vele kanten ten deel zal vallen, vergoedt echter bij voorbaat de inspanning die het heeft gekost. 28Het bestuderen van de details hebben we overgelaten aan de schrijver; wij hebben ten behoeve van de samenvatting vooral de grote lijn van het verhaal in het oog gehouden. 29Waar een architect bij de bouw van een nieuw huis vooral moet letten op de constructie als geheel, zal hij die het aanbrengen van de wasschilderingen en fresco’s op zich neemt met name oog hebben voor de details van de decoratie. Zo is het dunkt me ook met ons gesteld. 30De oorspronkelijke schrijver dient diep op zijn onderwerp in te gaan, het van alle kanten te bekijken en de details te onderzoeken, 31maar de bewerker heeft het recht het betoog in te korten en uitweidingen te vermijden. 32Laten we dus dit voorwoord snel besluiten en meteen met ons verhaal beginnen, want het zou onzinnig zijn om een uitvoerige inleiding te houden bij een verhaal dat we nu juist willen bekorten.

3

De tempelschat bedreigd

31In de tijd dat Onias hogepriester was, heerste er dankzij zijn vroomheid en zijn afkeer van het kwaad volkomen vrede in de heilige stad en werden de voorschriften strikt in acht genomen. 2Zelfs de koningen hielden de heilige plaats in ere en verhoogden de luister van de tempel met schitterende wijgeschenken. 3Koning Seleukus van Asia betaalde zelfs uit eigen middelen alle kosten die voor de offerdiensten werden gemaakt.

4Als opzichter van de tempel was een zekere Simon aangesteld, uit de familie van Bilga.3:4 uit de familie van Bilga – Andere handschriften lezen: ‘uit de stam Benjamin’. Deze Simon kreeg met de hogepriester een meningsverschil over het toezicht op het marktwezen in de stad. 5Omdat hij van Onias geen gelijk kreeg, wendde hij zich tot Apollonius van Tarsus,3:5 Apollonius van Tarsus – Andere handschriften lezen: ‘Apollonius, de zoon van Traseüs’. de toenmalige gouverneur van Cele-Syrië en Fenicië. 6Hij vertelde hem dat de schatkamer van de tempel in Jeruzalem gevuld was met onmetelijke rijkdommen, oneindig veel meer dan nodig was om de kosten van de offers te dekken, en dat die dus heel goed aan de koning zouden kunnen toevallen. 7Apollonius lichtte de koning tijdens een onderhoud in over de tempelschatten waarvan hij had gehoord, en de koning belastte de rijkskanselier Heliodorus met de opdracht om op deze rijkdommen beslag te leggen.

8Heliodorus ging onmiddellijk op reis, zogenaamd om een inspectiereis te maken langs de steden in Cele-Syrië en Fenicië, maar in feite om de wens van de koning ten uitvoer te brengen. 9Bij zijn aankomst in Jeruzalem werd hij door de hogepriester en de inwoners van de stad3:9 de hogepriester en de inwoners van de stad – Andere handschriften lezen: ‘de hogepriester van de stad’. hartelijk ontvangen. Hij vertelde wat hem ter ore was gekomen en zette het doel van zijn komst uiteen, waarbij hij informeerde of het ook werkelijk zo was als hij had gehoord. 10De hogepriester legde hem uit dat de rijkdommen deels bestonden uit gelden die in bewaring werden gehouden voor weduwen en wezen, 11en dat een ander deel ervan toebehoorde aan Hyrkanus, de zoon van Tobias, iemand die een vooraanstaande positie bekleedde. De goddeloze Simon had dus een valse voorstelling van zaken gegeven; bovendien, zei Onias, betrof het al met al slechts een bedrag van vierhonderd zilveren en tweehonderd gouden talenten. 12Het zou volstrekt ontoelaatbaar zijn om mensen te benadelen die hun vertrouwen hadden gesteld in de heiligheid van deze plaats en de waardigheid en onschendbaarheid van deze in de hele wereld geëerde tempel. 13Heliodorus beriep zich echter op het bevel van de koning en verklaarde dat het geld hoe dan ook in de koninklijke schatkist moest worden gestort.

14Op een door hemzelf vastgestelde dag ging hij de tempel binnen om de kostbaarheden te inventariseren, tot grote ontzetting van iedereen in de stad. 15De priesters wierpen zich in hun priesterlijke gewaden voor het altaar neer en richtten hun gebeden tot de hemel, tot hem die het voorschrift had uitgevaardigd waarin de bewaargeving geregeld was. Ze smeekten hem om de goederen die men aan de tempel had toevertrouwd veilig te bewaren. 16Ieder die de hogepriester zag, was diep onder de indruk, want zijn gezichtsuitdrukking en zijn gelaatskleur toonden hoezeer zijn gemoed werd gekweld; 17van angst beefde hij over zijn hele lichaam, waardoor de pijn in zijn ziel voor iedereen duidelijk te zien was. 18De mensen kwamen uit hun huizen en dromden samen om in een openbaar gebed te smeken dat de tempel niet geschonden zou worden. 19De vrouwen gingen met een boetekleed onder hun borsten vastgeknoopt de straat op, en jonge meisjes, die normaal gesproken in huis moesten blijven, kwamen in de deuropeningen en bij de tuinmuren staan, of bogen zich uit de vensters naar buiten. 20Allemaal strekten ze hun handen uit naar de hemel en hieven een smeekgebed aan. 21Het was hartverscheurend om te zien hoe werkelijk iedereen zich ter aarde wierp en hoe de hogepriester in angstige spanning afwachtte wat er zou gebeuren.

22Terwijl allen de almachtige Heer aanriepen en hem smeekten de gelden, die in het volste vertrouwen in bewaring waren gegeven, voor de eigenaars veilig te stellen, 23ging Heliodorus over tot de uitvoering van zijn besluit. 24Maar toen hij met zijn lijfwachten voor de ingang van de schatkamer stond, verscheen de Heer van alle geesten en machten op zo’n ontzagwekkende wijze, dat iedereen die het gewaagd had de tempel binnen te dringen, getroffen werd door de macht van God en alle kracht en moed verloor. 25

3:25
2 Mak. 5:4
Er verscheen hun een prachtig opgetuigd paard, dat op Heliodorus afstormde en hem onder zijn voorhoeven dreigde te vertrappen. Het werd bereden door een angstaanjagende ruiter in een wapenrusting die blonk van het goud. 26Bovendien verschenen hem nog twee andere jongemannen, die er geweldig sterk en bijzonder knap uitzagen en gehuld waren in schitterende kledij. Zij gingen aan weerskanten van hem staan en lieten een regen van slagen op hem neerdalen. 27Ineens viel hij op de grond neer en zonk weg in een diepe duisternis. Zijn mannen namen hem op en legden hem op een draagbaar. 28Zo werd hij, die zojuist nog zwaar bewapend en met een groot gevolg en een sterke lijfwacht de schatkamer was binnengedrongen, weggedragen, volkomen hulpeloos nu. Zo duidelijk had hij de kracht van God leren kennen.

29Terwijl hij daar lag, door Gods ingrijpen niet meer tot spreken in staat en beroofd van iedere hoop op herstel, 30loofden de inwoners van de stad de Heer, die zijn heilige plaats op wonderbaarlijke wijze had verdedigd. De tempel, waar even tevoren nog angst en verwarring heersten, werd, nu de almachtige Heer was verschenen, van vreugde en blijdschap vervuld. 31Enkele vertrouwelingen van Heliodorus gingen snel naar Onias om hem te vragen of hij de Allerhoogste wilde smeken om Heliodorus, die op sterven lag, in leven te laten. 32De hogepriester, die bang was dat de koning zou kunnen denken dat de Joden een aanslag op Heliodorus hadden gepleegd, bracht een offer voor zijn herstel. 33Terwijl de hogepriester het zoenoffer bracht, verschenen de twee jongemannen opnieuw aan Heliodorus, in dezelfde kleding als eerst. Ze kwamen bij hem staan en zeiden: ‘Wees Onias, de hogepriester, maar heel dankbaar, want omwille van hem heeft de Heer je leven gespaard. 34Nu je door de hemelse macht gegeseld bent, moet je iedereen vertellen over de geweldige kracht van God.’ Zodra ze dit gezegd hadden, waren ze weer verdwenen.

35Heliodorus bracht een offer aan de Heer, die zijn leven gespaard had, en deed hem plechtige geloften. Nadat hij van Onias afscheid had genomen, keerde hij met zijn leger naar de koning terug. 36Daar vertelde hij iedereen over de wonderbaarlijke daden die de allerhoogste God voor zijn eigen ogen verricht had. 37Toen de koning hem vroeg wie hij dan nu naar Jeruzalem zou sturen, antwoordde hij: 38‘U kunt maar het beste een of andere vijand of landverrader naar Jeruzalem sturen. Als hij er al niet het leven laat, zult u hem afgeranseld terugkrijgen, want die plaats wordt waarlijk door een goddelijke kracht beschermd. 39Hij die in de hemel woont, houdt een wakend oog op die heilige plaats en komt hem te hulp door ieder die er met kwade bedoelingen naartoe komt, dodelijk te treffen.’

40Dit was de geschiedenis van Heliodorus en het behoud van de tempelschat.